Voorjaar

Het wil maar niet warmer worden, maar met de verwarming aan was het tochtje naar Steenwijk best aangenaam. De Nine Marit moet nog even terug naar naar haar geboorteplek. Een deur die klemt en een beschadiging in de lak van de kuip( iemand heeft iets laten vallen, maar ik weet niet wie) zijn een paar van die kleine klusjes die we graag gedaan zien voordat we deze zomer binnen varen. Vorig jaar hebben we met de schroef iets hards geraakt, waardoor één van de schroefbladen verbogen is. Kan gebeuren.

Tijdens een tochtje van Sneek naar Langweer en weer terug voeren we deze winter door een laagje ijs. Daar waar het ijs brak bij de boeg is de antifouling weggeschraapt en heeft de Nine Marit een witte snor gekregen.
De pech die we hadden met de motor lijkt nu opgelost te worden. De nieuwe motor lijkt niet te lekken op de plekken waar de vorige lekten. Nog een paar kleine aanpassingen en dan hopen we dat het goed is. 
 De technische mannen van Vetus bemoeien zich er intensief mee, zich bewust van de idiote toevalligheid van twee lekkende motoren en het door ons ‘geleden leed’.
Gek eigenlijk dat we ondanks de vele uren sleutelen die meerdere monteurs aan de motor hebben besteed, toch nog met plezier in ons schip hebben kunnen varen. We verloren af en toe wel ons vertrouwen als we weer wat lekolie in de bilge zagen liggen, maar het varen op zich was steeds weer een feest. 
De Pollard-dag was een groot succes. Rond de 250 mensen kwamen de werf bezoeken. De lezingen van Leon Manten waren ‘uitverkocht’ en ik denk heel instructief voor al degenen die plannen hebben om een rondje Moezel te maken.
De plannen voor een gezamenlijke vaartocht en bijeenkomst in september liggen lastiger. Er blijken veel Pollard eigenaren niet te kunnen in de week die we aanvankelijk hadden gepland( eerste week van september). Misschien is het een idee om een tweede datum te prikken. B.v. Begin oktober donderdag, vrijdag en zaterdag 1,2,3 oktober of anders het plan naar het voorjaar te verschuiven. 
Ik zal in overleg met Leon een email sturen. 
Binnenkort hoop ik tijdens het varen weer wat vaker een blogje te schrijven en ik hoop ook dat de medepollardvaarders wat vaker hun ervaringen op de site zetten. Een stukje in word of pages per email  naar mij verzonden plaats ik graag op de pollardvaarderssite als je dat makkelijker vind. 
Een mooi vaarseizoen toegewenst, tot voor zover.
Rob en Nienke Peters
Sneek

Bootloze kerst en een diner met hindernissen

Kerstdiner 2014
                                           
                                             Eigenlijk zouden we met de boot weg en onderweg het diner bereiden. Vadertje december, had echter andere plannen. Voorspelling: Harde wind, regen, hagel en nog meer van dat soort weer waar je rillingen van krijgt en liever bij de warme kachel blijft.
Dus toch maar thuis gebleven en dit jaar het diner met ons tweeën georganiseerd, de zoon met zijn gezin had inmiddels de plannen al aangepast. 
Allereerst uitzoeken wat we willen eten. Niet te moeilijk en toch lekker, niet te zwaar en niet te uitgebreid, niet teveel wijn en niet te veel andere drank, kortom een dineetje voor twee oudere jongeren met speciale wensen. De trek is niet meer die van een adolescent in de groei, en je wordt  wat kieskeuriger. Veel alcohol op de avond resulteert in slecht slapen en nare dromen, waardoor het humeur de volgende dag niet bepaald zonnig is. Een potje ruzie op z’n tijd is niet te vermijden, maar om daar nu op voorhand voor te kiezen als toetje op de tweede kerstdag….
Aan de slag dus. Het opstellen van het menu.

