Van Munster naar de Rijn

In Münster lopen de delicatessen, vrolijk met elkaar kletsend of loerend op hun mobieltjes, over de kade van de Stadthafen. Al moet ik bekennen dat ze lang niet allemaal om op te eten waren.
Mijn preoccupatie met lekker eten en oog voor vrouwelijk schoon worden hier genoegzaam bevredigd. De pijn in mijn nek van het omkijken, heb ik maar voor lief genomen.  
Het ziet er hier in de Stadthafen van Münster bij binnenvaren niet erg aantrekkelijk uit. Aan de zuid-oever overheerst industrie in al zijn lelijkheid, de noordoever is bezet met restaurants. 
Jonge mensen zitten met een fles bier en een dönerbroodje op de kademuur en kijken naar het water. Gelukkig komt er regelmatig een vrouw met een kinderwagen langs die ze vult met lege statiegeld- flessen en blikjes, zodat het over het geheel redelijk schoon blijft. Een  man met een bakfiets, iets minder toegerust wat betreft opslagruimte dan de vrouw met de kinderwagen, nam dankbaar 3 lege witbierflesjes van ons in ontvangst. Bijverdienste met een nuttig kantje. 
De kloof tussen arm en rijk wordt weer eens benadrukt in het oude centrum van Münster. Designwinkels en haute couture galerijen, die in Parijs niet zouden misstaan, worden op hun stoep bevolkt door bedelaars en werklozen die van de voorbijgangers wat geld proberen te vangen. 
Münster heeft een fraaie Altstadt met prachtig gerestaureerde gevels. De Dom en de St Pauli kerk konden ons niet direct bekoren, wat kaal en leeg. Ontzag voor de bouw is wat overblijft.
    
We voeren over het Dortmund-Eeemskanaal richting Datteln en maakten een stop bij Gasthaus Peters, waar we mijn neef en zijn vrouw,die in Duitsland wonen, hadden uitgenodigd een schnitzel te komen eten op het terras van het restaurant met onze naam. Een raar idee zo dichtbij hun woonplaats te kunnen komen met ons eigen schip. 
Onderweg zien we steeds vaker Sicherheitstören, een soort grote schuifdeuren die men naar beneden kan laten vallen, ingeval het kanaal, dat meestal hoger ligt dan het land, ergens zijn water zou verliezen vanwege een dijkdoorbraak. Je moet er niet aan denken dat het kanaal ineens leegloopt. Je schip gaat 3-4 meter naar beneden en je staat geparkeerd op de kanaal bodem als stond je drooggevallen op een wantij omdat je er te laat over heen ging. 
De Eems hebben we gekruist over een kanaalbrug. Het is verplicht om je over de marifoon te melden om doorvaart toestemming te krijgen. Als  een binnenvaartschip voor je vaart vraag je hem of je mee mag in konvooi, als er van de andere kant vrije doorgang  is. Indien  er geen binnenvaartschip is om achteraan te varen, moet je eerst toestemming vragen op het algemene marifoon- kanaal voor dat stuk van het kanaal. 
Vanwege het hete weer is het heerlijk om weer te varen, de wind om je kop door het open raam, de omgeving die langs glijdt, kinderen die in het water spelen en het zachte zoemen op de achtergrond van de motor. Af en toe kan de stuurautomaat aan op de rechte stukken al moeten we erg opletten als er iets van een metalen damwand, een stalen brug of iets anders van ijzer in grote hoeveelheden op de kant staat. Het kompas van de stuurautomaat is dol op grote stukken ijzer en stuurt het schip er graag naartoe. Nine Marit lijkt dan het meest op onze Bo die in de speurmodus plotseling van richting verandert bij een interessant luchtje dat zijn neus bereikt.
Afwisselend sturen we of doen een powernapje. Bo slaapt in de mand.
 We zien slechts sporadisch binnenvaartschepen en veel pleziervaart  is  er ook nauwelijks. 
Volgende week bereiken we de Rijn, waar ik verwacht dat het heel wat drukker zal zijn. 
De keuze om over het Datteln-Eems kanaal te gaan werd ons afgeraden. Er varen erg grote schepen en de wachttijden voor de sluizen lopen er meestal op tot soms meer dan een uur.
Vandaar de route naar Duisburg over het Herne-Rhein kanaal  dat veel rustiger is. Vanaf Duisburg is het over de Rijn niet meer dan 85 km tot de grens met Nederland. Bij een snelheid van 15-16 km per uur, stroom mee, ben je in 5-6 uur in het vaderland. 
Als we op de Rijn varen, zijn er

geen sluizen meer, nou ja, één dan, als het meezit bij Stavoren of Lemmer. 

  

