

Hier in de Provence verbazen we ons over het on-affe, het imperfecte en het bijna verwaarloosde.
Wat in Nederland al gauw wordt gezien als grove verwaarlozing, is hier in harmonie met de omgeving, met de natuur, met het verval. Een venster met afgebladderde verf is hier ineens mooi, de verbleekte blauwe kleur van een deur is in perfecte harmonie met de zalmroze muur van de gevel. Het gedeel-telijk verzakte plaveisel van het straatje is in balans met de verouderde gevels van de huizen. Zelfs de electriciteitskabels die slordig over de straten hangen storen niet echt. De wingerd die vanuit een pot opklimt tegen de gevel lijkt de behoefte aan vaste grond niet te ontberen.
We zitten in een cafeetje in Flayosc en hebben net een café besteld. Een man komt binnen en begint alle gasten te begroeten, er worden handen geschud en er wordt gezoend. Het blijkt de uitbater van het café te zijn die net boodschappen heeft gedaan, twee gasflessen en een doos met wijn worden naar de voorraadkelder gebracht. Hij is vrolijk en de twee vrouwen achter de tap, die constant bezig zijn, hebben af toe een babbel met het zoontje van één van hen. De bedrijvigheid lost op in vrolijk bezig zijn. Het ziet er allemaal heel ontspannen uit. Twee mannen staan aan de tap om hun Pastis te drinken en laten het pittige drankje door een biertje van de tap volgen. De café smaakt goed en geïntrigeerd door wat we allemaal zien bestellen we midden op de dag een rosé, niet direct iets wat we in Nederland zouden doen. Ten overvloede meld ik het aan de omvangrijke vrouw achter de tap “ ce n’est pas normal pour nous, nous Hollandais”. Ze reageert er nauwelijks op. Er komen nog meer mensen binnen die geanimeerd de gasten begroeten. Het is etenstijd en de eerste bestellingen worden geplaatst, Dorade met risotto. Jammer dat Nienke het niet ziet zitten om midden op de dag te gaan tafelen, ik had er wel zin in gehad.
Het stokbrood dat we haalden bij de locale bakker is bepaald niet te versmaden. Dat brood, net uit de oven. Het is een wonder, die dunne krokante korst, een geur van vers hooi en noten. Eenmaal thuis in ons huisje heb ik de neiging om het bij de lunch helemaal op te eten, terwijl de honger eigenlijk al is gestild.
Vanmorgen hadden we geen water, de waterleiding, op zijn Frans aangelegd, deels boven de grond, was bevroren en er lag sneeuw op het veld en de daken. Het schijnt hier niet zo vaak te gebeuren dat er sneeuw valt, maar het zat erin. Tenslotte ligt heel Europa te kreunen onder de slechte weersomstandigheden. 60 cm sneeuw op de autoroute en de doorgaande wegen, ellenlange files aan de Rivièra kust, vrachtauto’s die door de gladheid van de weg zijn geraakt.
Na de lunch maakten we een tochtje naar Cotignac. Dwars door de wijngaarden over hobbelige weggetjes. Het landschap is afwisselend en betoverend mooi. In Cotignac is het stil in de winterperiode en de kale Platanen staan als reuzen in meditatie rond het plein alsof ze zich voor- bereiden op de warme zomer. Een aantal oude mannen bespreken met elkaar het nieuws van de dag en een man loopt met een oud hondje in de richting van de Tabac. Cotignac is gebouwd tegen een steile rotswand van tufsteen. In de wand zijn rotswoningen, die bewoond werden vanaf 800 na Christus. Het was een veilige plek. De Saracenen die deze contreien destijds onveilig maakten hadden er geen vat op. Het hele dorp maakt een middeleeuwse indruk, als er geen auto’s stonden zou je je kunnen voorstellen dat er een stel ridders te paard door de smalle straatjes aan komen rijden.
Op onze zoektocht langs wijnproeverijen voor een goede wijn aan boord konden we de plaatselijke degustation niet overslaan. De man achter de balie keek ons wat nors aan, hij had er duidelijk geen zin in. Op onze vraag of we de wijn die in de 5 literpakken aangeboden werd konden proeven, haalde hij een halflege fles onder de toonbank vandaan. De wijn zou ‘pareil’ zijn aan die uit de boxen. Hij rook er even aan, ik vermoed om te beoordelen of hij niet al te lang openstond, en schonk ons een bodempje in het glas. De wijn was niet te zuipen, hij rook zuur en was van een mindere kwaliteit. Hij had het snel door, onze gelaatsuitdrukking sprak boekdelen. Het trekken van een extra vies gezicht is voor de man of vrouw achter de toog een duidelijke boodschap. Als de wijn niet aan de verwachting voldoet moet je hem ook niet kopen Vriendelijk doch beslist verlieten we de winkel. We leren het al. Ik had voordien bij deze ‘degustations’, waar je gratis mag proeven, toch het gevoel dat ik wat moest kopen. Voordat je het weet zitten we met liters slechte wijn die alleen geschikt is om er ‘coq au vin’ of azijn van de maken. Onze queeste naar de ultieme wijn in pakken voor aan boord zetten we voort en wie weet zit er op den duur nog handel in. Stel je voor dat we dé wijn vinden die bijna iedere schipper en schipperse lekker vindt. Misschien maken we er wel een ‘Hutting wijn’ van. En dan doen we er ook nog een tegeltje bij van Provencaalse rode aarde, helemaal gratis, bij uitstek geschikt als stevig onderzetter voor alles wat aan boord neigt tot schuiven.