We begonnen groots met een idee voor een Beef Wellington, als hoofdgerecht. Laat dat dit jaar nou net de lievelingsmaaltijd van de gemiddelde Nederlander te zijn. Dachten we origineel te zijn. Kookboeken erbij, internet geraadpleegd en de Allerhande doorgespit. Blijken er duizend variaties te zijn op Beef Wellington, de ene nog ingewikkelder dan de ander. Met parmaham, met seranoham, met kruidenflensjes, met kastanjes, met porcini, met champignons, met of zonder kruiden en ga zo maar door. 
Toen we eenmaal een aantal ongeveer dezelfde ingrediënten tegenkwamen in de stoet van recepten die aan ons voorbijtrok, hebben we het belangrijkste ingrediënt, de ossenhaas, aangeschaft na eerst de slager uitgelegd te hebben wat een Beef Wellington is. Althans dat deed mijn geliefde echtgenoot. Met een fraai stuk musculus in de vorm van een uit krachten gegroeide varkenshaas met blozende wangen(het vlees) kwam ze thuis, een zak geld armer.  
Toen we na het nodige breed overleg het eens waren over de voorgerechten en het nagerecht hebben we Albert Heijn geplunderd en kon er op kerstochtend aan de ‘mis en place’ begonnen worden. Dat betekent letterlijk zoiets als dat je alles van tevoren klaar zet. In de praktijk blijkt daar een staartje aan vast te zitten in de vorm van al heel wat van tevoren klaarmaken, zodat je er later niet zo veel werk meer van hebt. 
Eerst moest de ossenhaas aangebraden worden, waarbij de discussie waarin gebakken zou worden, zonder dat we vanwege het rondspattende vet daarna aan de grote schoonmaak moesten beginnen, ons zeker een kwartier kostte. Uiteindelijk kozen we, een beetje tegen mijn zin, voor een mengsel van Croma en olijfolie. Omdat het spatten meeviel hebben we ons op een kopje Nespresso getrakteerd. 
Het recept zegt,’ belangrijk om de ossenhaas te laten afkoelen voordat je verder gaat’,  dus dat hebben we gedaan. Ondertussen heb ik de champignonprut die om het vlees komt, gebakken. Die mag niet nat meer zijn en dat lukte uiteindelijk na goed afdrogen met een theedoek.
Het lastigste deel moest nog komen. De zweetplekken onder mijn armen wedijverden qua afmeting met die op mijn rug. Welke idioot gaat ook staan koken met een wollen trui en een thermobroek onder zijn pantalon.  
De folie uitgespreid op het aanrecht bleek te smal. Twee stukken met overlap loste het probleem op. De seranohamplakjes leken wel aan elkaar vastgelijmd, waardoor het nauwelijks lukte om ze in hun geheel op het folie te leggen. Met de nodige verwensingen en een natte handdoek in mijn nek, belangeloos daar neergevlijd door mijn voor het moment rustige echtgenoot, lukte het min of meer een aaneengesloten tapijtje ham neer te leggen. De afgekoelde paddestoelenprut moest als zacht matrasje dienen voor onder de ossenhaas. Toen ging het fout, de haas paste niet en de prut liep aan de uiteinden langs de folie naar buiten. Zag ik gisteren nog hoe Gordon Ramsey dat achteloos deed, het geheel nonchalant in elkaar draaiend, als was hij de was aan het mangelen.
Uiteraard moet je de folie aan beide kanten de tegengestelde kant op draaien om een stijve worst  van de ossenhaas in zijn jasje van paddestoelen met ham te maken. Omdat ik linkshandig ben Nienke rechtshandig, draaiden we ieder aan een kant in dezelfde richting waardoor de stijf opgerolde ossenhaas eerder het uiterlijk verkreeg van een slappe opgeblazen verse worst in een te los velletje. Gelukkig kregen we na wat binnensmondse wederzijdse beschuldigingen door hoe we deze ramp konden keren. 
Daar lag hij dan, de naakte Wellington, nog niet voorzien van zijn bladerdeegrokje. 
Snel, voordat hij zich zou bedenken zijn stijfheid in te ruilen voor een slappere pose hebben we hem in de koelkast gelegd om bij te komen van zijn geboorte.
Enige uren laten maakten we een tweede kardinale fout. 
Om zelf bladerdeeg te maken waren we te lui. De bladerdeeg uit het versvak van AH bleek uitverkocht. Begrijpelijk, de gemiddelde Nederlander had immers hetzelfde bedacht, hoofdgerecht, Beef Wellington. Dus bij gebrek aan beter, Koopmans diepvries bladerdeeg. Nadat het ontdooid was, wierp Nienke zich als een Walkure op het deeg, en mishandelde het met de deegrolller tot het de gewenste afmetingen en dikte had. Gut, wat had ze er een lol in, ik moest haar intomen, anders hadden we met het deeg onze ruim bemeten salontafel  kunnen bekleden. De koelkast had de ossenhaasworst goed gedaan, ze was nu min of meer opgestijfd en beter hanteerbaar. Na wat passen en meten was het pakketje ingepakt. 
Daar maakten we wederom een fout; Een paar uur wegzetten om het later af te bakken is niet de juiste manier. Het bladerdeeg zoog zich vol met de sappen van de inhoud en het bakresultaat was dat het er van buiten mooi uitzag, maar het deeg was van binnen als een natte dweil. Het geheel smaakte goed maar een Beef Wellington met een knapperig korstje was het niet.

Tenslotte nog het toetje. Foutje nummer vier. Gelatine opgelost in sap klontert als je het mengt met bevroren blauwe bessen. De smaak is goed maar het mondgevoel lijkt op het eten van glibberige inktvis uit de vleesmolen, stukjes gelatine in een sausje.

De ene keer ben je te langzaam de andere keer te snel. Koken is leuk maar het juiste klokgevoel is ons niet aangeboren.
Het was weer mooi, kerst 2014…
P.S. De voorafjes en de wijn waren uit de kunst!

Saba

Ik moest de kans niet laten lopen, zei Jeroen. Saba is slechts een kwartiertje vliegen. Een schitterend onbedorven eiland. Maar dan moet het vliegtuig wel willen vliegen. Op de airport werd ik met een aantal in witte kaftans gehulde donkere mannen met gehaakte petjes op hun hoofd in een bus geladen om naar het vliegtuig gebracht te worden. De bus maakte een pretrondje om het plantsoen om vervolgens weer voor de dezelfde deur waar we ingestapt waren te stoppen. Allemaal uitstappen graag en weer terug naar de wachtruimte van de gate. Er was iets met het vliegtuig of de piloot, ik heb het kromme koeterwaals van de dame aan de balie niet verstaan. 