Passeren van een engel

Voor ons varen twee binnenvaartschepen. De achterste heet Grimbaard, vrij vertaald uit het Duits  en de voorste  M.S.Angelus Dei, een diep beladen zwarte vaarbak met op het achterdek een auto een schotelantenne en een kerstboom. Hoe je een schip dat er zo uit ziet, de naam ‘Engel Gods’ kunt geven is me een raadsel. De Engel doet het rustig aan met net geen 9km per uur. Dit vind Grimbaard niet leuk. Hij is groter en wil harder. De beide heren achter het roer gaan in overleg op de marifoon. In plat Duits wordt er een en ander uitgewisseld. Ik versta de helft niet maar de toon is enigszins geïrriteerd. De Engel gaat langzaam naar de rechterkant van het kanaal. Grimbaard mag erlangs. Dat doet hij onstuimig, met veel schroef geweld.
De Engel worstelt met de gevolgen en ligt even later bijna dwars in het kanaal. 
Vloekend als kapitein Haddock, geeft de schipper van de ‘Angelus Dei’ op marifoonkanaal 10 een veeg uit de pan aan de schipper van de Grimbaard. Zijn woede wordt alleen maar groter als de ander niet antwoord. Van een afstandje zien we de schipper van de Angelus wild gebarend door de stuurhut stampen. Hij begint te gooien met alles wat voor het grijpen ligt en wij vrezen het ergste, als hij ook zijn vrouw, die hem probeert te sussen, over boord dreigt te gooien.
Niet zijn vrouw maar de kat is de pineut. Gelukkig weten we de kat met een snelle actie uit het schroefwater te redden. Misschien is de schipper van de M.S. Angelus Dei wel een ‘wraakengel’ en kunnen wij eveneens een dosis engeltoorn over onze masten verwachten. 
De kat had tijdens zijn onvrijwillige tewaterlating een Voorntje gevangen die we hem als troost hebben gelaten ondanks de begerige blikken van Bo die dol is op vis en niet op katten. 
Nadat we de kat weer aan boord van de Angelus Dei hadden gegooid besluiten we met onze twee scheepjes achter het schip te blijven hangen. We waren bang dat de schipper zijn woede als een oversprongreactie op ons zou bekoelen. Met een sukkelgangetje van 9 km per uur( meestal varen we net één tot twee kilometer harder) kachelen we relaxed over het Mittellandkanaal. 
Passeren van een binnenvaartschip op een niet al te breed kanaal met stalen damwanden, is niet eenvoudig. Door het schroefwater van zo’n grote jongen verandert het water achter het schip in een wervelende klotsbak waarin wij, met ons lichtgewicht scheepje dichterbij kruipend, een min of meer rechte koers moeten zien te varen. Wanneer het achterschip gepasseerd is moet je opletten dat je niet naar het schip gezogen wordt. Het gaat allemaal zenuwslopend langzaam. We zijn geen speedboot, en onze rompsnelheid is onze beperkende factor. 
Eenmaal langs het middendeel van het binnenvaartschip is er nog een hindernis te nemen, de boeggolf, die als een berg  beklommen moet worden. Voordat we aan een dergelijke actie beginnen, overleggen we met de schipper, de ‘Buurman’, over de marifoon of we kunnen passeren. Als hij ons dan wat ruimte geeft lukt het meestal te passeren, maar spannend is het steeds weer.
    
Omringd door bomen en hoge oevers zien we op dit deel van het kanaal niet veel van de omgeving.  
Inmiddels regent het weer en zitten we lekker droog beurtelings in ons schip te sturen. Het lijkt een dóór-regendag  te worden. De boot wordt er mooi schoon van en met de wisser vuil en water er af schuiven is geen onaangename bezigheid.  Als het niet te raar lijkt met het eventuele onweer dat voorspeld wordt, parkeren we vanavond gewoon langs het kanaal bij een van de vele sportboot steigers. 
Veranderlijk in onze plannen als we zijn, hebben we besloten zuidwaarts over het Dortmund-Eems kanaal naar de Rijn te varen om onderweg nog een dagje Münster te doen. Via de Rijn en de IJssel gaat het dan zonder sluizen naar huis. Het weer blijft wisselvallig en de Elbe moet maar een andere keer op het programma komen. 
Op een damwand langs het kanaal stond een spreuk. Met witte letters op het ijzer gekalkt: ‘Ein Man ohne Frau ist als Sisyphus ohne Stein’. Wij maakt er een variant op: ‘Een man zonder vrouw is als een sluis zonder deuren’ of een tweede: een vrouw zonder man is als een boot zonder mast( bv. een roeiboot?)

