Over zwemmende mollen, een foute Oostenrijker en havenmeesters

De plannen om naar Duitsland te varen zijn eindelijk uitgekristalliseerd.
De Nine Marit lag al een tijdje aan haar landvasten te trekken om de waterwegen te bevaren.
We zijn onderweg voor een periode van 6 weken. De motor bromt gezellig onder de vloer en voor de boeg krult een mooie snor.
Het Bergumer meer met een prachtig langwerpig eilandje in het noordelijke deel bleek een prima stop voor een nachtje over. De wind woei hard uit het westen, maar we lagen mooi beschut aan de lijzijde van het eiland. Teckel Bo leefde zich uit op muizenholletjes en molshopen. 
Pas de volgende morgen realiseerde ik me dat het een eiland is waarbij dan de vraag rijst’ hoe komen die beesten hier?’ Kunnen muizen en mollen een paar honderd meter zwemmen? En al zouden ze dat kunnen, waarom dan naar een eiland zwemmen? Ik snap niet wat je als mol bezielt om zwemmend of misschien drijvend op een stuk hout op een eiland te willen belanden. 
En wat te denken van het volgende;  De volgende ochtend lagen er op de wal naast ons schip 3 verse molshopen. Had dat ermee te maken dat Bo in de buurt was, en wilde de mol aangeven dat er zijns inziens territorium moest worden afgebakend?
Soms vraag ik mezelf wel eens teveel af….
De sluis bij Gaarkeuken bracht een nare gebeurtenis in herinnering. Hier liepen we met ons nieuwe schip de eerste schade op. Een deuk in het berghout, pardon, het bergijzer bij de boeg. Vorig jaar op de terugtocht naar Sneek passeerden we deze sluis eveneens. Een groot binnenvaartschip maakte vast aan de bakboordzijde van de sluis, terwijl wij wachtten met binnenvaren tot hij vastlag. Onder de geopende brug voelde ik de druk om het auto-verkeer niet te lang tegen te houden. Zodra ik dacht dat het schip vastlag stuurde ik ons schip de sluis in om naast hem af te meren. Dat was iets te vlot. Op het moment dat we ter hoogte van het achterschip waren zette de schipper zijn schroef nog even in het werk, waardoor we met een knal tegen de sluiswand werden geblazen. Ik droom er nog wel eens van. Het is als die eerste kras op je nieuwe auto die je liever maar laat zitten in de hoop dat er dan geen nieuwe bij zal komen. De deuk zit er dus nog. 
De schutting verliep dit jaar vlekkeloos en een paar uurtjes later meerden we af in de Oosterhaven, waar we hartelijk werden verwelkomd door de met een Groningse tongval sprekende havenmeesteres. 
Tja, en dan moet er gebruik gemaakt worden van de gratis WiFi en dat lukt dan niet. Terwijl de havenmeesteres zei dat het wel zou moeten lukken. Met een bruuske beweging pakte ze mijn ipad uit handen en begon het zelfde te doen als vorig jaar. Ze verwijderde alle websites die ik bezocht uit de balk, onder gemopper dat er nog meer open stonden dan op de ipad van haar moeder. ‘Daar wordt dat ding alleen maar traag van’ mompelde ze temerig. Toen ze er na een paar minuten rommelen  bemerkte dat er echt niets gebeurde en de inlog-pagina niet verscheen, gaf ze me de ipad terug en zei dat ze iets moet regelen. Met grote stappen stoof ze over de steiger in  noord-oostelijke richting. Nog geen minuut later zag ik plotseling de inlog-pagina op het scherm verschijnen, blijkbaar ook een beetje temerig, Gronings temerig. Probleem opgelost, al moest ik ongeveer ieder kwartier opnieuw inloggen, maar dat was volgens de havenmeesteres ‘vanwege de studenten’, waarvan er naar haar zeggen nog al wat in de buurt wonen. 
We lagen er mooi, zo vlak bij het centrum. De halal-slager heeft het mooiste vlees voor een prikje
en de croissants van de Jumbo op de hoek van de Oosterstraat en het Zzzoederdaip zijn vers en lekker.   
Onderweg naar Delfzijl merkten we dat we onze mening over het Eemskanaal moesten bijstellen. 
Niet zo saai als we dachten en door de hogere zit in ons schip zagen we meer van het Grunninger land. Mooie boerderijen, zacht glooiende stukken land en hier en daar een gaswinning-station. 
Voor de Bloemhofbrug riep Nienke post Appingedam op voor een brugopening. We kregen te horen dat er van de andere kant nog een schip naderde. Het bleek een zeilschip te zijn getooid met de Oostenrijkse vlag, rood-wit-rood. Wij kregen een rood-groen licht te zien en concludeerden dat we als eerste door de brug mochten. De Oostenrijker dacht daar anders over en stoomde het aan zijn kant ongetwijfeld rode licht negerend, op naar de brug. Onze motorische remparachute werkte gelukkig goed en we wisten een in-de-brugbotsing te vermijden. Uiteindelijk zag de Oostenrijker zijn fout in, hij had immers zijn rood-wit-rood invaarverbod op het achterschip hangen en trok zijn schip achteruit om ons als eerste door te laten. Wij hebben hem niets gezegd en als echte Nederlanders alleen vuil aangekeken. Tenslotte weet je nooit of je deze man elders onder andere omstandigheden nog eens tegenkomt. 
De Abel Tasman haven in Delfzijl is een wat verlopen maffe oude haven met een even maffe havenmeester. Het invullen van de scheepsnaam en de overige gegevens wordt onderbroken met het vertellen van zijn levensgeschiedenis en de voordelen van het lage havengeld. Als blijkt dat hij het formulier zonder carbonnetje heeft geschreven, schrijft hij de letters, met het puntje van zijn tong naar buiten, nogmaals over, maar nu met het carbonnetje eronder. Teckel Bo houdt zich wijselijk gedeisd onder de stoel, zwaar geïmponeerd door deze in een drie dagen baard gehulde havenmeester met lage basstem. 
Aan de muur hangt een plakkaat met een aantal aanbevelingen ‘hoe de havenmeester te benaderen’. Ik weet ze niet allemaal meer, maar  een nederige houding  is vereist en de man mag  niet dwingend of onbeleefd geadresseerd worden op straffe van verwijdering van het haventerrein voor zowel bemanning als schip.
Morgen varen we verder. Het zilte nat lokt (al zal het wel tijdelijk zijn als we de Eems opvaren).  