Lijdzaam namen we allemaal weer plaats. Weer wachten. Ik vond het al vreemd dat ik mijn vluchtnummer nergens op de borden zag staan, Saba als bestemming werd niet genoemd. Volgens het scherm bij de boarding-desk ging het vliegtuig naar st. Barth. Een eilandje meer naar het zuiden. Maar daar wil ik helemaal niet naar toe. Nogmaals de boardingpas bestudeerd, ik had alleen het kaartje met de gate en het stoelnummer. Er stond niets op wat me duidelijkheid gaf. De witjurken zijn blijkbaar wat gewend want ze keuvelden gezellig met elkaar en leken zich niet druk te maken. 
Ik werd wel heel nieuwsgierig wat de reden van de vertraging was. Er verscheen een nieuwe vertrektijd op het bord. Een uur later. Misschien een ander vliegtuig of een andere piloot. Het leek erop dat we binnenkort alsnog zouden vertrekken. Twee witjurken voor me waren op de stoelen in slaap gevallen. 
Opnieuw werden we de bus ingepropt, het zelfde ritueel. De boardingpassen waren reeds ingeleverd, dus kregen we alleen controle van de paspoorten. De bus reed ons, de strepen op het platform volgend, naar het vliegtuig. Mijn eerste reactie was , moeten we daar met z’n twintigen ik. Ik zag een tweemotorig propellervliegtuig, een minibus met vleugels,  waar ik de leeftijd niet van kon schatten. Enige aarzeling om er in te stappen was ook aanwezig bij de witjurken. Gebukt kroop ik in mijn stoel, er was geen stahoogte. Een vriendelijk kleine man met een blauwe kaftan liet zich zuchtend in de stoel naast me zakken, begroette me en keek me vertwijfeld aan. 
 Voorin zaten de beide piloten routineus aan allerlei knoppen te trekken. Met veel geraas van de motoren, die eerst met een externe generator gestart waren, kwam het vliegtuigje in beweging. 
Terwijl ik met mijn iPhone het vertrek van dit vliegende wonder probeerde te filmen kreeg de man naast me het te kwaad. Ik suggereerde voorzichtig dat Allah ons wel zou beschermen. Het leek niet aan te komen. Zijn vliegangst was de baas over zijn geloof. Even dacht ik nog dat hij aan het middaggebed zou beginnen, maar daarvoor was de zit-positie en de richting waarin we vlogen (naar het westen) niet geschikt. In zichzelf prevelend zat hij gedurende de hele vlucht van 15 minuten voorovergebogen in de houding die je aanneemt voor een crashlanding. Het vliegtuigje vloog niet hoger dan 800 meter, vissersbootjes en zeiljachten duidelijk zichtbaar onder ons. Bij het aanvliegen op airport Saba , maakten we een scherpe bocht langs de rotswand en doken letterlijk naar beneden op de landingsbaan dat het meest leek op een skatebordbaan met de afmetingen van een smal voetbalveldje. Met veel geraas en vol in de remmen kwam het toestel vlak voor het einde van de baan tot stilstand. 10 meter verder en we waren over de rand gekukeld in het schuim van de brekende golven op de rotskust.  Mijn buurman en ik hebben Allah bedankt. 
Saba doet me denken aan dat Canarische eilandje La Palma dat we ooit bezochten. Ongeveer even groot, één groot natuurpark en een relaxte sfeer onder de bewoners. Rasta-mannen schuiven met lichte tred, geroutineerd stoned van hun laatste joint langs de huizen. De overwegende donkere bevolking spreekt geen woord Nederlands. Wel wat vreemd op dit stukje Nederland in de Carieb. Er is veel import van Jamaica en Dominica. Blijkbaar valt hier meer te verdienen dan in het geboorteland. 
Merkwaardig om in dit tropische eiland Nederlandse politieauto’s te zien rondrijden, vaak bestuurd door een donkere gezagsdrager. 
Het is hier vochtig warm, en ik hoor dat het elke dag wel kortstondig regent. Tropische regenwolken die hun natte lading met name op de oost en zuidkust lossen. 
Met twee Duitsers die ook mee waren op de Chronos liep ik 3 trails door het oerwoud. 450 meter omhoog en 400 omlaag over glibberige paden en trappen. De vegetatie is weelderig, ik zag bladeren van een meter of meer doorsnede en overal planten met bloemen in het wild die we in Nederland alleen kennen als kamerplanten. Het moet al miljoenen jaren geleden zijn dat Saba is ontstaan, het puin op de hellingen is zodanig geërodeerd dat er van de oorspronkelijke aslagen en lava niet veel meer te zien is. De top van de vulkaan ligt meestal in de wolken. 
Kletsnat van het zweet  maar voldaan kwamen in de avond weer terug bij de cottage van een Amerikaan, waar we gratis mochten overnachten. Het bleek na afwezigheid van de eigenaar sinds 5 maanden een vochtig en schimmelig lustoord voor insecten, muizen en ratten. Een professionele schoonmaakploeg zou er dagen mee bezig zijn het huisje weer toonbaar te maken. Wij hebben de looplijnen keutelvrij gemaakt en de grootste rotzooi opgeruimd. Water en electra deden het en de bedden, hoewel vochtig, boden ons een horizontale slaapplek na al dat klimmen en dalen. 
Vandaag kruip ik weer in de gevleugelde minibus voor de terugtocht naar St. Maarten.  20 man in een kermisattractie. Één troost, ik voel me deze keer niet verplicht Allah aan te roepen. Vandaag geen witjurken in het vliegtuig.