Ratio en gevoel

Voor de sluis van Hohenwarthe hebben we de hogerwal opgezocht, een beetje in de luwte van een bos en een talud bij de oprit naar de brug van de Schleuse Niegripp.
Aan de ‘sportanlieger’ liggen we met 3 scheepjes. Klaar om morgenochtend geschut te worden.
De harde wind uit het noord westen, maakte het lastig om af te meren. De wind blies de kop weg en met flink gebruik van de boegschroef lagen we even later vast aan de kade. 
Het weer is omgeslagen en twintig graden onder de 37 graden is een stuk aangenamer. 
We zijn op de terugweg en hebben het mooie gebied rond Berlijn en Brandenburg verlaten. We varen op het Mittellandkanaal richting Wolfsburg en verder. 
Het plan om via het Elbe-Seitenkanal naar de Elbe te varen hebben we losgelaten gezien het onbestendige weer, en belangrijker, we hebben genoeg indrukken gehad. We zijn “vol”. Inmiddels staan er 125 motoruren op de teller sinds onze start op 13 juni vanuit Sneek. Bij een gemiddelde van 10 kilometer per uur is dat een dikke 1000 km gevaren. Onze ambitie was bij aanvang van de reis dat we niet naar Berlijn zouden gaan maar eerder zouden afslaan naar de Elbe, om daarna via Hamburg weer richting Nederland te gaan. 
Met onze vrienden opvarend hebben we onze plannen geleidelijk bijgesteld en zijn heel tevreden met wat we uiteindelijk hebben gedaan. Berlijn met omgeving was mooi. De hittegolf heeft ons een paar dagen uitgeput, maar het schone water was heerlijk om in te zwemmen en af te koelen. 
Vandaag probeerde onze vriend ons met rationele argumenten te overtuigen dat een afsteek over het Elbe-Seitenkanaal en de Elbe goed mogelijk is. Maar wij zijn niet zo rationeel. Gevoelsmatig klopte het niet meer om de onzekere kanten van de omweg over Hamburg te accepteren. Het onbestendige weer, de Elbe zelf die in zijn benedenloop heel nauwkeurig bevaren moet worden en de kans dat bij ongunstige wind de golven na Hamburg dermate kunnen opspelen dat motorbootvaren gaat lijken op een rodeo-rit met een wild paard. Zelf ben ik vanaf Brunsbüttel 8 keer naar zee gevaren met grote zeilschepen en met de zeilboten die we hadden, bijna steeds bij rustig weer. Ik wordt gelukkig niet zeeziek, maar die ene keer toen we met de Loth Loriën van Holtenau naar Rouen voeren waren er aan boord mensen die zeker een dag de vissen hebben moeten voeren. 
Het is niet voor niets dat men in Cuxhaven de slogan koestert, ‘bis tonne Elbe 4 bei windstarke 4 aus Nordwest’. Veel verder kom je niet met je schip, dan wordt het zeer onaangenaam door de golven die ontstaan bij stroom tegen wind. 
Nu is er voor motorboten en zeilboten met gestreken mast een uitwijk mogelijkheid. Bij Otterndorf, een dorpje vóór Cuxhaven kun je als het schip niet hoger is dan 2.70 meter, het Elbe-Jade kanaal in, waarbij het stuk over zee in de Duitse bocht wordt vermeden. Vandaar kun je dan weer ofwel over een stuk zee naar Wilhelmshaven of terug naar Elsfleth waar je binnendoor naar de Eems kunt varen via het Küstenkanaal ( voeren we al door op de heenreis).
Zoals ik zei, we zijn “vol”. Een nieuw schip, de sluizen met gigantisch verval tot meer dan 20 meter, het wisselvallige weer en  nog niet weten wat het schip doet bij een onverwacht knobbelige zee, door wind of door snel langs varende grote zeeschepen. 
Het gevoelsmatige won het van het rationele. Zijn we nu te voorzichtig? Of juist heel verstandig?
Berlijn invarend over de Spree vanuit het oosten was er de vraag waar we in verband met het komende onweer met zware windstoten, een veilige haven konden vinden. Rationeel zochten we op het internet en in de pilot naar een haven. De eerste geschikt lijkende haven bleek vol na  telefonische raadpleging. De tweede haven leek te passen. De havenmeester zei dat hij twee boxen had waar we in zouden passen. 
Toen wij eerst maar eens op de langssteiger afmeerden was meneer direct al geïrriteerd. Even later werd hij nog geïrriteerder toen bleek dat onze vrienden niet direct in de juiste box waren gaan liggen. Met grote moeite was het gelukt om hun schip tussen de palen te parkeren. Op mijn beurt geloofde ik zo te zien( niet erg rationeel)  dat de box volgens de man 4.30 m breed was. Hij zei dat hij er al eens in was geweest met een schip dat 4.25 m breed was.  Bij nameten ( een heel rationele actie van onze vriend) was de box nog geen 4.10 meter breed. Zelf hadden Nienke en ik voordat we deze feiten voorgeschoteld kregen al het gevoel in deze haven willen we niet liggen, laat staan dat we probeerden ons schip (4.10m breed) in dat keurslijf te prutsen. Op voorstel van een paar geparkeerde Duitsers in een naastliggende box zijn we toen verhuisd naar een plek aan de andere kant van de Spree, waar we een prima gratis ligplaats vonden en waar de wind en het onweer geen vat hadden op onze schepen. 
  
Ratio en gevoel, hoofd en hart, kunnen strijdig zijn, welke volg je?  Een beetje van de een en een beetje van de ander? Voor ons is het belangrijk om de eventuele discrepantie tussen die twee te onderkennen en daarna pas te beslissen. 
Begeleid door onze mascotte op deze reis, de rode wouw nemen we het wat saaie stuk Mittellandkanaal voor lief en dan zien we weer verder. 
Morgen door de sluis, ‘zur Tal’…..

Berlijn

De een na de andere beglaasde vlees-praam met toeristen laat ons schip schommelen met zijn hekgolven. De rondvaartboten op de Spree in Berlijn varen naar mijn smaak veel te snel. 

Ja, we liggen aan de kade midden in Berlijn en kijken uit op het Hauptbahnhof en op de Fernsehturm die als een middeleeuwse toernooi-lans omhoog priemt. Vlakbij de Alexanderplatz op Oost-Duitse grond is de ‘Turm’ het symbool geworden van het verenigde Berlijn. 
Het kost me moeite om alle indrukken te verwerken. De ‘megalomane gebouwen’ prikkelen mijn verwondering maar ook mijn afschuw als ik bedenk wat er in de eerste helft van de vorige eeuw hier allemaal is gebeurd met nadien de nare gevolgen van de oorlog. Van de muur tussen oost en west Berlijn ( gebouwd in 1961 en afgebroken in 1989), is ter nagedachtenis opzettelijk een deel intact is gelaten. De muur heeft het geruïneerde Duitsland na de oorlog nog jaren lang een natrap gegeven.  
Het liedje over de vogels die in het verscheurde Berlijn onbekommerd tussen oost en west konden vliegen klinkt voortdurend op de achtergrond in mijn hoofd. 
Peddelend op onze fietsjes zien we voornamelijk classicistische, tempelachtige gebouwen bij het  museum eiland en indrukwekkende architectonische staaltjes van ‘Neubau’ bij de Potsdamer Platz. 
Morgen varen we langs de Reichstag, de plek waar Angela haar kopje Kaffee drinkt als er weer eens over Griekenland gepraat moet worden. 
Bij een Metropool als Berlijn horen ook verslaafden en daklozen. Tegenover onze ligplaats achter een gat in de kademuur liggen twee mensen half verscholen onder een zeil naast hun schamele bezittingen. Tot voor kort was er geen beweging te zien, nu zijn ze wakker. De vraag is of wakker worden prettig is of moet er zo snel mogelijk gescoord worden voor de volgende roes?