Hollywood aan boord

Het is goed toeven in de Amsterdam- Marina bij de oude NDSM werf.
Omringd door leuke alternatieve restaurantjes, vervallen scheepshellingen en een opstapplaats voor de pont die je in een kwartier bij het centraal station brengt, ontdekten we een andere wereld die ons doet denken aan Christiania in Kopenhagen.

Het was koud door de noordoosten wind. In de kuip, beschut tegen de wind, keken we naar binnenvarende zeilschepen en de grote zee- en cruise-schepen die op het IJ, al dan niet gesleept, voorbij gleden.
Toen was er dat onverwachte telefoontje van collega Leo, die de dag ervoor een stukje met ons meevoer van Durgerdam naar de Marina in Amsterdam.
Hij zat te tafelen met een vriend die documentaires produceert en regisseert. Deze vriend had een vraag aan ons…..  “Of we mee wilden werken aan een eerste deel van een reis-documentaire van 10 afleveringen.”
Het zou gaan om een documentaire over een schrijver/filosoof die al liftend over de waterwegen van Europa, vanaf Amsterdam via Duitsland, Polen en Rusland naar Odessa aan de Zwarte zee reist. Onderweg heeft hij gesprekken met de mensen die hij tegenkomt of waarmee hij reist.
Hij is een bekende schrijver van romans en reisverhalen. De cameraman en geluidsman blijken later twee professionals te zijn die al jaren werken voor de publieke omroep.

Verrast en na wat overleg hebben we toegezegd dat Auke Hulst, de schrijver met filmploeg mee kon varen naar Stavoren.
Auke zou ons, als we in de Oranjesluizen lagen, vragen waar we naar toe gingen en bij het horen van Friesland vragen of hij mee mocht varen. Uiteraard doorgestoken kaart, want hij wist dat hij met ons mee kon. Wij veinsden als echte acteurs verwondering en verwarring voordat we toestemden. Alles voor de film. Dat er een tweede take gemaakt moest worden en wij voor de tweede maal verbaasd en verward moesten kijken, was omdat de cameraman tijdens het filmen onzacht met een lantaarnpaal in aanraking kwam, waardoor de opname niet werd wat het moest zijn.
Het scenario was ook wat haastig in scene gezet, want de sluisdeur aan de IJsselmeer-kant ging al heel snel open. Toen ook de cameraman en de geluidsman met al hun spullen aan boord waren gehesen, voeren we ijlings als laatste de sluis uit.
De gedachte dat er iemand is die filmt en dat er een geluidsman bij staat met een langharige Perzische poes op een lange uitschuif-stok moet de toekomstige kijker niet belasten. Het moet er immers op lijken dat we met slechts 4 man aan boord, wij twee, onze zoon Jeroen en Auke Hulst, de schrijver. Met de grootse zorg bleven de tassen met lenzen, de extra bagage van de filmcrew, buiten beeld. Dat zou het hele idee, van een arme, door Europa liftende, alleen-reizende schrijver  bederven.

Zo voeren we met de Nine Marit als filmset het IJsselmeer op.

De cameraman was gretig in het maken van opnames, waarbij hij het niet schuwde om eveneens als regisseur op te treden. De eigenlijke regisseuse is een volslanke Duitse. Zij achtte het zelf niet wenselijk om met haar rijke omvang de ruimte in het schip in beslag te nemen.

Zowel Jeroen als Nienke en ik werden alras aan een diepte-interview blootgesteld waarbij we vooral niet in de camera mochten kijken. Auke wist door zijn vragen een goed gesprek op gang te brengen, waarbij wij op onze beurt hem bevroegen over de achtergrond van en zijn motivatie om deze reis te willen maken.

Verrassend om op eigen schip mee te werken aan een documentaire die in het voorjaar 2016 op de zender Arte zal worden uitgezonden. Misschien dat de serie door de VPRO wordt aangekocht en uitgezonden, maar dat is nog niet zeker.
Ik denk dat de Pollardboys tegen die tijd in hun nopjes zullen zijn. Onderweg kregen we al vragen of het om een promotiefilm van ons nieuwe schip ging.

Ik ben erg benieuwd naar de beelden die tijdens de overtocht en de aankomst in Stavoren zijn gemaakt. Voor de show vroeg de cameraman of we even een stukje dwars op de golven wilden varen. Dat was leuk voor de film, niet voor ons. De cameraman duikelde met camera en statief bijna omver en de fles met kostelijke Beerenburg probeerde heen en weer rollend chaos te scheppen in het glazenkastje. In de keuken waar Nienke als catcher gestationeerd stond, wist zij de schade door een paar snelle grepen te beperken. Alles ging prima zolang we de golven op de kop hadden( windje BF 4 uit het noorden). Dwars op de korte golven van het IJsselmeer wordt het waggelen als een dronken fazant op Vlieland die zich te goed heeft gedaan aan gistende cranberry’s.

Omdat Jeroen en ik uitgebreid de symptomen van zeeziekte met de crew hadden doorgenomen en hen verzekerden dat een groot deel van de klachten mede veroorzaakt wordt door angst en het verliezen van vaste grond onder je voeten, wist de crew zich gesterkt om een opkomende misselijkheid te onderdrukken.

De aankomst in de buitenhaven van Stavoren is spectaculair in beeld gebracht.
De man die de filmploeg en schrijver terug naar Amsterdam zou brengen was eveneens de cameraman die een drone bij zich had om de aankomst van de Nine Marit vanuit de lucht te filmen.
Na afmeren in de buitenhaven ging eerst de filmploeg van boord terwijl wij met Auke aan boord bleven. We voeren weer naar open water, tot even buiten de pieren en draaiden vervolgens weer om, opdat de drone onze ‘aankomst’ kon filmen. Het kostte me moeite om niet naar de drone te kijken die als een lastig insect de Nine Marit van boven bespiedde. Alles voor de film.
Van hier zou het volgende traject gefilmd moeten worden, maar niet nu. 4 draaidagen in Amsterdam en aan boord van ons schip is best vermoeiend.

We namen hartelijk afscheid van Auke, cameraman Deen, geluidsman Wouter en drone-expert Pieter en vertrokken voor de tweede maal uit Stavoren om onze reis naar Sneek voort te zetten….