Marigot op St Maarten

Het was een bezadigd reisje van 110 nm op de motor, geen wind. In het donker varen we de baai in  bij Marigot op St Maarten. 
Na een professionele ankerprocedure die bewondering wekt bij de gasten, wordt iedereen getrakteerd op een 4 gangen captainsdiner. Terwijl de Chronos zachtjes waggelt op de deining in de baai, worden de kaarsjes  op de gedekte tafels ontstoken en zijn gasten en bemanning op hun paasbest gekleed. Om niet uit de toon te vallen heb ik mijn veel te dikke broek en een overhemd aan getrokken waarin ik me kapot zweet. De broek plakt aan mijn benen als een wetsuit.
 ‘Der Heinz von der Schweiz berispte een medepassagier dat hij er voor deze gelegenheid niet goed uitzag in zijn landlopers korte broek en vuile T-shirt. Sociale controle op het schip. Het is een sfeervol geheel en Nadine, met een klein beetje hulp mijnerzijds voor het vleesgerecht, heeft weer een smakelijk diner op tafel gezet. Er wordt geanimeerd gepraat en iedereen is vol lof over de verzorging tijdens de reis. Drie gasten dragen een gedicht voor waarbij elk bemanningslid een persoonlijk dankwoord krijgt. En dan o, wonder, mijn zoon, de captain, houdt een speech. Merkwaardig gevoel, ik realiseer me weer eens hoe volwassen die vent nu is en hoe lastig het is om mijn beeld van dat vroegwijze knulletje toen hij nog klein was weg te poetsen en los te laten als ik hem daar zie staan met zijn epauletten op zijn overhemd. 
Pas de volgende dag zie ik waar we liggen, een grote baai, met op de wal frivool ogende bouwsels die beschenen worden door kleurige lichten, een Frans sfeertje, als of je aan de Cote d’Azur bent. We zijn in het Franse gedeelte. Met de dinghy halen Marius en ik croissants en pain au chocolats voor het laatste ontbijt van de reis.
Een rommelige dag, de bemanning heeft een soort van rustdag zonder rust. De gasten nemen afscheid en vertrekken in groepjes van 2-3.   
Dan is het ineens rustig aan boord, iedereen moet wennen aan de nieuwe situatie zonder de gasten. 
’s Avonds pas ga ik naar de wal waar ik me trakteer op een stuk gegrilde tonijn.
Maandag 1 december.
Met een rotvaart speren we  in de ochtend met de dinghy door de laguna. E moeten door de beide engineers inkopen gedaan worden voor het onderhoud op de Chronos. 
Ik loop wat verloren door de gigantische winkel met scheeps-benodigheden. Om me heen  voornamelijk mannen die speurend rondkijken op zoek naar wat er op hun lijstje staat. Keurige jachteigenaren naast slonzig geklede schippers die het niet uitmaakt hoe ze eruit zien. 
Aan de Nederlandse kant wordt betaald in dollars. Aan de Franse kant, ze zijn daar vasthoudender aan de eigen landscultuur dan in het Nederlandse deel, wordt alles afgerekend in euro’s.
Als goede Nederlandse handelaar of kruidenier richt je je uiteraard op de meestal Amerikaanse toeristen die het eiland frequenteren vanwege de dutyfree winkels.

Antigua

16 dagen na ons vertrek uit Las Palmas varen we de baai bij Falmouth op Antigua binnen. Het anker valt om 14.46 uur precies. De baai ligt prachtig beschut. Na de perfecte anker-manoeuvre springt een deel van de de bemanning gekleed en wel in het water. 
Ik doe het iets later in zwemtenue na mezelf wat moed te hebben ingesproken. Het water is heerlijk warm, een niet te verwaarlozen voorwaarde om Rob het water in te krijgen. 
Met de dinghy vaar ik met  5 Zwitsers en 3 Duitsers naar de wal. De 2 biertjes vallen wat diep na 2 weken geheelonthouding. We eten op de veranda van het restaurant begeleid door reggae muziek. Ik ga er bijna van dansen en kan niet op de stoel blijven zitten. Terloops zie ik dat de sterke arm, met knipperende lichten hun taak verricht door meermalen langs de eettent te komen rijden. De politie is ruimschoots aanwezig om te waken over onze veiligheid. Ik zie niet helemaal waarom, want vreedzaam kuieren de opgedofte heren en dames, zwart en blank langs de luidruchtige bars en restaurants. 
Ik heb last van het lawaai, de gesprekken in soms plat Zwitserduits ontgaan me voor een groot deel qua betekenis.  Met een aantal anekdotes poneer ik mijn aanwezigheid. Er wordt veel gelachen. 
 Door Zwitser Heinz wordt ik ervan beticht gelächelt te hebben tegen twee flanerende negerinnen behangen met glitterende snuisterijen en voorzien van de nodige lichamelijke uitbouwsels op de aandacht trekkende plaatsen. De dames zijn bepaald mijn smaak niet, eerder curieus hoe ze geit-giechelend voorbij lopen. 
In de observatie-modus, zie ik veel waarover ik me verwonder. Het uitgaansleven in de Carieb is eigenlijk niet veel anders dan op afterparty’s onder aan de skihellingen( de temperatuur verschillen daargelaten). Pronken en lonken, glas en/of sigaret in de hand, geanimeerd kletsen onder de dreun van een iets dat moet doorgaan voor muziek. Voor het geval dat je niet zoveel te melden hebt, een uitstekende omgeving, alleen het uiterlijk en of je ‘cool’ bent telt.  Misschien doet het me wel denken aan de tijden dat ik jonger was en meende mijn onvolwassen identiteit te moeten  bevestigen in de relatie-markt. 
Kleurrijk is het wel! Met verbazing heb ik gekeken naar de rastatypes, met hun gevilte haren in een regenboog gekleurd netje of onder een opvallende toeter op hun hoofden. Creoolse vrouwen met glanzend zwarte ontkroesde haren, lopen hooggehakt tussen het barvolk door of roken een sigaret op de veranda. 
Cocktails zijn in zwang, en in vele kleurschakeringen, afschrikwekkend genoeg om er niet te veel van te drinken. Koppijn gegarandeerd. Op Sint Maarten zal ik er eens een proberen. Iets met rum en limoen of zo. Een goed glas wijn, wat hier niet echt te krijgen is, heeft nog altijd mijn voorkeur. 
Vannacht of morgenochtend vroeg varen we uit naar Sint Maarten.Daar gaan de gasten van boord. 
Rust voor de crew is hun maar even gegund, er is nog veel te klussen.
De dag na aankomst bezoeken we met een aantal opvarenden de oude dockyard van Nelson, in een prachtig beschutte baai aan de zuidkant van het eiland. In de 17 en 18 eeuw moet het een drukte van belang geweest zijn, rond deze door de Engelsen beheerde plek. Schepen werden er opgekalefaterd en voorraden opgeslagen. Ideaal beschermd tegen hurricanes. 
We dwalen wat rond op de plek en bekijken het kleine museum. Uniformen bepaalden de rol en status van de zeelui. Tweekantige en driekantige hoeden en veel vergulde knopen en versiersels.
De lunch op het terras van het restaurant is goed. We worden verwend.
Op de steiger aan de wal waar de dinghy ons zal ophalen, worden joekels van vissen schoongemaakt. Twee jonge kerels verkopen vanuit hun schip de vangst van de nacht. 
Het oog in de kop van een Wahoo die zojuist van zijn vlees is ontdaan, staart me verongelijkt aan alsof hij nog leeft en niet beseft welk gruwelijk lot hem is toebedeeld. De overgebleven graten en vellen worden ik het water gegooid, waar grote grijsblauwe vissen om vechten. 
Boven de baai vliegen traagvleugelig pelikanen, hun nekken ingetrokken als reigers. De tropische mussen zien er anders uit maar gedragen zich even brutaal als hun Europese soortgenoten.  
Het wordt donker en eenmaal terug op de Chronos besluit ik in de avond aan boord te blijven.
Morgenochtend om 4 uur vertrekken we en ik heb dan weer de wacht. 