We waren stil toen we door het joodse monument liepen. De in rijen opgestelde betonblokken, die naarmate je verder het monument inloopt, hoger worden, gaven me een gevoel van afstand door de lange lege doorkijk en als contrast een gevoel van plotselinge nabijheid wanneer iemand je pad kruist. De betonblokken blijken behalve hun wisselende hoogte ook niet gelijkvormig ze zijn. Op het eerste oog staan ze strak in het gelid, maar als je goed kijkt, staan ze allemaal een beetje scheef ten opzichte van elkaar. Schijnbaar eenvormig geordend heeft elk blok een eigen identiteit. 
Lopend langs een hele rij foto’s uit de Nazi-tijd en de koude oorlog zag ik hoofden van zowel daders als slachtoffers, waarbij ik me erover verbaas dat ik ze regelmatig met elkaar verwarde, doordat ik de bijgevoegde tekst nog niet had gelezen. Het kwaad is niet te destilleren uit een gezichtsuitdrukking, een oogopslag.

Achter de Nine Marit ligt een motorboot uit Nederland uitgerust met een schotel antenne en twee mannen. De beide heren zien we nauwelijks in de kuip en we fantaseren over hun relatie. Twee mannen die hun vrouw hebben verloren? Ze lijken niet op erg elkaar, dus twee broers is niet waarschijnlijk. De boot komt uit Waspik ( na enig puzzelen kwamen we erachter welke -pik bedoeld werd omdat er twee stootwillen voor het eerste deel van de naam hingen). Moet er misschien regelmatig wat gewassen worden? We zullen het niet weten…
De holbewoners in de kade aan de overkant zijn met elkaar op de vuist gegaan en Bo slaat aan omdat een familie chinezen langs de boot loopt. 
Wij voelen ons goed beschermd.
Wir sind Berliners ….
P.S. 
Excuus, de twee mannen blijken een man en een vrouw te zijn. De vrouw had een nogal mannelijke coupe en in haar fysiek waren niet veel vrouwelijke rondingen te onderscheiden.   

Hond aan boord

Het is warm, nee zeg maar heet, bloedheet. Het wijzertje  van de thermometer twijfelt tussen de 32 en 35 graden en zal vanmiddag nog wel wat meer aanwijzen. De komende dagen wordt er hier rond Berlijn 37-39 graden verwacht. Van het ene uiterste in het andere. Tot voor een week was het te koud en nu kun je Berliner bollen bakken op het voordek. Teckel Bo heeft het ook warm. Zijn mand is hem te heet en hij zoekt voortdurend de koelste plekjes op. Wij kunnen wat uittrekken, Bo heeft zijn jas altijd aan. Met de tong uit de bek probeert hij wat te zweten via zijn tong. Het allerliefst gaat hij zwemmen of met zijn buik in het koele water hangen. Tussen de middag is hij er als de kippen bij als we onze boterhammetjes smeren, hij mag niet bedelen en na het stukje brood met leverworst  zoekt hij na enkele aanmaningen onzerzijds de koele vloer weer op. Toen Bo nog bij Jeroen op de klipper met gasten op de Waddenzee en het IJsselmeer tochten maakte, moest hij zijn behoefte ophouden of heel snel lozen op de wal in de sluis. Als wij  hem ’s ochtends uitlaten worden de plasjes uitgebreid gedoseerd over alle interessante plekken, en verbazen we ons hoeveel hij er telkens weer uitperst. Dit gaat gepaard met veel gesnuffel en hem roepen heeft geen zin. De ‘krant lezen’, het plaatselijk nieuws, is veel belangrijker als luisteren naar de baas. Zijn we echter in de sluis, dan moet het anders. Jeroen heeft hem geleerd om dat vlot te doen. Als we vast liggen in de sluis er er is een mogelijkheid om hem even op de wal te laten, ‘gooien’ we hem op de kant met de mededeling ‘ alleen een plas Bo en dan weer snel terug komen’. Dat snapt hij, o wonder. Hij zoekt een object, een bolder of de fiets van de sluismeester en dan volgt een lang aangehouden plas, waarna meneer weer bij de boot komt staan om door ons opgevangen te worden. 
Hij heeft wat hoogtevrees, ik denk dat dat alle teckels eigen is als je bedenkt dat je zo laag bij de grond leeft, maar het vertrouwen in ons is groot. Hij springt ons min of meer in de armen alsof hij blij is weer mee te mogen. Jeroen heeft hem dat in zijn jonge leven allemaal geleerd. Het was ons niet gelukt, want het blijft een eigenwijze teckel. Wij plukken de vruchten van zijn goede opvoeding want het is een geweldig makkelijk beest aan boord. 
Tijdens het varen hoor je hem niet. Zijn natje en zijn droogje zijn belangrijk en desnoods even spelen met een blokje ijs of de bal in de kuip maakt hem gelukkig. Op de wal na het afmeren is het mooiste spel om met een bal, die door ons wordt weggegooid, het geurspoor dat de bal met de grond heeft gemaakt te volgen. Dit gaat gepaard met heftig staart-zwiepen en af en toe de bal verleggen. Nog mooier vind hij het als wij telkens de door hem gebrachte bal weer weggooien. Als we hem niet begrenzen zou hij alsmaar doorgaan. Het enige wat hij aan boord niet leuk vindt is wanneer golven hard tegen de boot slaan. Dat was al zo op de klipper. Dan kruipt hij in zijn mand en begint te hijgen. Zo gauw het wateroppervlak  weer vlak wordt of de boot ligt op één oor, is meneer weer helemaal gerust. 
Op het Teltow kanaal is het rustig de sluis was een makkie, 3 meter omhoog en een natte regelkast op het sluis-terrein door een lange plas van Bo.   
We zien veel Nederlanders in dit gebied en wederom maffe voertuigen, waaronder  gemotoriseerde huisjes op het water in de meest uiteenlopende uitvoeringen. Een drijfgedeelte met een 15 Pk motor en daarop een primitief huisje. Op de veranda van het huisje is het geheel te bedienen. Erg wendbaar zijn die vaarhuisjes niet en ik zag vaak hoe de tijdelijke bewoners er mee worstelden hem de goede kant op te krijgen. Er zijn nog simpeler uitvoeringen die bestaan uit een soort kalverhok op een paar lege olievaten met een 5pk motortje als voortstuwing. Als je maar lol hebt en dat leek er wel op met de meestal jonge mensen die het geval hadden gehuurd. 
We liggen voor anker, bij Grunau iets ten zuidoosten van Berlijn. Volgens het weerbericht zou het misschien kunnen gaan onweren, maar daar lijkt het nu nog niet op. 
Over een paar dagen gaan we weer op de terugtocht, veel ervarener en wijzer, en waarschijnlijk ook wat meer relaxed. Het is nog een heel eind naar Nederland.
De opvliegroute van de vliegtuigen uit Berlijn naar het oosten, loopt over onze ankerplek. En dat terwijl we net zo mooi liggen, uitkijkend over de plas naar het noord-westen. 
Op het strandje aan de kant blijven een paar mensen slapen. Er zijn opvallend weinig insecten  dus ook voor hen een rustige nacht met alleen af en toe een overkomend vliegtuig. 