's Lands wijs 's lands eer.

Hier in Flayosc midden in de Provence vriest het net zo hard als in Nederland. De sneeuw ontbreekt, dat wel, maar de koude wind die vanuit de bergen over dit oude land blaast doet ons menigmaal huiveren. De discrepantie tussen de kou en het mediterraan plaatje met palmbomen, Yucca’s en puntige Aloës brengt ons als verse bezoekers nog behoorlijk in verwarring.
Terwijl de Mimosa op springen staat, is het zwembad ’s morgens bedekt met een laagje ijs.
Overdag is de temperatuur in het zonnetje best aangenaam. Een fikse wandeling over hobbelige paden steil omlaag en later geleidelijk omhoog zorgt met puffen en blazen voor een natte rug. We merken dat onze conditie niet al te best is en nemen ons voor elke dag een stuk te lopen.
De wegen zijn uitstekend geschikt om je auto versneld voor te bereiden op de sloop. Zelden zoveel hobbels en kuilen gezien. Alleen de doorgaande wegen zijn redelijk tot goed.
Onderweg van Nederland naar ons plekje hier in de Provence, kreeg de richtingaanwijzer het op zijn heupen. In plaats van een regelmatige tik bij het richting aangeven, horen we een, op hol geslagen tapdancer met een ritmeprobleem, ook als ik mijn richtingaanwijzer weer in de nulstand zet. Met mijn steenkolen Frans probeer ik de man van de garage uit te leggen; ‘le clignoteur de ma voiture n’est pas normal, il est fou’. Hij kijkt me wat verwonderd aan en wilde dat met eigen oren verifiëren. Hij wist niet zeker wat het kon zijn, ‘peut-être un relais’.
Het is een hele klus om je auto ‘en France’ in reparatie te krijgen, zoveel gegevens als eerst in de computer gepompt moeten worden. Bovendien wordt de auto voordat de opdracht aangenomen wordt van alle kanten geïnspecteerd op beschadigingen, zodat ik achteraf niet kan claimen dat er iets in de garage mis is gegaan. Braaf zet ik mijn handtekening onder het voorbedrukte formulier. De teerling is geworpen. Vriendelijk doch beslist worden we naar de wachtruimte ge-bonjoured. Na het echte diagnose werk in de garage zelf krijgen we de schade gemeld; het is de clignoteurhendel die kaduuk is. Het onderdeel moet worden besteld. Of we a.s. donderdag om 9 uur maar terug willen komen. Fijntjes vraagt de man achter de balie of we wel zo vroeg willen komen. Blijkbaar zien we er als pensionado’s niet uit als vroeg-op-staanders.
Terwijl we aan het wachten waren, we hebben immers alle tijd, zagen we een zeer frans uitziende dame met een erg strak zwart coltruitje over haar pronte borsten. Daaronder hing een nauw zwart-leren koker-rokje dat haar dwong met kleine pasjes te lopen. Wiebelend op haar pumps met eindeloos hoge hakken, ook al niet bevorderlijk voor een stevige tred, twijfelden we of ze zelf liep of mechanisch werd voortbewogen. Onmiddellijk dachten we te maken te hebben met de directrice van dit blitse garagebedrijf. Alle mannen die binnenkwamen zoenden haar op beide wangen, wat ons inziens toch een blijk van bekendheid moest zijn. Hoe fout was onze inschatting; haar taak was niet het runnen van het bedrijf, maar het schoonhouden van de vloer en dat uiteraard met de “franse slag”, een zwiep naar links en een zwiep naar rechts, net niet tot in de hoekjes van de werkvloer. Over werkkleding hebben de Fransen duidelijk een andere visie.
We leerden later van de gastvrouw van ons huisje, dat het zoenen in deze buurten een dagelijks ritueel is, desnoods meerdere keren per dag. Tijdens haar rondleiding door het dorp zagen we haar achtereenvolgens de politieman, een restaurateur, een paar vrouwen en een automobilist, midden op straat, zoenen. Op de scholen is het zoenen gedurende de griep-epidemie tijdelijk verboden geweest. Nu wordt er tussen de leerlingen weer als vanouds ‘gewangd’, want echt zoenen op de mond is er niet bij.
Het is even wennen hier in Flayosc, heel wat anders dan onderweg zijn met je schip.
Die 2 maanden komen we hier wel door, al was het alleen maar door de grote keus aan heerlijkheden waar de supermarkten en de markten van overvloeien. Een aansporing om weer eens flink creatief met de potten en pannen te gaan rommelen.
Op de foto’s een paar sfeerplaatjes van de dorpen Flayosc en Tourtour.


van sneeuw en dooi

Van mij mag het gaan dooien.