Een beetje geschiedenis

De bulletalie aan bakboord staat naar mijn smaak te strak. Ik hoor in mijn hut hoe hij tegen het want schuurt met een knallend geluid. Er is al een bulletalie gesneuveld door schavielen en deze lijkt er ook naar te solliciteren. De eerste stuurman die nu de wacht loopt haalt zijn schouders op als ik het hem meld. Hij neemt me niet serieus. In onze wacht omwikkelen Mariusz en ik de bedreigde plek op de talie met een lap stof en zetten de lap vast met een lijntje.
Ik ben al wat bezig met aankomen op Antigua. Morgen in de middag laten we het anker vallen in de baai bij de hoofdstad Saint John. 1 1/2  dag om rond te kijken, te weinig om het eiland echt te verkennen. 
In de boeken die aan boord zijn over het Caribisch gebied, lees ik zulke verschillende verhalen over haar geschiedenis dat ik niet insta voor de historische waarde van de volgende tekst.
Ik lees dat er 4000(of 7000?) jaar geleden al mensen woonden, waarschijnlijk overgestoken vanaf het vaste land van Venezuela . Op Antigua woonden rond het begin van de jaartelling de Arawaks, een vreedzame indianenstam, die een merkwaardige schedelvorm kweekten door de hoofden van de jonge kinderen in een soort taps toelopende mal van houten plankjes te plaatsen. Punthoofden als schoonheidsideaal of misschien om religieuze redenen. Het hoofdhaar schijnt op dat punthoofd steil omhoog gekapt te zijn geweest, waardoor het lijkt alsof er een pluim op zit. Hoe de archeologen daar weet van hebben gekregen, stond er niet bij.
 Omdat ik op dit schip door mijn lengte regelmatig mijn kop stoot, lijkt me zo’n uitschuif-schedel niet praktisch. Als het werkelijk bedoeld was als schoonheidsideaal zie ik voor me hoe twee punthoofd-geliefden elkaar minnekozen met de pluimen op hun kop. Elkaar lekker kietelen met de kwast op je kop. Praktisch gezien zou het kunnen zijn dat je met je punthoofd de weg kunt wijzen, terwijl je de aardappels schilt of de baby verschoont. Een kopstandje in de klei zal hun makkelijker af gaan en een tros bananen vastgespiest op een punt blijft beter zitten dan op een ronde bol. Vele mogelijkheden en heel doelmatig. 
Hun vredige levenswijze is in de late middeleeuwen wreed verstoord door aanvallen van indianen- stammen uit het Amazonegebied, de Caribs, oorlogzuchtige kannibalen. Ze hebben de punthoofden uitgemoord. Columbus verloor ook een deel van zijn mannen aan de kookpotten van de Caribs. Veel later deden de Spanjaarden, de Engelsen, de Fransen en uiteraard de Nederlanders er een schepje bovenop, door op de Caribische eilanden geïmporteerde Afrikaanse slaven te laten werken in suikerriet-plantages. Zij legden, vaak onder erbarmelijke omstandigheden uiteindelijk eveneens het loodje, door slechte voeding en uitputting. 
27 11 , 6.30 uur
De wind laat het afweten, we maken nauwelijks voortgang en de zeilen klapperen. We kruipen te veel naar het noorden als we zo doorgaan. Het wachten is op de kapitein die beslist of we gaan gijpen of de motor bij zetten. 
De Volvo Penta zoemt zachtjes op de achtergrond, 600 Pk op sokken, de bezaan, de binnenkluiver  en het staysail als steun erbij.  We varen recht op de zuidkant van het eiland af uit noord-oostelijke richting. ETA 1600 uur.