De Zen van het motorboot-poetsen en Mindfull varen

Sluis art

                         Terwijl mijn lief meditatief de boot zwabbert, stuur ik het schip zo ‘Mindfull’ mogelijk over het Mittellandkanaal. Het valt niet mee om niet afgeleid te worden, telkens als de zwabber met Nienke langs komt ben ik weer afgeleid en merk ik wederom dat ik niet in het ‘hier en nu’ ben. Die benen van haar, die zwabber en  weg is de concentratie. Zij zwabbert in Zen en ik stuur Mindfull de boot. Dit is niet eenvoudig zeg ik U, het is hard werken. ’s Avonds zijn we beide bekaf van het Zennen en het Mindfullen. De ballen die uitgehangen moeten worden, de lijntjes die klaar moeten hangen, de boegschroef die aangezet moet worden, al dat gedoe voordat je de sluis invaart vergt de uiterste concentratie en vreet energie. We zien het dan ook als zware kost voor lichaam en ziel. Jazeker, Mindfull en Zen varen brengt je in een totaal andere toestand. Een toestand die heel wat anders is dan een avondje ‘Boer zoekt vrouw’ kijken of een potje patience op de computer. De stilte en het vage gebrom van de motor dat werkt als een ondertoon voor diepere gedachten brengt me als een zweefvliegtuig in hoger sferen. De zintuigen staan helemaal open, en het oordeel staat op nul. Alhoewel, Ik moet zeggen, het wordt wel lastig als de maag knort. Dan gaat het licht uit en is er alleen maar toekomst en speeksel bij de gedachten aan wat we gaan eten en wat we als aperitief zullen drinken.  
Motorboot-varen is een weg …….een vaarweg naar innerlijke verrijking. Het zich splijtende water voor de boeg van het schip dat zich opent als het nat van de aarde, om je doorgang te verlenen naar nog meer nattigheid. En dat hadden we genoeg, de laatste dagen, het heeft heel wat geregend. 
Het Mittellandkanaal wordt mooier naarmate we meer naar het oosten komen. 
Wolfsburg was in die zin niet de mooiste plek, wel interessant, want daar heeft onze VW Tiguan het  licht gezien, nadat hij door een keur aan robots en mensenhanden in elkaar gezet was. 
We bezochten Autostadt, een pretentieus project met een groot toeristisch gehalte om de grandeur van het Volkswagen concern ten toon te stellen. Design-gebouwen in overvloed met daarin evenzovele design projecten moeten je overtuigen dat ze daar bij Volkswagen heel goed bezig zijn. 
Ik wist niet dat automerken als Lamborghini en Bugatti door VW zijn ingelijfd. 
De stand van Lamborghini bezochten we, omdat we hoorden dat daar ieder half uur een audio visuele show was. Nu moet ik bekennen dat ik helemaal niets heb met zo’n plat scheurijzer, al was het alleen maar dat het erin en eruit stappen je een hernia bezorgt. Maar die show wilde ik wel zien. Het bleek niet om het zien te gaan. Als een stel makke, kwijlende schapen werden we in een soort kooi geleid, waar een juffrouw ons mededeelde dat we er ook weer uit konden via de deur met het lampje. Door de tralies keken we uit op een platte auto die tegen een zwarte wand was gemonteerd. Ik vermoed dat we moesten denken dat die auto bezig was met een potje steile-wand rijden. Nadat de juffrouw via de luidspreker had gemeld dat het geluid tijdens de show nogal stevig zou worden, zei ze nogmaals dat we de kooi konden verlaten via de deur met het lampje. 
Toen begon de show. Nou, ja eigenlijk begon er niet zo veel, behalve knipperende lichten en kleuren waarin de Lamborghini, voor als je dat zou willen, te koop is. Witte rookwalmen en veel, heel veel lawaai. Dat lawaai was bedoeld om te laten horen hoe een Lamborghini klinkt als je je oren dicht bij de uitlaat houdt. Dat wil ik dus niet. Het deed mij het meeste denken aan een aantal brullende leeuwen die synchroon gecastreerd worden zonder verdoving. Nee, voor mij geen Lamborghini, geef mij maar een Pollard met haar bescheiden motorgeluid, waarmee we zachtjes door het water glijden. 
Inmiddels zijn we Berlijn aan het naderen, en als gezegd het landschap wordt steeds fraaier. 
We zagen tot drie maal toe een rode of zwarte Wouw, een roofvogel, die in Nederland nogal zeldzaam is. Het voormalige Oost-Duitsland lijkt veel natuurschoon te bieden en ons is, volgens de boeken, meren met kristal helder water beloofd. 
Brandenburg wordt de volgende stop. Daar blijven we een dag. Vanaf nu gaan we langzamer aan doen. Nog mindfuller en nog meer de omgeving vieren….