Amsterdam Marina

                              Terwijl ik langs haar liep zag ik haar iets geels en hoorbaar knapperigs verorberen. Ze vroeg me of ik er ook een wil. Nu had ik net van de havenmeester een dropje uit de pot mogen pakken nadat ik betaald had voor een extra nacht. Drop en chips leek me niet een aantrekkelijke combinatie, dus ik weigerde beleefd. Terwijl ik doorliep bedacht ik dat de mensen die met mij het pontje hadden gebruikt misschien wel weer terug met dat pontje wilden. Rechtsomkeert kwam ik dezelfde vrouw weer tegen. Ze lachte vriendelijk en vroeg me of ik me bedacht had en hield me een zak voor waarin langwerpige gele stroken zaten, ‘bananenchips’ zei ze. Omdat de laatste resten drop reeds via mijn slokdarm een lagere verdieping hadden bereikt heb ik haar aanbod aangenomen. 

Het kraakte en smaakte licht naar banaan, maar om nou te zeggen ‘oei,wat is dat lekker’, nee,
 dat kreeg ik niet over mijn lippen. 
Haar man en haar kinderen die naast haar stonden, keken me verwachtingsvol aan, terwijl ze haastig een aantal bananenchips wegwerkten. Ik was stil en bleef stil, krampachtig zoekend naar passende woorden. De mensen die met mij de pont deelden, hebben me gered. Terwijl ze op de steiger naar me toe wandelden vertelden ze me spontaan waar ze de volgende dag naar toe zouden varen. Niet de Sixhaven maar de Amsterdam Marina zou hun doel zijn. Vroeger was de Sixhaven favoriet, maar de nieuwe haven zou beter zijn. Makkelijk afmeren tussen de palen en makkelijk wegvaren. De douches zijn uitgebreid met twee badkamers met een echt bad, waar je tot aan je kin in het schuim zittend over het IJ uitkijkt. Met een vriendelijk blik in de richting van het bananen-gezin, zette ik koers naar het pontje. De zeilers moesten nog even verder, ik vermoed het Café.
Eenmaal aan boord zag ik het gezin voorbij lopen naar hun schip dat verderop lag, de zeilers kwamen pas veel later langs. De reiger op de steiger die we stoorden tijdens het vissen en krassend als protest wegvloog stond even later roerloos op zijn oude plek, de kop naar voren in afwachting van een argeloze vis. 
Het contrast is groot, gisteren harde wind en regen, nu bladstil en stralend weer. 
Vers water in de tank, de accu’s vol, de boiler heet en een wapperende vlag. We gaan varen.
Wat zie je toch wonderlijke bootnamen. Neem nou ‘Deux dents plus’. Wat moet je daar nu van denken? 
Het schip, man en vrouw als bemanning, is achter ons een box in geschoven, de kont naar achteren en iets te snel, terwijl de vrouw op de steiger sprong en enigszins paniekerig het touw op de boeg trachtte te pakken, wat met de nodige acrobatische toeren lukte zonder in het IJ te donderen(dat laatste hoopten we stilletjes). Letterlijk vertaald zou je denken dat de boot ‘Twee tanden meer’ moet heten( al is dat geen goed Frans en waar is dit op gebaseerd)? Hadden hun hondjes, het waren er twee, een paar tanden te veel. Of heten hun hondjes allebei ‘Tand’? Lastig als je één van de twee wil roepen en de ander niet. Of is het een tandarts die sinds zij de boot hebben, bijklust met het implanteren van kunsttanden om het havengeld te kunnen betalen. Een verzoek tot het implanteren van een tand of kies, wordt dan gevolgd door de vraag; ‘mogen er nog twee tandjes meer bij’? Uiteraard met reductie. Of is het misschien een snelheidsmaniak die met zijn boot altijd harder wil en de motor bijzet om ‘twee tandjes meer’ te kunnen varen?
We zullen het niet weten tenzij ik de moed opbreng om naar ze toe te lopen en te vragen waar hun bootnaam vandaan komt, met het risico een klap voor mijn kop te krijgen als ik een van de bovenstaande mogelijkheden vermeld. 
Nienke vindt dat ik er maar naar toe moet gaan met de mededeling dat we niet kunnen slapen als we niet te horen krijgen wat hun bootnaam betekent. Ik dacht zo, ik slaap er een nachtje over. 
Ach, we liggen hier mooi in de Amsterdam Marina, mooi beschut achter de luxe zeilboten, water en stroom gratis en een ligbad in het douche-gebouw boven ‘Loetje’ met uitzicht op het IJ.  Overigens bij Loetje bakken ze de biefstuk in Blueband, Dat kreeg ik te horen uit betrouwbare bron( maar de ossenhaas is niet van een paard).
Amsterdam Marina 
P.S. Ik heb het gevraagd. Het komt uit de wielrennerij, een tandje meer, de boot is sneller dan de vorige en hij is tandarts.
Welterusten.

Onderweg naar Amsterdam

                           Op weg naar Amsterdam is het goed toeven in Durgerdam, een dorpje aan het IJ dicht bij het IJsselmeer. We vonden  een mooie plek in de haven op aanwijzingen van de havenmeester. Beschut tegen harde wind uit het westen. 

Eergisteren vertrokken we uit Steenwijk onder een zacht windje naar de IJsselmonding, op zoek naar de aanlegplek waar we vorig jaar ook hadden gelegen. Dichterbij komend ontdekten we dat de tonnenmeesters van Rijkswaterstaat  iets nieuws hadden bedacht, waardoor we een navigatie-probleem voorgeschoteld kregen. Om er te komen moesten we een lijn met ondiepteboeien passeren die er vorig jaar niet lag. Was het nu plotseling ondiep geworden ? En hadden we eigenlijk helemaal om moeten varen? Met één oog op de dieptemeter en één oog vooruit( ik heb nog een kwartier dubbel gezien) scharrelden we naar de ingang van de geul, waarbij we opnieuw verrast werden door een tweede rij ondiepteboeien die lagen waar we ze niet verwacht hadden. Uiteindelijk viel het mee, de ondiepteboeien hadden ze net zo goed weg kunnen laten, er was niets wezenlijk veranderd.