De maagdelijke sneeuw is inmiddels veranderd in een smerig bevlekt laken met bruingele hondeplasjes en honderden konijnenkeutels. Bo vindt het interessant en lijkt zich er niet aan te storen. De langzaam ontdooiende prut op de weg gemengd met strooizout is niet favoriet om met blote pootjes op te lopen. Regelmatig staat hij stil, één poot in de lucht, ermee aangevend dat verder lopen te pijnlijk is. Ik wordt door zijn stilzwijgende pose verzocht om de prut tussen zijn tenen te verwijderen.
Neen, van mij mag het doorgaan met dooien.
Lopen op de platgereden sneeuw voor het huisje resulteert in een wonderlijke apendans, iedere oneffenheid doet je zijdelings wegglijden, waarbij onze beide armen naar links en rechts uitgestrekt de enige hulpmiddelen zijn om de balans te bewaren. Het is een wonder dat we allebei nog in staat waren het rondje met het hondje te volbrengen zonder een gedwongen bezoek aan de trauma-poli. We hebben overwogen om twee vorken onder de schoenen te binden, waarmee we, liggend op de buik, ons afzettend met de vorken in het ijs zouden voort bewegen. Met dat beeld voor ogen hebben we er toch maar voor gekozen, al apendansend ons pad te zoeken. Als het ons lukte om zonder uitglijden de auto te bereiken en plaats te nemen achter het stuur werd het allemaal weer heel leuk. Ontkoppelen en gas gas geven op de ijsbaan voor ons huisje is als in een slip raken op de baan van een slipschool. De voorwielen draaien zonder grip en sturen heeft slechts matig resultaat. Vlot wegrijden is er niet bij terwijl we in de bochten met lage snelheid al van de weg dreigen te raken. Toch kan ik het niet laten om wat te experimenteren in hoe ver ik kan gaan. Ik voel me dan weer dat jonge knulletje, net in het bezit van mijn rijbewijs. Met het ritje over de besneeuwde bospaden in Hattem voelde ik me als een coureur in een rally. Ik reed niet hard en wist niets van blokkerende remmen. Het Renaultje van mij moeder, die me nog zo had gewaarschuwd om voorzichtig te rijden, had last van blokkerende remmen en dat deden ze ook toen ik probeerde remmend de bocht door te komen. Mijn eerste deuk was er eveneens één in het vertrouwen in mijn rijkunst. De boom staat er nog, het Renaultje, gerepareerd en opgekalefaterd,zal niet meer bestaan. Het roest-spook had in die jaren veel meer macht over auto’s dan tegenwoordig.
Met de ABS in onze Golf remt het wel iets beter, maar glijden op harde sneeuw lukt nog steeds. Het rempedaal ratelt tegen mijn voetzool in een driftige poging de wielen te de-blokeren, een vreemd gevoel, alsof je rem-actie wordt gesabotteerd door een klopboor in je voet. Harder trappen heeft geen zin of je moet het als zinnig ervaren dat je tanden gaan klapperen en tandsteen automatisch wordt verwijderd. Op het parkeerterrein bij de hondenuitlaatplek lukt het me om de kont van de auto een zwiep te laten maken. Op de straat naar het dorp laat ik het maar achterwege.
Tenslotte moet ik de brave burger in mij die zich aan de regels houdt wel in ere houden.
Laat dat oude sneeuwdek nu maar wegsmelten.
De eendjes drentelen voortdurend om het huis in afwachting van wat brood. De mezen, een heggemusje, een winterkoninkje en een roodborstje smullen van de vetbollen die we ophingen in de struiken bij het terras. Zwanen zitten op het ijs, wachtend op een wak dat ze met hun lichaams-warmte hopen te vergroten. De Meerkoeten en Waterhoentjes stropen de tuintjes bij de huizen af, nu ze in de met ijs bedekte grachten geen voedsel kunnen vinden.
Als het nu even goed dooit, mag het daarna weer gaan vriezen wat mij betreft. Maar dan wel met goed ijs graag, zodat we misschien in Februari toch die lang verwachtte Elfstedentocht mogen beleven. Vanuit Zuid Frankrijk weet ik niet of we daar rustig onder kunnen blijven, zelfs niet met een glaasje Pernod en een stuk Saint Augur met stokbrood.
Van mij mag het gaan dooien, maar niet te lang.

Sneeuwpret
Bo doe je geen groter plezier.
Winter in Makkum
Stuifsneeuw en sneeuwduinen door de harde wind. Het is winter in Makkum. Bo lijkt er niet veel last van te hebben. Hij jaagt een konijn bij zijn hol weg, die blijkbaar een luchtje wilde scheppen. Het konijn neemt schielijk de konijnenlatten en rent de weg over naar veiliger oorden. Het is wit, alles is wit en sneeuwduinen vormen scherpe contouren hij de huisjes waar de wind om de hoek wervelt. de lucht is grijs-grauw en belooft nog meer sneeuw. Nu ligt Bo weer in zijn mandje en wij gaan een nespresso genieten.
Konijnenp(b)raat(d)

December 2009
De opkomende zon probeert met enige moeite onder de laag-hangende bewolking de Makkumerwaard te beschijnen. In het Westen beloven de grijze wolken een regenachtige dag. Het is grauw en grijs in het park. De huisjes zijn spaarzaam bezet, slechts hier en daar staat een auto op de oprit, als bewijs van menselijke aanwezigheid.