Filosofie op zee

23 november
Zigzaggend speren we op Antigua af. Ongeveer om de 12 uur maken we een gijp. De wind is oost  tot noord-oost. Nog 600 mijl te gaan, hemelsbreed. In de praktijk  wordt dat door het telkens gijpen meer.
De huidige VMG, ofwel velocity made good (de snelheid waarmee we afstevenen op het doel) geeft een gemiddeld lagere snelheid aan dan de gemiddelde ‘speed on the ground’. Zouden we recht op het doel af kunnen gaan, zou de VMG samen vallen met de SOG. De VMG is een handig instrument om te kijken of je eventueel over de andere boeg niet sneller bij je doel komt.
Er is deze maandagnacht weer veel meer wind dan gisteren.  30 knopen wind(Bf 6-7) vinden we hier aan boord normaal, het geeft ons op deze voordewindse koers een snelheid van ruim 10 knopen. 
We schatten nog 3 1/2 dag te moeten varen. 
De gasten doen mee aan een gokspelletje, waarbij ze voorspellen op welke dag en welk tijdstip we aankomen op Antigua en de ‘spijker’ overboord gaat. 
Het slapen was vannacht  beroerd door het schommelen van het schip. Hoe preciezer we proberen voor de wind te varen zonder de kans te lopen door een onverwachte gijp overvallen te worden, des te meer schommelen we van links naar rechts op de schuin achter op komende golven.  
Blijkbaar hebben de gasten hier ook last van. Als donkere zwijgzame schimmen verschijnen ze op het achterdek, slechts een slaperige groet mompelend. Ik herken ze aan hun stem.
Zo langzamerhand begin ik trek te krijgen aan vaste grond onder mijn voeten. Bij aankomst zijn we 16-17 dagen op zee geweest. De langste tijd aan één stuk varen die ik ooit meemaakte. 
25 november 
Boven mij staat een heldere sterrenhemel, langs het schip schuiven witte plakkaten schuim. We varen weer rond de 10 knopen. De wind gaat regelmatig naar de 30-35 knopen.
 De temperatuur is aangenaam, vannacht voor het eerst niet de lange broek aangedaan. 
 Er wordt minder wind voorspeld vanaf morgen. De gasten laten zich vandaag niet zien in de wacht. Ze missen de prachtige sterrenhemel. De maan is alleen in het begin van de avond te zien, laag in het westen. Een dunne sikkel, het eerste kwartier van een nieuwe cyclus. 
Ik realiseer me weer eens dat ik niet kan bevatten hoe groot het heelal is.  Sterren die honderden lichtjaren van ons af staan. Wat ik zie is niet wat er nu is, maar jaren oud. Ik kijk naar iets wat er misschien niet eens meer is. Ik zie geschiedenis. Varend op de Atlantische oceaan met twee weken alleen maar water om me heen is de afgelegde afstand van ons schip niet meer dan een ademtocht in het oneindige van het heelal. De beleving van tijd tijdens deze reis is al zo anders door het ontbreken van nieuws, internet en de drukte van het landleven. Ondanks het voortdurend in beweging zijn (er is geen moment dat we stilstaan) lijkt het ritme van golven en wind een soort basisrust te creëren. Op deze basisrust, zijn de dagelijkse routines en de taken die verricht moeten worden als peilers die vastigheid bieden. Door de beperkte ruimte, het schip, en de opzettelijk gecomprimeerde mogelijkheden, zijn we een maatschappij in het klein. Het contrast tussen het kleine en de onmetelijkheid om ons heen, scherpt mij en ik denk ook de andere opvarenden in het ervaren van bescheiden aanwezig zijn. 
Mijn taak en rol aan boord is op deze reis beperkt tot meelopen in de wacht en een beetje dokter zijn.  De neiging om alles mee te willen controleren kon ik door de competente en vooral verantwoordelijkheid nemende bemanning wat loslaten en af en toe een beetje gast zijn. Er waren  enkele medische probleempjes, die vlot op te lossen waren. Twee keer heb door kunnen slapen omdat de tweede engineer graag een wacht wilde meelopen.    
We verwachten morgenavond of overmorgen  aan te komen op Antigua. De motor heeft alleen de eerste uren vanaf Gran Canaria en een paar uur tijdens de eerste week gedraaid omdat er geen wind was. Twee weken lang voeren we over dezelfde boeg, alleen de laatste dagen zijn we voor de wind aan het afkruisen. Jeroen zei dat als we een breefok (zoals op de Wylde Swan)hadden gehad, we er al geweest zouden zijn. 

Lekker varen

Een nachtje doorgeslapen, heerlijk. John de tweede engineer die op de volgende trip de taak van Mariusz overneemt, heeft mijn wacht een keer over genomen.
Twee dagen later, we zijn inmiddels aanbeland op zondag 23 november.
Net nadat ik weer begonnen ben aan de wacht, komt één van de gasten ons gezelschap houden. 
Op de radar zijn wat buien te zien die waarschijnlijk achter ons wegtrekken. Vannacht leek het dreigender, waarbij tijdelijk de zeilen gestreken zijn, zoals ik hoorde bij de overname van de wacht. Rond 3 uur ben ik uit mijn bed geklommen om te zeggen dat de ze koers wat moesten verleggen, de olifanten waren weer terug. Wanneer de koers iets te veel voor de wind is, gaat de giek van de voorste mast in de schoot klappen. Dat gedreun hoor je niet op het achterdek maar wel in het voorschip, irritant als je nog wat wil slapen. Slechts 5 graden opsturen in de wind lost het probleem op. 
Ons eerste doel, Antigua komt in steeds naderbij. Nog 750 mijl te gaan. 
De laatste dagen voeren we meer dan 200 mijl per dag, met een topdag van 225 mijl. 
Op dag 12 voor het eerst tijdens deze reis een gijp gemaakt waarbij we tijdelijk over de stuurboord- boeg kwamen te liggen. De wind draaide zo ver naar het zuidoosten dat we in veel noordelijker richting voeren dan gewenst.  
We zijn twee haken met kunstaas kwijt, de vis was te groot en de lijn te zwak. Als ze de haak niet helemaal inslikken, hoorde ik van een bemanningslid, overleven ze het doordat de haak eruit groeit. Wishful thinking, denk ik dan. 
De opgetogenheid van de man die de grote vis  kortstondig aan zijn werphengel had, was goed beschouwd wat merkwaardig in mijn ogen. Lachend en druk pratend verloor hij zowel kunstaas als  vis. De opwinding een prooi aan de haak gehad te hebben prevaleerde over het verlies. 
Veel leven is er niet te zien om ons heen. Af en toe een paar dolfijnen en scholen vliegende vissen is het enige wat aan de oppervlakte komt. Hier midden op de oceaan zien we ook geen vogels.
Na dagenlang slechts water en luchten zagen we zowaar een cargoschip, dat zich op de horizon  aftekende tegen het licht van de ondergaande zon. Meestal is alleen een enkel schip op de radar of op de AIS te zien en  te ver weg om met het blote oog te zien. Hoe anders is dat op de Noordzee of in het Kanaal, waar je moet oppassen niet overvaren te worden. 
 