Een mooie plek. Bo huppelde met Nienke vrolijk langs het strandje, waar een groep Duitse jongeren, de opvarenden van de tweemast-klipper Avondrood, een kampvuur hadden aangestoken. Een driepoot boven het vuur droeg een metalen rooster waar ze bratwursten of iets dergelijks op roosterden. Toen we later samen, onder het licht van onze zaklampen, nogmaals langs kwamen, zaten ze genoeglijk bij het nagloeiende kampvuur. In het donker verstomden de vogelgeluiden en de honderden haften die ons achterdek als speelplaats hadden verkozen, trokken zich terug op het land om een dutje te doen. 
De volgende ochtend werd ik tijdens het uitlaten van Bo opgeschrikt door heftig geklapper op het water. Ik zag eerst niet wat het was totdat een koppel zwanen, net los van het water, achter de struiken langs het water tevoorschijn vloog. De wind was gaan liggen en met een aangename Beaufort 2 in de rug, voeren we richting IJsselmeer. Het Ketelmeer was vrijwel leeg. De vrachtvaart hield zich keurig aan de geul die voorgeprogrammerd staat in pc navigo. Langs de dijk naar Lelystad werd het allengs drukker. Achteroplopende schepen voeren ons met 15-16 km/uur voorbij. Wij vonden een gangetje van 12 km/uur prettig genoeg. Met de stuurautomaat aan konden we een aantal stukken naast elkaar op het voordek zitten. Het wijdse uitzicht over de grootste plas van Nederland doet ons goed en gedachten over de ervaringen van tochten die we met onze zeilboten maakten borrelden omhoog. 
De borrel in de vorm van een biertje in het Cafe van Durgerdam na aankomst smaakte ook goed, al waren de bitterballen die de serveerster ons aanried, niet wat we ons ervan voorstelden. Het waren er niet alleen maar 6, ze smaakten ook nog eens als lijmballen met een korstje van oud brood die te lang in oud frituurvet hebben liggen sputteren. 
Weer terug aan boord hebben we ons getroost met een glas rosé en een paar nootjes tegen de ergste honger. 
De nacht bracht een verrassing die ik achteraf niet erg op prijs stelde. Rond een uur of 6 kondigde zich een plasje aan dat geloosd wilde worden. We hebben niet voor een Frans bed gekozen, maar voor een grotere keuken, waardoor ons bed tegen de stuurboord zijde in het vooronder is gebouwd. Omdat ik een rechts-ligger ben en Nienke links naast we slaapt, moet er klimwerk verricht worden, als ik eruit wil en zij niet. De aangename gedachte om even bovenop haar te blijven liggen probeerde ik gezien het tijdstip te vermijden door op mijn knieën en gestrekte armen over haar heen te klimmen, een actie die me normaal gesproken goed afgaat. 
Slaapdronken, vergat ik om mijn hand als steun uit te steken naar de kastrand aan de overkant van het gangpadje, hetgeen resulteerde in een rolbeweging naar de bodem van het schip op het moment dat ik mijn rechterbeen naar beneden zwaaide. Onzacht kwam ik ruggelings neer op het bovenste deel van de rechter bilspier(de ‘musculus gluteus maximus’voor ingewijden) in de buurt van het stuitje. Nienke was door mijn gekerm direct klaarwakker en kwam me snel te hulp. Een opeenvolging van sensaties waren mij deel; zweten, het koud krijgen en misselijkheid tot licht in het hoofd. ‘Niets gebroken’ dacht ik terwijl ik mezelf vervloekte. Gelukje bij een ongelukje, het had beroerder kunnen uitpakken. Zo leer je de afmetingen van bed en omgeving hardhandig kennen. Inmiddels loop ik rond met een blauwe kont waar de arnicazalf zijn best mag doen. 
Het waait als de pieten, koppen op de golven van het buiten-IJ waar we op uitkijken. 
Een enkele zeilboot waagt zich onder fok alleen naar buiten. De vrachtschepen trekken zich nergens wat van aan.
We liggen hier prima en blijven nog een dagje.
Durgerdam 9-5-2015

Voorjaar

Het wil maar niet warmer worden, maar met de verwarming aan was het tochtje naar Steenwijk best aangenaam. De Nine Marit moet nog even terug naar naar haar geboorteplek. Een deur die klemt en een beschadiging in de lak van de kuip( iemand heeft iets laten vallen, maar ik weet niet wie) zijn een paar van die kleine klusjes die we graag gedaan zien voordat we deze zomer binnen varen. Vorig jaar hebben we met de schroef iets hards geraakt, waardoor één van de schroefbladen verbogen is. Kan gebeuren.

Tijdens een tochtje van Sneek naar Langweer en weer terug voeren we deze winter door een laagje ijs. Daar waar het ijs brak bij de boeg is de antifouling weggeschraapt en heeft de Nine Marit een witte snor gekregen.
De pech die we hadden met de motor lijkt nu opgelost te worden. De nieuwe motor lijkt niet te lekken op de plekken waar de vorige lekten. Nog een paar kleine aanpassingen en dan hopen we dat het goed is. 
 De technische mannen van Vetus bemoeien zich er intensief mee, zich bewust van de idiote toevalligheid van twee lekkende motoren en het door ons ‘geleden leed’.
Gek eigenlijk dat we ondanks de vele uren sleutelen die meerdere monteurs aan de motor hebben besteed, toch nog met plezier in ons schip hebben kunnen varen. We verloren af en toe wel ons vertrouwen als we weer wat lekolie in de bilge zagen liggen, maar het varen op zich was steeds weer een feest. 
De Pollard-dag was een groot succes. Rond de 250 mensen kwamen de werf bezoeken. De lezingen van Leon Manten waren ‘uitverkocht’ en ik denk heel instructief voor al degenen die plannen hebben om een rondje Moezel te maken.
De plannen voor een gezamenlijke vaartocht en bijeenkomst in september liggen lastiger. Er blijken veel Pollard eigenaren niet te kunnen in de week die we aanvankelijk hadden gepland( eerste week van september). Misschien is het een idee om een tweede datum te prikken. B.v. Begin oktober donderdag, vrijdag en zaterdag 1,2,3 oktober of anders het plan naar het voorjaar te verschuiven. 
Ik zal in overleg met Leon een email sturen. 
Binnenkort hoop ik tijdens het varen weer wat vaker een blogje te schrijven en ik hoop ook dat de medepollardvaarders wat vaker hun ervaringen op de site zetten. Een stukje in word of pages per email  naar mij verzonden plaats ik graag op de pollardvaarderssite als je dat makkelijker vind. 
Een mooi vaarseizoen toegewenst, tot voor zover.
Rob en Nienke Peters
Sneek