Het park is vooral van de konijnen die in veel grotere getale dan vorig jaar het terrein bevolken. Zelden zoveel konijnen bij elkaar gezien. Hier autorijden is oppassen geblazen, voor dat je het weet heb je een kerstdiner met wild konijn als hoofdgerecht. Even lafhartig als met zelf-gevangen vis, zie ik het ook niet zo zitten om een konijn te villen. Kant en klaar in onduidelijke delen de pan in, prima, dat lukt me wel, maar ik zie me niet gemakkelijk het beest van zijn ingewanden ontdoen en me tegelijkertijd voorstellen hoe de rest zal smaken na toebereiding. Blijkbaar is er een soort afsplitsing in mijn voorstelling nodig om een konijnebout ( klinkt al veel prettiger dan, gevild konijn) te savoureren. Voor een vegetariër is het allemaal veel duidelijker, je eet gewoon geen vlees. Een ambivalente lekkerbek als ik heeft het veel moeilijker, zeker nu wij de keuze hebben gemaakt dichter bij de natuur te leven, door het zeilen en het verblijf in een konijnenparadijs. Gut, wat ben ik blij dat ik tot nu toe geen konijn heb platgereden.
Ik hoop van ganzer harte dat Bo, de tekkel van onze zoon Jeroen, binnenkort niet een konijn te pakken krijgt. Zijn interesse voor het weghippende wild neemt onrustbarend toe. Aanvankelijk was er alleen de nieuwsgierigheid voor de holletjes waarin de konijnen verdwenen, nu sprint hij achter de konijnen aan als was het de geworpen bal op het strand, waarmee we hem tijdens de wandeling plegen af te matten. De cursus stemexpressie van Nienke helpt helaas niet om hem tot de orde te brengen. Zelfs mijn onaards brullen of een duivelse kreet maakt geen enkele indruk op Bo, die normaal gesproken, zonder lijn, een meter naast je blijft lopen op het commando “naast”. Ergens gaat er omgekeerd evenredig met de afstand tot het baasje iets mis met zijn gehoozaamheid. Hoe meer meters verwijderd, des te minder de gehoorzaamheid. Het zal niet lang meer duren of ik zal de regel op het park dat honden altijd aan de lijn moeten, niet meer kunnen negeren, al is dat dan om een andere reden dan mijn ongehoorzaamheid.
Het zijn niet alleen de konijnen die het park tot hun domein hebben gemaakt, af en toe sprint er ook een haas voorbij. Hoe zich dat tot elkaar verhoudt weet ik niet, de konijnen lijken er niet onder te lijden dat er af en toe een haas meeknabbelt van het overvloedige gras. Voor Bo zijn de hazen geen bereikbare prooi, zo veel sneller als die zich uit de voeten kunnen maken dan de konijnen. Konijnen zijn goed in zigzaggen en plotse wendingen van de looprichting. Merkwaardig vind ik dat ze in het licht van de autolampen, relatief lang voor de auto uit blijven lopen inplaats van gewoon opzij te gaan. Een leuk gezicht voor ons en een beetje dom van het konijn. Zal wel iets te maken hebben met verblind worden door het felle licht van de autolampen.
De meeste konijnen hebben een wildkleur. We zagen een zwart konijn en een grijs konijn met een witte bef, tamme Flappies die het kerstdiner wisten te ontsnappen. Tot nu zagen we geen kruisingen van konijnen en de hazen. Zou dat mogelijk zijn een ‘kohaas’?
Het overschot aan konijnen zal in de komende jaren wel geregeld worden door de natuur. 3 jaar geleden zagen we hier een konijn met myxomatosis. Het virus is dus aanwezig en zal zijn tol eisen als de populatie te groot wordt. Een jager die hier wild schietend over het vakantiepark loopt , lijkt me niet een reële optie met al die gasten.
Wat mij betreft mag het een konijnenparadijs blijven. Ik zou de wollige troetels met hun hippende witte staartjes en hun lieve zachte oogopslag missen.
foto’s: 2 keer de Makkumerwaard in het vroege zonlicht
het laatste tochtje van het seizoen met herinneringen aan vroeger

De harde oostenwind geeft de laatste blaadjes aan de lindeboom weinig kans om zich langer aan de takken vast te houden. Ons schip aan de kade in Medemblik heeft zich opgeworpen tot opvangplek voor de bladeren die het niet meer gered hebben, althans voor de bladeren van de lindeboom naast ons op de dijk. Het kontrast van het onstuimige IJsselmeer en het vlakke water in de haven van Medemblik is groot, de wind waait hoog boven de huizen en zo dicht bij de kade, onder de dijk liggen we mooi beschut. Vanuit de kuip met een lage zon in het westen bekijken we het leven van de havenbewoners. Met een kapot geel schepje in de ene hand en de twee lijnen met bijbehorende hondjes in de andere hand drentelt een plaatselijke schone geduldig over de dijk. Ze is het duidelijk gewend en de honden krijgen alle kans om hun snuffelbehoefte voorafgaande aan die andere behoefte te praktiseren. Een man met een plafonniere onder de arm loopt over de steiger naar boven, even later gevolgd door een vrouw met een Tiffany-lampekap. Als na 10 minuten dezelfde man en daarna nogmaals de vrouw met wederom een winkellading lampen voorbijkomt , kan ik het niet nalaten, enigszins opgefleurd door een Duveltje, te vragen ‘wat al dat gesleep met lampen te betekenen heeft’. Een schip met een grote plafonniere in de roef of een Tiffany lamp bij de kombuis kon ik me niet helemaal voorstellen. Ook de tulplampjes op stelen als een boeket bevestigd op een wandplaat leek me niet een nautisch verantwoorde verlichting. De vrouw hield de pas in en zei lachend dat ze aan het verhuizen was, en dat haar gang langs de steiger de kortste route was van de oude woning naar de nieuwe.