Zo kan het ook

Nog meer Mittellandkanaal

Die kras had een staartje. Nadat we de schade-plek ter grootte van een plakje ongebakken bratwürst met de meegebrachte verf hadden bewerkt, bleek de kleur niet de juiste te zijn. Veel te donker en zeker niet de kleur van ons schip. Uit frustratie zijn Jan Dirk, onze vriend van het schip waar we mee opvaren, en ik een zondebok gaan zoeken. De havenmeester bleek een uitstekend slachtoffer. Eerst begonnen we hem te melden dat de steigers verwaarloosd zijn en veel te scherpe ijzeren punten hebben. Dit onder het slaken van verwensingen in de vorm van het opnoemen van Nederlandse plaatsnamen met een hoog dondergehalte als Dordrecht, Beuningen, Deventer en Zuidhorn. Bij die laatste plaatsnaam trok de goede man bleek weg. Toen we hem ook nog eens aansprakelijk stelde voor het ontbreken van een bord bij de ingang van de haven met de mededeling dat er zuiging optreedt als een binnenvaartschip passeert, ging hij op zijn knieën en begon luid te snikken. Om nog wat zout in de wonden te smeren, vroeg ik hem wat er met de fiets van mijn vader was gebeurd aan het eind van de oorlog. Daarop stortte de man volledig in en vroeg ons of we misschien een biertje van het huis wilden. Na de nodige biertjes hebben we hem de gebreken van de haven vergeven en vrede gesloten en gezamenlijk een ‘wiedergutmachungs-schnitzel'( de term is gejat van Jiskefet ) gegeten. De schnitzel was lekker en de Salat-beilage ‘herzhaft und frisch’. 
De nacht na de dag van de kras heb ik niet goed geslapen. Terugkerende beelden van steeds meer deuken en krassen in de romp van de Nine Marit bevolkten mijn onrustige dromen. Het ergste was dat ik het potje met de harder voor de verf niet open kon krijgen, hoe hard Jan Dirk en ik er later met z’n tweeën op los beukten.  
Inmiddels varen we al weer op het Mittellandkanaal. De warme miezer-regen uit een grijze wolkendeken valt gestaag en we luisteren naar NDR 3 cultur, een Duitse klassieke zender. Nog 4 uur te gaan naar  jachthaven Fallersleben even voor de Sülfeld sluis. Volgens een Duitse varensgast in Nienburg wordt het landschap na Brandenburg veel interessanter. 
Het ene na het andere Nederlandse vrachtschip passeert ons naar het westen. Het lijkt er het meeste op dat ze ladingen met zand en grint vervoeren. Moet Nederland opgehoogd worden? 
We zien ook grote jongens voorbijkomen met kolen of kolengruis en de enorme bergen met grijze steenresten doet me denken aan de winning van kalksteen dat verwerkt wordt tot cement. 
Op het Mittellandkanaal mogen de vrachtschepen niet hoger zijn dan 5.75 meter.
De bruggen zijn de beperkende factor. Omdat er schepen zijn die met hun kajuit die afmeting-beperking te boven gaan, hebben de botenbouwers er het volgende op gevonden. De hele stuurhut kan in het schip zakken, zodat het lijkt alsof de schipper gebukt achter zijn stuurwiel door een smalle spleet net over de lading heenkijkt. Het schip buigt met zijn “boven het dek uitstekende stuurhut” voor de bruggen. 
De sluis in Anderten heeft een vergelijkbare opzet als de sluis in Minden. We werden bijna 14 meter omhoog gestuwd. Achter in de sluis ging het met een collega sportboot-vaarder mis. Met de grootste moeite kon hij zijn schip bij de wal houden, motor in de vooruit en de boegschroef vol erbij. Alleen achter vastmaken in de sluis is niet handig. Heb ik eerder ook al eens gemerkt met ons zeilschip in de sluis bij Kornwerd.  Toen hij ons even later voorbij voer kon er geen blik in onze richting af….. laat staan een groet. Uit schaamte?
We tuffen vrolijk door. Volgende week wordt het mooi weer (zeggen ze).
P.S. Het eerste deel van deze blog berust niet op feiten. 