Bootloze kerst en een diner met hindernissen

Kerstdiner 2014
                                           
                                             Eigenlijk zouden we met de boot weg en onderweg het diner bereiden. Vadertje december, had echter andere plannen. Voorspelling: Harde wind, regen, hagel en nog meer van dat soort weer waar je rillingen van krijgt en liever bij de warme kachel blijft.
Dus toch maar thuis gebleven en dit jaar het diner met ons tweeën georganiseerd, de zoon met zijn gezin had inmiddels de plannen al aangepast. 
Allereerst uitzoeken wat we willen eten. Niet te moeilijk en toch lekker, niet te zwaar en niet te uitgebreid, niet teveel wijn en niet te veel andere drank, kortom een dineetje voor twee oudere jongeren met speciale wensen. De trek is niet meer die van een adolescent in de groei, en je wordt  wat kieskeuriger. Veel alcohol op de avond resulteert in slecht slapen en nare dromen, waardoor het humeur de volgende dag niet bepaald zonnig is. Een potje ruzie op z’n tijd is niet te vermijden, maar om daar nu op voorhand voor te kiezen als toetje op de tweede kerstdag….
Aan de slag dus. Het opstellen van het menu.

We begonnen groots met een idee voor een Beef Wellington, als hoofdgerecht. Laat dat dit jaar nou net de lievelingsmaaltijd van de gemiddelde Nederlander te zijn. Dachten we origineel te zijn. Kookboeken erbij, internet geraadpleegd en de Allerhande doorgespit. Blijken er duizend variaties te zijn op Beef Wellington, de ene nog ingewikkelder dan de ander. Met parmaham, met seranoham, met kruidenflensjes, met kastanjes, met porcini, met champignons, met of zonder kruiden en ga zo maar door. 
Toen we eenmaal een aantal ongeveer dezelfde ingrediënten tegenkwamen in de stoet van recepten die aan ons voorbijtrok, hebben we het belangrijkste ingrediënt, de ossenhaas, aangeschaft na eerst de slager uitgelegd te hebben wat een Beef Wellington is. Althans dat deed mijn geliefde echtgenoot. Met een fraai stuk musculus in de vorm van een uit krachten gegroeide varkenshaas met blozende wangen(het vlees) kwam ze thuis, een zak geld armer.  
Toen we na het nodige breed overleg het eens waren over de voorgerechten en het nagerecht hebben we Albert Heijn geplunderd en kon er op kerstochtend aan de ‘mis en place’ begonnen worden. Dat betekent letterlijk zoiets als dat je alles van tevoren klaar zet. In de praktijk blijkt daar een staartje aan vast te zitten in de vorm van al heel wat van tevoren klaarmaken, zodat je er later niet zo veel werk meer van hebt. 
Eerst moest de ossenhaas aangebraden worden, waarbij de discussie waarin gebakken zou worden, zonder dat we vanwege het rondspattende vet daarna aan de grote schoonmaak moesten beginnen, ons zeker een kwartier kostte. Uiteindelijk kozen we, een beetje tegen mijn zin, voor een mengsel van Croma en olijfolie. Omdat het spatten meeviel hebben we ons op een kopje Nespresso getrakteerd. 
Het recept zegt,’ belangrijk om de ossenhaas te laten afkoelen voordat je verder gaat’,  dus dat hebben we gedaan. Ondertussen heb ik de champignonprut die om het vlees komt, gebakken. Die mag niet nat meer zijn en dat lukte uiteindelijk na goed afdrogen met een theedoek.
Het lastigste deel moest nog komen. De zweetplekken onder mijn armen wedijverden qua afmeting met die op mijn rug. Welke idioot gaat ook staan koken met een wollen trui en een thermobroek onder zijn pantalon.  
De folie uitgespreid op het aanrecht bleek te smal. Twee stukken met overlap loste het probleem op. De seranohamplakjes leken wel aan elkaar vastgelijmd, waardoor het nauwelijks lukte om ze in hun geheel op het folie te leggen. Met de nodige verwensingen en een natte handdoek in mijn nek, belangeloos daar neergevlijd door mijn voor het moment rustige echtgenoot, lukte het min of meer een aaneengesloten tapijtje ham neer te leggen. De afgekoelde paddestoelenprut moest als zacht matrasje dienen voor onder de ossenhaas. Toen ging het fout, de haas paste niet en de prut liep aan de uiteinden langs de folie naar buiten. Zag ik gisteren nog hoe Gordon Ramsey dat achteloos deed, het geheel nonchalant in elkaar draaiend, als was hij de was aan het mangelen.
Uiteraard moet je de folie aan beide kanten de tegengestelde kant op draaien om een stijve worst  van de ossenhaas in zijn jasje van paddestoelen met ham te maken. Omdat ik linkshandig ben Nienke rechtshandig, draaiden we ieder aan een kant in dezelfde richting waardoor de stijf opgerolde ossenhaas eerder het uiterlijk verkreeg van een slappe opgeblazen verse worst in een te los velletje. Gelukkig kregen we na wat binnensmondse wederzijdse beschuldigingen door hoe we deze ramp konden keren. 
Daar lag hij dan, de naakte Wellington, nog niet voorzien van zijn bladerdeegrokje. 
Snel, voordat hij zich zou bedenken zijn stijfheid in te ruilen voor een slappere pose hebben we hem in de koelkast gelegd om bij te komen van zijn geboorte.
Enige uren laten maakten we een tweede kardinale fout. 
Om zelf bladerdeeg te maken waren we te lui. De bladerdeeg uit het versvak van AH bleek uitverkocht. Begrijpelijk, de gemiddelde Nederlander had immers hetzelfde bedacht, hoofdgerecht, Beef Wellington. Dus bij gebrek aan beter, Koopmans diepvries bladerdeeg. Nadat het ontdooid was, wierp Nienke zich als een Walkure op het deeg, en mishandelde het met de deegrolller tot het de gewenste afmetingen en dikte had. Gut, wat had ze er een lol in, ik moest haar intomen, anders hadden we met het deeg onze ruim bemeten salontafel  kunnen bekleden. De koelkast had de ossenhaasworst goed gedaan, ze was nu min of meer opgestijfd en beter hanteerbaar. Na wat passen en meten was het pakketje ingepakt. 
Daar maakten we wederom een fout; Een paar uur wegzetten om het later af te bakken is niet de juiste manier. Het bladerdeeg zoog zich vol met de sappen van de inhoud en het bakresultaat was dat het er van buiten mooi uitzag, maar het deeg was van binnen als een natte dweil. Het geheel smaakte goed maar een Beef Wellington met een knapperig korstje was het niet.