Medemblik is voor ons een geliefde plek om af te meren en heeft een nostalgische betekenis. Het leuke stadje was in de jaren tachtig de plek waar we ons eerste schip kochten, een Cornish Crabber. Splinternieuw en voorzien van talloze lijntjes waar we beide de betekenis nog van moesten ontdekken. Op de dag van de overdracht woei het stevig en een overtocht over de plas naar Workum en haar toekomstige ligplaats in Heeg keken we met de nodige bezorgdheid tegemoet. Nienke’s vader, niet meer zo vlot als vroeger, was met ons mee en gedrieën zouden we de overtocht maken.
De verkoper van het schip deed er luchtig over en zei dat de Crabber juist voor dit weer gebouwd was en dat we in plaats van het grootzeil ook het topzeil achter de mast konden bevestigen. Samen met de beide voorzeilen zou dat bij deze westenwind een ideale zeilvoering zijn. Met wat gepruts en hulp hebben we dat topzeil achter de mast bevestigd en de schoothoek van het zeil naar het eind van de giek strak getrokken. Aldus voeren we met het topzeil op ooghoogte en de voorzeilen nog ingedraaid op de motor de haven van Medemblik uit. Voor het eerst op het grote water, met goed zicht richting Workum. De golven waren hoog, hoger dan we ooit op de Friese meren hadden gezien, maar ons Crabbertje deed het geweldig, ze had er zin in en de schuin van achter aanrollende golven nam ze met elegante zwiepbewegingen van haar kontje. Ik weet niet meer hoeveel knopen we liepen, naar mijn herinnering liepen we hard, als ik terug denk aan het voorbijschietende schuim aan de lage kant van het schip. Nienke’s vader vond het allemaal geweldig. Al liet hij dat woordelijk niet blijken, zijn ogen spraken klare taal.
Deze Crabber is de basis geworden van de vele zeiltochten die we met ons gezin hebben gemaakt.
Droogvallen op de Koffiebonenplaat bij Terschelling, voor anker liggen achter de Richel bij Vlieland en niet te vergeten de tochten die we maakten over het Duitse Wad en die ene oversteek naar Helgoland. Kokkels vangen met een schep, net nadat het wad is drooggevallen, krabben vangen met een netje in de haven, pannenkoeken ruilen tegen een paar tongscharretjes bij een visserman die met zijn schip net als wij voor anker ligt. Toen we vele jaren later een Friendship 28 kochten was dat ook in Medemblik. Naar bleek een schip met levende have aan boord. Op de masttop had een duif besloten een nest te maken. En in een nest plegen vogels eieren te leggen. Vanaf zo’n hoogte vallen en op het dek belanden is voor de levende inhoud van een ei dodelijk. Dat gebeurde toen we wegvoeren. De enige begrafenis die we konden bedenken was een zeemansgraf te samen met de resten van het nest dat haar plek boven op de mast niet had weten te handhaven.
Medemblik, een plek waar voor ons veel is begonnen maar waar nu voor ons het zeilseizoen eindigt.
foto: Medemblik in een waterig namiddagzonnetje.