Minden, het Mittellandkanaal en een kras

Rustig varen we over de Weser zuidwaarts. De landelijke omgeving, licht glooiend, met hier en daar bossages oogt vriendelijk en ongerept. Een enkele boerderij op een terp verscholen in het groen prijkt boven de graslanden uit. We zien velden met graan en vlas.Tussen het tere blauw van het vlas lichten felrode klaprozen op. We zien veel vogels, kuifeendjes, een eenzame zaagbek, ganzen en ooievaars. Die laatsten doen duidelijk niet aan de hen toegedichte geboortebevordering, want er wonen hier niet veel mensen.   
Buizerds en valken worden hier goed bediend, gezien het enthousiasme dat onze teckel had voor de vele muizenholletjes op het jachthaven-terrein waar we afgelopen nacht lagen.
Het sluizen gaat ons steeds makkelijker af. Het gebruik van de middenbolder op ons schip blijkt in de sluizen met slechts enkele verticale bolder-rijen de beste manier om ons schip te begeleiden. Met elk een lijn in de aanslag grijpen we beurtelings de bovenliggende bolder in de sluiswand, terwijl we zo’n 5 tot 8 meter omhoog gaan. De sluizen zijn groot en de vulling met water gaat rustig. Het is alleen lastig als er een beroepsvaartuig voor je ligt die zijn schroef niet uitzet.  
Er is weinig beroepsvaart op de Weser. In het algemeen varen de vol beladen schepen rustig. 
Het zijn eerder de ‘sportboten’ zoals de Duitsers zeggen die de meeste golven veroorzaken.  
Het plan is om met nog een tussenstop in Nienburg naar Minden te varen, alwaar we het Mittellandkanaal op gaan richting het oosten. Bij Minden komen we bij een kruising van vaarwegen, je zou kunnen zeggen een soort “dubbel aquaduct” van de Weser en het Mittellandkanaal, de laatste hoog boven de eerste verheven. Het moet volgens de pilot een spectaculair kunstwerk zijn, waarbij we ruim 10 meter omhoog gesluisd worden. 
De volgende dag.
Inderdaad het ging 13 meter omhoog in de sluis van Minden. In de sluis passen slechts schepen tot een lengte van 85 meter. Ze zijn druk aan het werk om alles nog een beetje groter te maken. 
De sluis invaren lijkt op het binnenvaren in een kasteel met een grote ophaalbrug net achter een korte tunnel in een buitenmuur. Die ophaalbrug ziet er uit als een guillotine en ik griezel bij de gedachte dat je er met je scheepje per ongeluk net onder ligt als die schuif van boven naar beneden komt. Met een luid geraas klapte de schuif dicht en leek het alsof we gevangen werden in een olifantenval van gigantische afmetingen. Het schutten gebeurde in golven, een stuk snel omhoog en daarna even rust. Naast de sluis liggen spaarbekkens van waaruit de sluis gevuld wordt. Blijkbaar willen ze van het bovenliggende kanaal geen waterstroom richting sluis hebben als er geschut wordt. Als je bedenkt dat de sluis en het Mittellandkanaal al in het begin van de vorige eeuw gemaakt zijn is dit een technisch hoogstandje. Naast de oude kanaalbrug over de Weser is inmiddels een nieuwere gebouwd. 
Het kanaal is vrij breed en af en toe kijkt je tussen de bomen door over het meestal lager liggende land, waar je dorpjes en boerderijen in een glooiend landschap ziet liggen. 
De beroepsvaart langs deze ‘Vaarbaan’ door midden-Duitsland jakkert lekker door. Ze mogen niet( wij ook niet) harder varen dan 12 km per uur, maar doen dat naar mijn smaak wel.  Door hun lading, laag in het water liggend, varen ze in het midden van het vaarwater. Er is gelukkig  genoeg ruimte voor ons om uit te wijken. 
Bij km-paal 135 zien we aan bakboord een grote afgeplatte berg die me doet denken aan Ayersrock in het grijs in het midden van Australië waar ik overigens nooit geweest ben maar wel foto’s van heb gezien. Waarschijnlijk een afvalberg van een of andere mijn. 
De stop in Idensen, een klein haventje bezorgde me een klein trauma. Op het moment dat ik poogde Nine Marit in de box te manoeuvreren kwam er een groot binnenvaartschip langs die het haventje deels leegzoog, met als gevolg een beschadiging van de lak door een onzacht contact met een stalen  steigerpunt.  Gelukkig geen deuk maar alleen wat verfschade, waar inmiddels alweer een lik verf op zit. Klusje voor de schilder in de winterberging, om het mooi af te werken. De deuk in mijn ego, moet ik maar voor lief nemen. Weer een les geleerd; niet alleen het schroefwater maar ook de zuiging van voorbijgaande schepen doet je scheepje onverwachte kapriolen maken……

De Hunte, de Weser en Bremen

Het zou een saai stuk zijn, het Küstenkanaal naar Oldenburg. Met een snelheid van 10-11 km per uur tuften we tussen de bomen door, de stuurautomaat aan en af en toe een beetje bijsturen. Onderweg probeerden we op voorstel van onze vrienden, de bomen en planten die we zagen te determineren aan de hand van oude kennis, want een plantenboek hebben we niet aan boord. Staat inmiddels op het lijstje ‘ meenemen voor de volgende reis’. Het saaie stuk bleek zo minder saai als voorspeld. 