Tenslotte nog het toetje. Foutje nummer vier. Gelatine opgelost in sap klontert als je het mengt met bevroren blauwe bessen. De smaak is goed maar het mondgevoel lijkt op het eten van glibberige inktvis uit de vleesmolen, stukjes gelatine in een sausje.

De ene keer ben je te langzaam de andere keer te snel. Koken is leuk maar het juiste klokgevoel is ons niet aangeboren.
Het was weer mooi, kerst 2014…
P.S. De voorafjes en de wijn waren uit de kunst!

Saba

Ik moest de kans niet laten lopen, zei Jeroen. Saba is slechts een kwartiertje vliegen. Een schitterend onbedorven eiland. Maar dan moet het vliegtuig wel willen vliegen. Op de airport werd ik met een aantal in witte kaftans gehulde donkere mannen met gehaakte petjes op hun hoofd in een bus geladen om naar het vliegtuig gebracht te worden. De bus maakte een pretrondje om het plantsoen om vervolgens weer voor de dezelfde deur waar we ingestapt waren te stoppen. Allemaal uitstappen graag en weer terug naar de wachtruimte van de gate. Er was iets met het vliegtuig of de piloot, ik heb het kromme koeterwaals van de dame aan de balie niet verstaan. 

Lijdzaam namen we allemaal weer plaats. Weer wachten. Ik vond het al vreemd dat ik mijn vluchtnummer nergens op de borden zag staan, Saba als bestemming werd niet genoemd. Volgens het scherm bij de boarding-desk ging het vliegtuig naar st. Barth. Een eilandje meer naar het zuiden. Maar daar wil ik helemaal niet naar toe. Nogmaals de boardingpas bestudeerd, ik had alleen het kaartje met de gate en het stoelnummer. Er stond niets op wat me duidelijkheid gaf. De witjurken zijn blijkbaar wat gewend want ze keuvelden gezellig met elkaar en leken zich niet druk te maken. 
Ik werd wel heel nieuwsgierig wat de reden van de vertraging was. Er verscheen een nieuwe vertrektijd op het bord. Een uur later. Misschien een ander vliegtuig of een andere piloot. Het leek erop dat we binnenkort alsnog zouden vertrekken. Twee witjurken voor me waren op de stoelen in slaap gevallen. 
Opnieuw werden we de bus ingepropt, het zelfde ritueel. De boardingpassen waren reeds ingeleverd, dus kregen we alleen controle van de paspoorten. De bus reed ons, de strepen op het platform volgend, naar het vliegtuig. Mijn eerste reactie was , moeten we daar met z’n twintigen ik. Ik zag een tweemotorig propellervliegtuig, een minibus met vleugels,  waar ik de leeftijd niet van kon schatten. Enige aarzeling om er in te stappen was ook aanwezig bij de witjurken. Gebukt kroop ik in mijn stoel, er was geen stahoogte. Een vriendelijk kleine man met een blauwe kaftan liet zich zuchtend in de stoel naast me zakken, begroette me en keek me vertwijfeld aan. 
 Voorin zaten de beide piloten routineus aan allerlei knoppen te trekken. Met veel geraas van de motoren, die eerst met een externe generator gestart waren, kwam het vliegtuigje in beweging. 
Terwijl ik met mijn iPhone het vertrek van dit vliegende wonder probeerde te filmen kreeg de man naast me het te kwaad. Ik suggereerde voorzichtig dat Allah ons wel zou beschermen. Het leek niet aan te komen. Zijn vliegangst was de baas over zijn geloof. Even dacht ik nog dat hij aan het middaggebed zou beginnen, maar daarvoor was de zit-positie en de richting waarin we vlogen (naar het westen) niet geschikt. In zichzelf prevelend zat hij gedurende de hele vlucht van 15 minuten voorovergebogen in de houding die je aanneemt voor een crashlanding. Het vliegtuigje vloog niet hoger dan 800 meter, vissersbootjes en zeiljachten duidelijk zichtbaar onder ons. Bij het aanvliegen op airport Saba , maakten we een scherpe bocht langs de rotswand en doken letterlijk naar beneden op de landingsbaan dat het meest leek op een skatebordbaan met de afmetingen van een smal voetbalveldje. Met veel geraas en vol in de remmen kwam het toestel vlak voor het einde van de baan tot stilstand. 10 meter verder en we waren over de rand gekukeld in het schuim van de brekende golven op de rotskust.  Mijn buurman en ik hebben Allah bedankt. 
Saba doet me denken aan dat Canarische eilandje La Palma dat we ooit bezochten. Ongeveer even groot, één groot natuurpark en een relaxte sfeer onder de bewoners. Rasta-mannen schuiven met lichte tred, geroutineerd stoned van hun laatste joint langs de huizen. De overwegende donkere bevolking spreekt geen woord Nederlands. Wel wat vreemd op dit stukje Nederland in de Carieb. Er is veel import van Jamaica en Dominica. Blijkbaar valt hier meer te verdienen dan in het geboorteland. 
Merkwaardig om in dit tropische eiland Nederlandse politieauto’s te zien rondrijden, vaak bestuurd door een donkere gezagsdrager. 
Het is hier vochtig warm, en ik hoor dat het elke dag wel kortstondig regent. Tropische regenwolken die hun natte lading met name op de oost en zuidkust lossen. 
Met twee Duitsers die ook mee waren op de Chronos liep ik 3 trails door het oerwoud. 450 meter omhoog en 400 omlaag over glibberige paden en trappen. De vegetatie is weelderig, ik zag bladeren van een meter of meer doorsnede en overal planten met bloemen in het wild die we in Nederland alleen kennen als kamerplanten. Het moet al miljoenen jaren geleden zijn dat Saba is ontstaan, het puin op de hellingen is zodanig geërodeerd dat er van de oorspronkelijke aslagen en lava niet veel meer te zien is. De top van de vulkaan ligt meestal in de wolken. 
Kletsnat van het zweet  maar voldaan kwamen in de avond weer terug bij de cottage van een Amerikaan, waar we gratis mochten overnachten. Het bleek na afwezigheid van de eigenaar sinds 5 maanden een vochtig en schimmelig lustoord voor insecten, muizen en ratten. Een professionele schoonmaakploeg zou er dagen mee bezig zijn het huisje weer toonbaar te maken. Wij hebben de looplijnen keutelvrij gemaakt en de grootste rotzooi opgeruimd. Water en electra deden het en de bedden, hoewel vochtig, boden ons een horizontale slaapplek na al dat klimmen en dalen. 
Vandaag kruip ik weer in de gevleugelde minibus voor de terugtocht naar St. Maarten.  20 man in een kermisattractie. Één troost, ik voel me deze keer niet verplicht Allah aan te roepen. Vandaag geen witjurken in het vliegtuig.