Herfst en van vissers en fuiken

Roodbruin krullen de bladeren van de vogelkers zich tegen het licht van de laagstaande zon. Ik loop over het pad langs de jachthaven en zie neer op het mastenwoud. Ik realiseer me dat het over een maand een stuk leger zal zijn. Deels op de wal en deels in de loods worden al die zeilpaardjes tijdelijk op stal gezet in afwachting van een volgend seizoen. Aan de wind zal het niet liggen die blaast en giert ook tijdens de wintermaanden door de bomen. Mijn stappen op het schelpenpad maken me bewust dat ik loop en mijn aandacht verlegt zich naar mijn voetzolen. Hoe loop ik eigenlijk, hoe zetten mijn voeten iedere stap? Ik merk dat ik loop en niets anders, geen gedachten die verstoren, ik loop. De beweging in mijn enkels, de hak eerst op de grond en daarna de rest van de voetzool. Linker voet, rechter voet. Daarboven lijk ik in balans, mijn knieën vangen de schokken van het neerzetten van mijn voet op en mijn bekken wiegt er zachtjes boven. De zon schijnt en me bewust van de warmte trek ik mijn trui uit. Een enkel zeilschip glijdt langzaam onder zeil voorbij, in stilte. Bij de waterkant sta ik te kijken en een oudere man komt naast me staan en begint te praten. Ik knik af en toe maar heb moeite om zijn Fries-Hollands te verstaan. Hij is palingvisser en naar ik verneem inmiddels 82 jaar. Hij wijst de vlaggetjes van zijn fuiken. hij is boos, heel boos, op de regering die hun een vangstbeperking heeft opgelegd en daar niets tegenover heeft gezet. Boos op de Spanjaarden die maar raak vissen op de jonge glasaal, die daardoor in steeds geringere aantallen bij de sluizen naar binnen komt, het IJsselmeer in. ‘Daar in Spanje mag alles en hier mag niets’. En dan windt hij zich nog eens extra op over die lui die zijn netten leeghalen. Vroeger gebeurde dat niet, tegenwoordig steeds meer. De palingkwekerijen krijgen er eveneens van langs, want die vangen de glasaal voor de afsluitdijk weg om ze te gebruiken voor hun kwekerij ‘en meneer’, zegt hij met stemverheffing ‘een groot deel van die gevangen glasaal redt het niet, goed voor de meeuwen maar slecht voor ons’. Hij heeft dagen dat er niets in zijn fuiken zit, en als hij wat vangt gooit hij de ondermaatse vis terug. € 7 krijgt hij per kilo paling. Niet genoeg om van te leven als hij niet AOW had. In Duitsland sprak ik ook een visser die een zelfde soort klaaglied liet horen, maar hier betrof het de Urker vissers die met steeds groter materieel alle platvis hebben weggevangen voor de Duitse en Deense wadden. ‘ Het scholletje op uw bord komt hier helemaal niet meer vandaan, maar wordt geïmporteerd uit andere landen’.’Bovendien maken ze met hun speciale netten alle leven in de bodem kapot waardoor de scholletjes geen voedsel meer hebben om te groeien’. Nu ken ik niet veel vissers die niet klagen, maar ze hebben wel een punt. Het zal wel weer zoals altijd zijn, er zijn meerdere waarheden en wie heeft nou het meeste gelijk? De biologen zijn het erover eens, er wordt schandalig overbevist en dat roept om regulering. Het zou mooi zijn als alle landen, ook in Afrika en Azië tot een gemeenschappelijk beleid zouden kunnen komen om overbevissing te voorkomen. Dat zal om economische redenen wel niet mogelijk zijn. De arme landen zijn daarin weer de pineut.
Het zeilseizoen is vrijwel ten einde en op het IJsselmeer zien we nog een enkel zeilschip. De winterdepressies jagen de wolken en de regenbuien over het meer en het land. We huiveren bij een windvlaag vanuit het koude noorden. Net voor de bui , de zeilen nog droog slaan we de touwtjes om de palen van de box bij de werf. Misschien kunnen we de komende weken , zolang als we nog aan boord zijn een paar mooie zeildagen pakken. Nog even met ons zeilend huis op stap, voordat ze voor een paar maanden de rust van de loods over zich heen laat komen. Betrekkelijke rust, want er staan nog wat klussen op de lijst, het lakwerk vraagt om een opfrisbeurt, de romp en de mast moeten gepoetst worden en dan is er nog een lijstje kleine zorgen, die aandacht verdienen.
bij de foto’s en het filmpje:
IJsselmeer op een zondag in Oktober
Thuis in Makkum en terugblik

Alweer een maand in Nederland. De dagen vliegen in sneltrein-vaart voorbij. Het tempo van het gewone leven is in groot contrast met dat van de zeiler onderweg. Zo makkelijk als we weer opgeslokt worden door al dan niet vermeende sociale verplichtingen, regelzaken, uitjes en niet te vergeten het boek. Het lijkt erop dat de reis van vorig jaar naar de Lofoten zijn weerslag gaat krijgen in boekvorm. We hebben er hard aan gewerkt; de tekst, de foto’s, de layout hetgeen resulteerde in een ‘print on demand’, een voorlopige versie waarmee we naar de uitgever zijn gestapt. Voordat het boek in de winkel ligt zijn we nog wel een paar maanden verder, maar het lijkt er op dat het doorgaat.
We liggen bij de werf in Makkum. Af en toe ontsnappen we even door een eindje te gaan varen op het IJsselmeer, even weer dat geluid van het water langs de boeg horen stromen, voelen hoe het schip zich op haar zij nestelt en dan geleidelijk op snelheid komt. Het lage licht van de herfst speelt met de wolken en door de sluier van laaghangende mist lijken afstanden heel ver, zodat we ons op zee wanen. De aanwezigheid van de vele zeilschepen met wapperende driekleur, die evenals wij genieten van het mooie nazomerweer laten ons zien dat we dicht bij huis zijn.