De zeelucht voelt vochtig aan. Het lijkt een warme dag te worden ondanks de vele donkere wolken die in deze vroegte pakketten ‘cats and dogs’ meedragen. Het zal nog wel een paar keer flink plenzen.
Ik schat dat we woensdag of donderdag a.s. op Antigua aankomen. Aan boord wordt al gefantaseerd over een pinacolado op een wit strand onder een palmboom. 
 De gasten nemen alvast voorproefjes en slurpen giftig lijkende cocktails in de meest rare kleuren naar binnen. Happy hour on board.
De sfeer is goed en de gasten die de ‘moeite’ nemen om in de zon te gaan liggen zijn al behoorlijk bruin. Als ik nu kijk naar de gezichten van de gasten ten opzichte van wat ik zag 2 weken eerder toen ze aan boord kwamen, is er veel veranderd. De gespannen trekken van de stress en de waan van alledag zijn verdwenen en hebben plaats gemaakt voor de ontspannen en haast serene blik van een mediterende monnik. Al moet ik erbij zeggen dat de verkregen ontspannen uitdrukking, voor een deel van de clientèle werd vooraf gegaan door meerdere sigaretjes op het achterdek.    
Kortom, hoe het komt is niet belangrijk, de trip doet de mensen blijkbaar goed.  
De twee vislijnen hebben er een warboel van gemaakt, letterlijk. Volledig in elkaar gedraaid lijkt de kluwen op het achterdek het meest op een bos wellustige glasaal, innig in elkaar omstrengeld . Twee uur puzzelen en knopen ontwarren hadden de beide mannen nodig om er weer een bruikbare vislijn van te maken.
Ze hebben niets meer gevangen. 

Squalls en wachtlopen

4 uur 
De wind in de bui stuwt de Chronos naar een snelheid van 14 Knopen. 
Het was een rot nacht. Nauwelijks geslapen door de beweging van het schip. De vorige wacht meende het schip meer downwind te moeten sturen waardoor de bekende dronkemans-waggel ontstaat. De giek van de voorste mast dreunt telkens met een klap in de schoot als het stayzeil weer wind pakt. Onderdeks klinkt het alsof er een olifant in je hut uitglijdt. 
Omdat we tijdens onze wacht een iets noordelijker koers aanhouden, varen we   2-3 knopen sneller en veel prettiger doordat het schip niet meer waggelt en met haar zeilen klapt. 
Met de muziek aan en de gratis rugmassage die ik krijg door het trillen van het schip bij deze snelheid kom ik iets bij van de slechte nacht.
Tussen de squalls waaruit niet veel regen valt neemt de wind weer wat af. In de buien kruipt de wind naar de 40 knopen. Het is dan zaak om goed voor de wind weg te lopen. Opletten dat de wind niet schift. Het houdt je bij de les.
Ruim over de helft van de af te leggen afstand koersen we met een gemiddelde snelheid van 10 knopen af op Antigua, waar we in eerste instantie hopen aan te komen. Als het zo doorgaat hebben we tijd over om dit zijstapje te maken, het schijnt een erg mooi eiland te zijn. Antigua ligt een kleine 100 mijl  ten zuiden van Sint Maarten, een dag zeilen. 
Voorlopig zijn we druk met de boel heel te houden, regelmatig dekrondjes, inspecties, bovendeks en onderdeks. 
Ik merk, nu ik dit schrijf, dat de wind  afneemt. De squall

is gepasseerd. De snelheid van de Chronos loopt terug tot een magere 7-8 knopen. 

10 minuten later.
De volgende bui kondigt zich aan, de wind trekt aan en nu regent het wel fors, ik zit achter een zeil terwijl Mariusz bij de stuurstand staat, klaar om op de stuurautomaat de koers bij te stellen. De harde wind duurt maar enkele minuten.Van 35 knopen wind naar 8 knopen wind. Het contrast is weer erg groot en maakt duidelijk hoe belangrijk het is voortdurend allert te zijn. 
Ik realiseer me dat wij met ons tweeën wakker zijn terwijl 20 man slapen, althans dat hoop ik voor hun. Mariusz de Poolse engineer, hij kan welwillend knikken als zijn landgenoot paus Johannus de tweede, neemt zijn taak heel serieus en geeft het roer alleen over als er in zijn ogen elders wat moet gebeuren, wat hij niet aan mij wil overlaten.

Inmiddels is de maan aan de horizon in het oosten opgedoken. Er staat nog een smal sikkeltje, het kommetje is een liggend banaantje met anorexie geworden.
     