Marigot op St Maarten

Het was een bezadigd reisje van 110 nm op de motor, geen wind. In het donker varen we de baai in  bij Marigot op St Maarten. 
Na een professionele ankerprocedure die bewondering wekt bij de gasten, wordt iedereen getrakteerd op een 4 gangen captainsdiner. Terwijl de Chronos zachtjes waggelt op de deining in de baai, worden de kaarsjes  op de gedekte tafels ontstoken en zijn gasten en bemanning op hun paasbest gekleed. Om niet uit de toon te vallen heb ik mijn veel te dikke broek en een overhemd aan getrokken waarin ik me kapot zweet. De broek plakt aan mijn benen als een wetsuit.
 ‘Der Heinz von der Schweiz berispte een medepassagier dat hij er voor deze gelegenheid niet goed uitzag in zijn landlopers korte broek en vuile T-shirt. Sociale controle op het schip. Het is een sfeervol geheel en Nadine, met een klein beetje hulp mijnerzijds voor het vleesgerecht, heeft weer een smakelijk diner op tafel gezet. Er wordt geanimeerd gepraat en iedereen is vol lof over de verzorging tijdens de reis. Drie gasten dragen een gedicht voor waarbij elk bemanningslid een persoonlijk dankwoord krijgt. En dan o, wonder, mijn zoon, de captain, houdt een speech. Merkwaardig gevoel, ik realiseer me weer eens hoe volwassen die vent nu is en hoe lastig het is om mijn beeld van dat vroegwijze knulletje toen hij nog klein was weg te poetsen en los te laten als ik hem daar zie staan met zijn epauletten op zijn overhemd. 
Pas de volgende dag zie ik waar we liggen, een grote baai, met op de wal frivool ogende bouwsels die beschenen worden door kleurige lichten, een Frans sfeertje, als of je aan de Cote d’Azur bent. We zijn in het Franse gedeelte. Met de dinghy halen Marius en ik croissants en pain au chocolats voor het laatste ontbijt van de reis.
Een rommelige dag, de bemanning heeft een soort van rustdag zonder rust. De gasten nemen afscheid en vertrekken in groepjes van 2-3.   
Dan is het ineens rustig aan boord, iedereen moet wennen aan de nieuwe situatie zonder de gasten. 
’s Avonds pas ga ik naar de wal waar ik me trakteer op een stuk gegrilde tonijn.
Maandag 1 december.
Met een rotvaart speren we  in de ochtend met de dinghy door de laguna. E moeten door de beide engineers inkopen gedaan worden voor het onderhoud op de Chronos. 
Ik loop wat verloren door de gigantische winkel met scheeps-benodigheden. Om me heen  voornamelijk mannen die speurend rondkijken op zoek naar wat er op hun lijstje staat. Keurige jachteigenaren naast slonzig geklede schippers die het niet uitmaakt hoe ze eruit zien. 
Aan de Nederlandse kant wordt betaald in dollars. Aan de Franse kant, ze zijn daar vasthoudender aan de eigen landscultuur dan in het Nederlandse deel, wordt alles afgerekend in euro’s.
Als goede Nederlandse handelaar of kruidenier richt je je uiteraard op de meestal Amerikaanse toeristen die het eiland frequenteren vanwege de dutyfree winkels.