Het is rustig op de werf, nog een paar weken tot de grote verhuizing van alle schepen voor de wal naar hun winterverblijf. De mannen van de werf maken de loods klaar voor de schepen. De bokken worden klaar gezet, de vloer geveegd en de hefkraan in stelling gebracht. Het eerste weekend in oktober is het Huttingweekend, de jaarlijkse afsluiting van het seizoen, waarbij we met een aantal schepen 2 dagen het water op gaan. De familie op stap, iedereen krijgt de kans om de belevenissen van het afgelopen jaar uit te wisselen. Het is meestal een gezellige boel, bemanningen worden uitgewisseld, vrienden en kennissen mogen mee als opstapper en het diner wordt samen genoten in een restaurantje op een plek ergens aan het IJsselmeer. De week erna is er “open dag” op de werf. De schepen getooid met tientalle vlaggetjes en wimpels liggen met de kuipen naar de wal als uitnodigende terrasjes op een plein. De schepen liggen er ter bezichtiging en de eigenaren fungeren als voorlichters van hun schip. Een aantal belanghebbende bedrijven vertonen hun waar op een aantal standjes in de loods en de reddingmaatschappij komt een lezing geven.
We denken nog vaak aan onze tocht naar Noorwegen en de Lofoten. Vooral het deel boven Ålesund naar Bodø vonden we het mooiste, de ruige ongenaakbare bergen, de doorkijkjes in de fjorden, de scheren en vooral de rust. Weinig zeilschepen, lege havens en een enkele nederzetting met een kleine Landhandel. Wat op zowat iedere fjordenhoek in Noorwegen te vinden was ontbrak vrijwel volledig in Zweden; zalmkwekerijen gedijen blijkbaar niet in de Oostzee. De zalm die je in Zweden koopt, zo fantastisch mooi van smaak door het plaatselijke zorgvuldige rookproces, komt naar ik hoorde voor het grootste deel uit Noorwegen. Alleen haring schijnt nog vrij overvloedig in de Oostzee voor te komen, die gefileerd en ingelegd in diverse heerlijke sausjes ter tafel komt.
Wanneer ik terugdenk aan onze reis naar Zweden is er wel een groot verschil met de reis van vorig jaar. Zweden was beslist rustiger. Op de tocht van dit jaar hebben we veel meer kunnen zeilen, omdat we onze koers en bestemming konden variëren naar gelang de windrichting. Het landschap was minder spectaculair, dat zeker, en de scheren die we zagen werden na verloop van enige tijd wel heel eentonig. Verder landinwaarts waren de eeuwige dennen- en sparrenbomen van een deprimerende donkere saaiheid, waar we allebei niet goed tegen konden. De sfeer van een havenplaatsje dieper het land in was treurig ; een half gezonken woonboot, vervallen steigers, een scheefgezakte schuur en een schaars aantal slecht onderhouden huizen. Hier zie je dat het in Zweden op het platteland economisch niet goed gaat in tegenstelling tot Stockholm dat op een bruisende Franse metropool lijkt. Voor iets meer dan € 100.000 heb je een riant vrijstaand huis op het platteland, maar dan moet je niet bang zijn om in de winter weken achter elkaar door sneeuw en kou van de bewoonde wereld geïsoleerd te zijn, volledig aangewezen op de voorraden die je hopelijk voldoende hebt ingeslagen voordat de winterperiode intreedt. Net als de Noren leven de Zweden op in de zomer die slechts 2-3 maanden duurt. Iedereen is op pad, de lijven worden massaal ontbloot om zoveel mogelijk zonnestraaltjes op te vangen. Ieder strandje herbergt recreërende families en overal worden vuurtjes gestookt om visje en vleesjes te braden.
Halverwege augustus is het allemaal weer voorbij en begint voor de Zweden de vroege herfst die al snel in de winter over gaat. De havens sluiten hun voorzieningen en de havenmeester beschouwt zich van zijn taken ontdaan. Je mag er dan kostenloos je bootje parkeren, niemand die langs komt om het havengeld te innen. De westkust van Zweden hebben we niet aangedaan en we horen dat we daar wat aan gemist hebben. We hebben het gemeden omdat we begrepen dat het er vol was in de zomer, vol met Zweden, Duitsers en Noren die met hun snelle motorboten de smalle vaarwegen tussen de scheren onveilig maken. Misschien komen we er nog eens in mei, vlak voor de drukke periode.
Samenvattend, de Oostkust van Zweden tot 100 mijl onder Stockholm was mooi, Noorwegen mooier en indrukwekkender door zijn verstilde schoonheid. Naar Gotland en Farø willen we wel een keer terug, beide eilanden maakten een grote indruk op ons, zo anders als ze waren als de oostkust zelf. De vlag van Gotland met het schaap, die we verzuimden te kopen, maar alsnog kregen van vrienden die er ook waren, heeft zodra we hem hadden als sier in het want gehangen. Een jongetje dat ons door de brug in Leeuwarden zag varen, riep uit: ‘de vlag van Gotland’. Hij was er blijkbaar met zijn ouders ook geweest.
We zijn thuis, nog tot 1 november aan boord, en dan voor een paar maanden in het vakantiehuisje.
Wat het volgend jaar wordt? Varen. Waarheen? We weten het nog even niet.