 Het was niet alleen de giek die me uit de slaap hield, er schuift ook iets heen en weer onder mijn bed in de hut, een plank of iets anders massiefs, helaas niet synchroon met dat geluid als van een vallende olifant. 
Om niet in slaap te vallen tijdens minder aandacht vragende omstandigheden, zijn we tijdens de wacht uitgerust met een soort elektronische wekker en een elektrode(de Waker, Naptronics BV) op een naar keuze zelf te bepalen lichaamsdeel. Wordt er geregistreerd dat er te weinig beweging is, volgt een klein schokje dat je weer klaarwakker maakt. Ik had wat moeite met de keuze van een lichaamsdeel voor het bevestigen van de elektrode. Inmiddels doe ik het zelfde als Mariusz, hij heeft hem aan zijn bakboord-oorlel, ik aan de mijn stuurboord-oorlel. Omdat het vernuftige apparaat is uitgerust met Bluetooth, krijgen we beide een schokje als één van ons mocht wegzakken in een onbeweeglijke staat. Wat ze al niet ter beveiliging uitvinden! Niet goedkoop, maar misschien ook wel te modificeren voor ongehoorzame hondjes of kinderen die op school in slaap dreigen te vallen. 
De dag verloopt rustig en we klokken 225 mijl in 24 uur.

Een stevig zeetje

4 uur in nacht.
Met 30-35 knopen wind op de kont van het schip denderen we door het water. Behalve de fischerman staan alle zeilen bij. Het schip siddert als we met een snelheid van 12 knopen door het water stuiven. In het donker zie ik niet hoe hoog de golven zijn. De maan is nog slechts een dun sikkeltje en verschuilt zich regelmatig achter donkere wolkenplukken. Tot nu toe trekken de buien net achter ons langs. Als we de wind wat schuin van achter houden maakt ze nauwelijks de heftige slingerbewegingen die opvarenden en inventaris zo verassingsvol kunnen plagen. 
Het gaat hard, de Chronos sleurt door de golven als een renpaard met een stuk gember in zijn gat. Af en toe geeft het log een snelheid van 13-14 knopen aan.
Het geraas van de wind in mijn gemotoriseerde oren probeer ik te temperen door mijn gehoorapparaten zachter te zetten en af te schermen met mijn capuchon. Een beetje maf om met een capuchon op in de lauwe lucht een blog te schrijven terwijl het niet eens regent. De klassieke muziek die Mariusz heeft opgezet komt nauwelijks boven het lawaai van golven en wind uit. Wat er wordt gespeeld, geen idee, iets met violen, en mogelijk van een Russische componist. 
Af en toe hoor ik de klagelijke piep van de  ‘windmolen’ in de mast weer. Vannacht heb ik (later hoor ik dat ook van anderen) onrustig geslapen. Om 3 uur werd ik wakker, heen en weer geslingerd in mijn bed. Het is niet zo erg dat ik bijna naast het bed gekatapulteerd werd, zoals dat op de Wylde Swan gebeurde tijdens de storm op de reis naar de Azoren.
De Chronos lijkt een droog schip, er komt nauwelijks water aan dek, op de Swan stond het middendek regelmatig onder water. Het vrijboord van de Chronos is in het midden van het schip wat hoger. Hoe het is met het overslaan van vast water bij veel hardere wind, weet ik niet. 
Het begint aan de horizon te gloren en ik zie dat de golven een hoogte van ongeveer 4-5 meter hebben. Dat is nog te doen en niet bepaald angstwekkend. De muren van water tijdens de storm bij de Azoren waren indrukwekkender, volgens de heren aan het roer, minstens 9 meter. Ik schatte dat ze nog hoger waren, want ik wil wel eens een beetje overdrijven in tegenstelling tot echte zeelieden, die  meestal niet graag praten over hoe erg het was.
Mariusz bekent dat hij bij storm een voorkeur heeft voor magistrale klassieke muziek, bv. iets van Wagner die er een sport van maakte om zijn deuntjes behoorlijk zwaar aan te zetten, het liefst met grote koren en donderend koper- en slagwerk. Als ik zie hoe de golven zich onder de windvlagen opbouwen en het schuim van de golftoppen waait kan ik me die muziek als zeer passend voorstellen. 
In de verte zie ik regen in brede gordijnen onder de grijze wolken hangen. 
Na het ontbijt, met vers gebakken broodjes, bouwden de golven zich verder op. De wind nam bij  vlagen toe tot 35 -38 knopen, een Beaufort 7-8. Het was een indrukwekkend gezicht, hoe het schip bruisend haar weg zocht door de spitse waterbergen. Om de zoveel tijd, er zit een ritme in, kwamen er een paar hoge golven langs die het schip een stevige zijdelingse oplawaai gaven. De stuurautomaat had het even moeilijk om haar weer op koers te krijgen en de koffiezetapparaten in de bar verwisselden hun standplek op ooghoogte voor een lagere wat minder toegankelijke plek, de vloer. Niet stuk, goede nespresso-kwaliteit. Er sneuvelden een paar bordjes en een armetierig plantje dat al langer geen levenslust meer vertoonde en kwistig haar voedingsbodem door de salon strooide alsof het pepernoten waren. Gedurende de dag zou de wind weer wat afnemen. We zien wel, niemand is zeeziek. Gasten en bemanning lijken te genieten ondanks de ongemakken die dit ruwe zeetje veroorzaakt. 
De zon schijnt, het log tikt de mijlen af, nog 1500 mijl te gaan, we zijn net over de helft van de afstand Gran Canaria- St. Maarten.