Antigua

16 dagen na ons vertrek uit Las Palmas varen we de baai bij Falmouth op Antigua binnen. Het anker valt om 14.46 uur precies. De baai ligt prachtig beschut. Na de perfecte anker-manoeuvre springt een deel van de de bemanning gekleed en wel in het water. 
Ik doe het iets later in zwemtenue na mezelf wat moed te hebben ingesproken. Het water is heerlijk warm, een niet te verwaarlozen voorwaarde om Rob het water in te krijgen. 
Met de dinghy vaar ik met  5 Zwitsers en 3 Duitsers naar de wal. De 2 biertjes vallen wat diep na 2 weken geheelonthouding. We eten op de veranda van het restaurant begeleid door reggae muziek. Ik ga er bijna van dansen en kan niet op de stoel blijven zitten. Terloops zie ik dat de sterke arm, met knipperende lichten hun taak verricht door meermalen langs de eettent te komen rijden. De politie is ruimschoots aanwezig om te waken over onze veiligheid. Ik zie niet helemaal waarom, want vreedzaam kuieren de opgedofte heren en dames, zwart en blank langs de luidruchtige bars en restaurants. 
Ik heb last van het lawaai, de gesprekken in soms plat Zwitserduits ontgaan me voor een groot deel qua betekenis.  Met een aantal anekdotes poneer ik mijn aanwezigheid. Er wordt veel gelachen. 
 Door Zwitser Heinz wordt ik ervan beticht gelächelt te hebben tegen twee flanerende negerinnen behangen met glitterende snuisterijen en voorzien van de nodige lichamelijke uitbouwsels op de aandacht trekkende plaatsen. De dames zijn bepaald mijn smaak niet, eerder curieus hoe ze geit-giechelend voorbij lopen. 
In de observatie-modus, zie ik veel waarover ik me verwonder. Het uitgaansleven in de Carieb is eigenlijk niet veel anders dan op afterparty’s onder aan de skihellingen( de temperatuur verschillen daargelaten). Pronken en lonken, glas en/of sigaret in de hand, geanimeerd kletsen onder de dreun van een iets dat moet doorgaan voor muziek. Voor het geval dat je niet zoveel te melden hebt, een uitstekende omgeving, alleen het uiterlijk en of je ‘cool’ bent telt.  Misschien doet het me wel denken aan de tijden dat ik jonger was en meende mijn onvolwassen identiteit te moeten  bevestigen in de relatie-markt. 
Kleurrijk is het wel! Met verbazing heb ik gekeken naar de rastatypes, met hun gevilte haren in een regenboog gekleurd netje of onder een opvallende toeter op hun hoofden. Creoolse vrouwen met glanzend zwarte ontkroesde haren, lopen hooggehakt tussen het barvolk door of roken een sigaret op de veranda. 
Cocktails zijn in zwang, en in vele kleurschakeringen, afschrikwekkend genoeg om er niet te veel van te drinken. Koppijn gegarandeerd. Op Sint Maarten zal ik er eens een proberen. Iets met rum en limoen of zo. Een goed glas wijn, wat hier niet echt te krijgen is, heeft nog altijd mijn voorkeur. 
Vannacht of morgenochtend vroeg varen we uit naar Sint Maarten.Daar gaan de gasten van boord. 
Rust voor de crew is hun maar even gegund, er is nog veel te klussen.
De dag na aankomst bezoeken we met een aantal opvarenden de oude dockyard van Nelson, in een prachtig beschutte baai aan de zuidkant van het eiland. In de 17 en 18 eeuw moet het een drukte van belang geweest zijn, rond deze door de Engelsen beheerde plek. Schepen werden er opgekalefaterd en voorraden opgeslagen. Ideaal beschermd tegen hurricanes. 
We dwalen wat rond op de plek en bekijken het kleine museum. Uniformen bepaalden de rol en status van de zeelui. Tweekantige en driekantige hoeden en veel vergulde knopen en versiersels.
De lunch op het terras van het restaurant is goed. We worden verwend.
Op de steiger aan de wal waar de dinghy ons zal ophalen, worden joekels van vissen schoongemaakt. Twee jonge kerels verkopen vanuit hun schip de vangst van de nacht. 
Het oog in de kop van een Wahoo die zojuist van zijn vlees is ontdaan, staart me verongelijkt aan alsof hij nog leeft en niet beseft welk gruwelijk lot hem is toebedeeld. De overgebleven graten en vellen worden ik het water gegooid, waar grote grijsblauwe vissen om vechten. 
Boven de baai vliegen traagvleugelig pelikanen, hun nekken ingetrokken als reigers. De tropische mussen zien er anders uit maar gedragen zich even brutaal als hun Europese soortgenoten.  
Het wordt donker en eenmaal terug op de Chronos besluit ik in de avond aan boord te blijven.
Morgenochtend om 4 uur vertrekken we en ik heb dan weer de wacht. 

Een beetje geschiedenis

De bulletalie aan bakboord staat naar mijn smaak te strak. Ik hoor in mijn hut hoe hij tegen het want schuurt met een knallend geluid. Er is al een bulletalie gesneuveld door schavielen en deze lijkt er ook naar te solliciteren. De eerste stuurman die nu de wacht loopt haalt zijn schouders op als ik het hem meld. Hij neemt me niet serieus. In onze wacht omwikkelen Mariusz en ik de bedreigde plek op de talie met een lap stof en zetten de lap vast met een lijntje.
Ik ben al wat bezig met aankomen op Antigua. Morgen in de middag laten we het anker vallen in de baai bij de hoofdstad Saint John. 1 1/2  dag om rond te kijken, te weinig om het eiland echt te verkennen. 
In de boeken die aan boord zijn over het Caribisch gebied, lees ik zulke verschillende verhalen over haar geschiedenis dat ik niet insta voor de historische waarde van de volgende tekst.
Ik lees dat er 4000(of 7000?) jaar geleden al mensen woonden, waarschijnlijk overgestoken vanaf het vaste land van Venezuela . Op Antigua woonden rond het begin van de jaartelling de Arawaks, een vreedzame indianenstam, die een merkwaardige schedelvorm kweekten door de hoofden van de jonge kinderen in een soort taps toelopende mal van houten plankjes te plaatsen. Punthoofden als schoonheidsideaal of misschien om religieuze redenen. Het hoofdhaar schijnt op dat punthoofd steil omhoog gekapt te zijn geweest, waardoor het lijkt alsof er een pluim op zit. Hoe de archeologen daar weet van hebben gekregen, stond er niet bij.
 Omdat ik op dit schip door mijn lengte regelmatig mijn kop stoot, lijkt me zo’n uitschuif-schedel niet praktisch. Als het werkelijk bedoeld was als schoonheidsideaal zie ik voor me hoe twee punthoofd-geliefden elkaar minnekozen met de pluimen op hun kop. Elkaar lekker kietelen met de kwast op je kop. Praktisch gezien zou het kunnen zijn dat je met je punthoofd de weg kunt wijzen, terwijl je de aardappels schilt of de baby verschoont. Een kopstandje in de klei zal hun makkelijker af gaan en een tros bananen vastgespiest op een punt blijft beter zitten dan op een ronde bol. Vele mogelijkheden en heel doelmatig. 
Hun vredige levenswijze is in de late middeleeuwen wreed verstoord door aanvallen van indianen- stammen uit het Amazonegebied, de Caribs, oorlogzuchtige kannibalen. Ze hebben de punthoofden uitgemoord. Columbus verloor ook een deel van zijn mannen aan de kookpotten van de Caribs. Veel later deden de Spanjaarden, de Engelsen, de Fransen en uiteraard de Nederlanders er een schepje bovenop, door op de Caribische eilanden geïmporteerde Afrikaanse slaven te laten werken in suikerriet-plantages. Zij legden, vaak onder erbarmelijke omstandigheden uiteindelijk eveneens het loodje, door slechte voeding en uitputting. 
27 11 , 6.30 uur
De wind laat het afweten, we maken nauwelijks voortgang en de zeilen klapperen. We kruipen te veel naar het noorden als we zo doorgaan. Het wachten is op de kapitein die beslist of we gaan gijpen of de motor bij zetten. 
De Volvo Penta zoemt zachtjes op de achtergrond, 600 Pk op sokken, de bezaan, de binnenkluiver  en het staysail als steun erbij.  We varen recht op de zuidkant van het eiland af uit noord-oostelijke richting. ETA 1600 uur.