Van zoet weer naar zout en over een brutale bezoeker


Over de Dokkumer Ee naar Dokkum en naar Leeuw-arden, het is iedere keer weer een prachtige tocht. Af en toe is ’t wat ondiep, goed te merken aan de hekgolf die ineens begint te bruisen. Het heuvelachtige landschap van Groningen maakt geleidelijk plaats voor de vlakke uitgestrektheid van Friesland. De bruggen draaien vlot en Dokkum is een welkome plek voor een overnachting. Met onze vrienden varen we de volgende dag door naar Leeuwarden en meren af in de Prinsentuin. Het steile graswalletje herinnert me eraan dat ik mijn voeten goed moet neerzetten als ik naar het schip loop. Het liggeld is laag, met Sneek denk ik de het laagst van heel Friesland. We worden verrast met een plastic zak waarin een klein flesje Prosecco, reclame van een wijnhandel. Het is warm en de jongen die het veerpontje bedient verveelt zich bij het gebrek aan klandizie. Hij gaat met het pontje een tochtje door de gracht maken om, na een paar honderd meter varen te ontdekken, dat er toch twee mensen naar de overkant willen. Zich plotseling bewust van zijn taak snelt hij terug naar de opstap- plaats en brengt de mensen naar de overkant. In de nachtelijke uurtjes hebben een paar lollige types een landvast bij het voorste schip losgegooid. De springen en de achterlijn hebben het schip gelukkig op haar plek gehouden. Bij ons was de elektriciteitskabel losgegooid. Waar belandt je schip als alle landvasten losgegooid worden terwijl je ligt te slapen? Ik snap niet wat er voor lol aan is om dit te doen. De stad Groningen staat eveneens bekend om dit dubieus vermaak. Erg leuk om ’s nachts na het verlaten van de kroeg even een paar bootjes los te koppelen. En goede reden om je landvast na het doorhalen door de ring vast te maken op het schip zelf.
Na Leeuwarden stonden we voor de keus, linksaf binnendoor langs Grouw naar Sneek of rechtsaf naar Harlingen en nog even naar de eilanden. De laatste optie leek ons gezien de weersverwachting het aangenaamst. Vroeg in de middag voeren we al weer op het zout, en 3 uur later waren we na een schitterende zeiltocht op Vlieland. Net als bij Schiermonnikoog worden we bij de haven begroet door een zeehond die ons nieuwsgierig aankijkt om vervolgens onder water te duiken. We waren nog niet in de nieuwe haven geweest en het aanleggen op de nieuwe steiger ging niet vlekkeloos. Nu weten we hoe het er uitziet en zijn we beter voorbereid voor de volgende keer. Het zonnetje schijnt, de wind waait uit het zuiden. Terwijl ik aan het telefoneren ben staat plotseling een kauwtje op de drempel naar de roef. Hij kijkt of er iets te halen valt en besluit de roef aan een nader onderzoek te onderwerpen. Voordat ik er erg in heb zit hij op mijn arm en even later op mijn schouder, hevig geinteresseerd in mijn oor. Hij pikt in mijn oor alsof er iets lekkers te eten is. Ik ben er niet direct enthousiast over en probeer hem af te leiden en zijn aandacht op iets minder gevoelige plekken te richten. Het brillekoordje achter mijn oor is haast even interessant, iets minder gevoelig maar ook niet bepaald prettig. Het volgende doelwit is mijn mond, waar hij hoopt nog een broodrestje tussen mijn tanden weg te pikken. De havenkauw is bepaald niet bang en het kost me moeite om hem ervan te overtuigen dat er hier niets te halen valt. Met zachte dwang posteer ik het vogelbeest op mijn arm en loop met hem naar de kuip. Met een zwierige zwaai, zoals ik het een valkenier ooit zag doen, werp ik het kauwtje in de lucht, waarop hij handig de landing op de naburige boot inzette. Even later verdwijnt hij bij de buren in de kajuit. Als geschenk laat hij bij ons een wit poepje achter vlak voor de kajuitingang.
Op de fiets over het eiland worden we getroffen door de heldere kleuren. De hei kleurt in het laatst van haar bloei en het witte gras dat er tussen staat zorgt voor een oplichtende toets. De geuren van de dennebomen vermengen zich met die van de zee, terwijl we knisperend over het schelpenpad naar de duinen fietsen. Het duin is droog en we zien overal vogels in de buurt van de nog amper met water gevulde vennetjes. Er wordt gewerkt aan een extra pad naast het fietspad. De tractoren met laadbak denderen langs ons heen en zetten ons in het opstuivende droge stof. Op een hoog duin zien we zowel de Waddenzee als de Noordzee. Haast niet voorstelbaar dat we met ons schip op dat brede stuk water hebben gevaren. Vanaf het land is het allemaal nog indrukwekkender, de wijdsheid, een horizon die alleen maar doet vermoeden dat er achter weer land is. Op zee, omhuld door de veiligheid van het schip hebben we ons eigen landje. Een beweeglijk landje, dat wel. De zee, altijd in beweging laat ons voelen dat dat landje maar betrekkelijk is, een nietig eilandje in een groots waterlandschap. We weten het en we hebben er ontzag voor. Aan de steiger in de haven is het stil, langzaam druppelen er wat schepen binnen. Het geluid van een boegschroef doorbreekt de stilte. Met een zeiltje, gespannen over de kuip, proberen we de hitte van de zon te temperen, een uitnodiging tot het houden van een siësta.
bij de foto’s:
2 keer blij, de schipper en de schipperse
2 keer het kauwtje