Surwold is een genoeglijk klein haventje waar we met enig gepiel achterwaarts in een box konden parkeren. Het manoeuvreren gaat me steeds makkelijker af omdat de afmetingen van het schip me eigen aan het worden zijn. Net zoals een buschauffeur zijn bewustzijn weet uit te breiden over de afmetingen van de bus, zo word ik in mijn bewustzijn zo groot als de boot. Ik kwispel met de kont van het schip als een blij hondje, al naar gelang de kant die ik op wil. Tevens merkte ik dat ik met het afgaande tij de Hunte af varend een beetje gas moest bijgeven om niet als een dronken eendje door het nat van de rivier te zwabberen. 
Naar stuurboord de Weser opvarend opent zich een wijdse rivier die ons deed denken aan de River Deben aan de oostkust van Engeland. Op beide oevers zijn strandjes waar het wemelt van de vogels, hier en daar een badgast en zelfs een enkele zeehond. Het stuk van de monding van de Hunte tot Bremen is nog ongeveer 35 km varen, aanvankelijk traag vorderend door het staartje van de ebstroom, maar later veel sneller door de opkomende vloed. 
De Weser bevalt ons wel en we zijn benieuwd hoe het landschap verderop eruit gaat zien. 
Nee, motorboot varen is beslist niet saai en we zijn ’s avonds beiden moe alsof we een dag ingespannen gezeild hebben.  
Vandaag hebben we na aankomst een stukje Bremen bekeken. De altstadt heeft mooie middeleeuwse straatjes en een marktplein met een schitterend raadhuis waarvan een deel dateert uit begin 1400. Als Hanzestad doet Bremen met zijn altstadt enigszins denken aan steden als Antwerpen en Brugge, die geen echte Hanzesteden waren maar wel de dependances en kantoren bezaten. Rijk versierde gevels etaleerden de rijkdom die deze handelssteden in de loop der tijd vergaarden.
Terwijl wij met onze vrienden op de markt genoten van een plas troebel Duits bier in een heel groot glas, werden we opgeschrikt door een tram die dwars over het plein, de rails schurend, voorbij reed. Een belediging voor het raadhuis en al die mooie panden. Gelijk dichtgooien die rails en de paardenkoetsen in ere herstellen, zou ik zeggen. 
Op zondag was het Paula Modersohn-Becker museum open. Nienke kende haar van naam, ik had nog nooit van haar gehoord. Ze werd  in 1876 in Dresden geboren en woonde later in Bremen waar ze zich tot schilderes ontwikkelde. Bij het bekijken van haar schilderijen bekroop me het gevoel dat ze het werk van Gauguin en van Gogh had gezien en er door geïnspireerd was geraakt. Kleurgebruik en onderwerpen getuigen van een moderne blik in die tijd rond de eeuwwisseling. In de ogen van haar zelfportretten herken ik de dromerigheid en kwetsbaarheid van een gevoelige vrouw zoals we dat ook zagen in zelfportretten van de Friese schilder Jan Mankes, die in dezelfde tijd leefde. 
Ze is 6 jaar getrouwd met Otto Modersohn als ze haar vriend Rainer Maria Rilke toevertrouwd dat ze eigenlijk van hem wil scheiden. In Parijs werkt ze tot 4 maal toe gedurende een paar maanden en ziet onder andere het werk van Gauguin. Uiteindelijk gaat ze, samen met haar man Otto, terug naar Worpswede, het kunstenaarsdorp bij Bremen, waar ze  op 2 november 1907 haar dochter Mathilde ter wereld brengt en 18 dagen later, 31 jaar oud, overlijdt aan een longembolie. 
We lagen met de Nine Marit aan een drijvende steiger langs de noordkade (de rechteroever). Wonderlijke havenmeesters hebben ze hier in dit deel van Duitsland. Het zijn vaak oudere mannen, die naar het lijkt ‘vrijwillig’ tot havenmeester zijn gebombardeerd door de directrice van het oudemannenhuis. De man in Bremen is ook weer een fenomeen. Hij schatte minzaam de lengte van het schip van onze vrienden op 14 meter omdat er een rubber boot achter in de davits hing. Ze moesten dan ook €2 euro meer betalen omdat ze 2 meter uitstaken. Zijn fysiek deed me denken aan een  gekrompen Noorse trol en hij was slecht te verstaan, maar dat kwam waarschijnlijk omdat ik mijn gehoorapparaten niet in had. 
De havenmeester in Oldenburg was daarentegen een gezellige dikkerd die plat Duits sprak zodat ik  gewoon in het Nederlands met een quasi -Gronings accent mijn zegje kon doen.   
Wat me telkens weer verbaast is dat je voor weinig geld in Duitsland uitstekend kunt eten. Waarom kan dat niet in Nederland? Is de inkoop van het eten zoveel duurder dan in Duitsland? Of hebben ze in Nederland voor het personeel in de horeca een betere cao?
Wie legt me dat een keer uit?
Terwijl ik dit schrijf roffelt de regen op het dak en de vooruitzichten voor morgen zijn ook niet best.
Mag het nu eindelijk eens een beetje beter weer worden? De herfst is nog ver weg en zouden we niet eerst nog zomer krijgen? Gelukkig zitten we binnen droog en zeilpakken voor buiten in de kuip hebben we tijdens het varen niet nodig. Wat is motorboot varen prettig anders……

Over de Eems, Leer, een brugwachter die ook havenmeester is en de werf Meyer in Papenburg

                                  Op het zout van de Eems stuiven we met de vloedstroom mee naar het zuiden. Het water kleurt steeds bruiner van het, door de grote vrachtschepen omhoog gewoelde slib op onze weg richting  Emden, Leer en Papenburg. Aanvankelijk breed, versmalt de Eems zich naar het zuiden en doet mij denken aan stukken van het Lauwersmeer en het  Reitdiep in Groningen. 

Onze eerste stop is Leer waar ik in de jaren 70, net co-assistent, in de zomer een paar maanden mocht werken als arts-assistent op de afdeling Chirurgie. Er was in die tijd een groot tekort aan artsen in Duitsland en hulp vanuit Nederland was erg welkom. 
Binnenkomend na de sluis in de brede stadshaven werden we omzwermd door skiffs, viertjes en Canadese meermans kano’s. Ik herkende niets van de omgeving, blijkbaar was de focus destijds op het ziekenhuis en de werkzaamheden aldaar groter dan de belangstelling voor het stadje.
Om een plek voor het schip te zoeken moesten we nog een brug passeren. De brugwachter die volgens de pilot ook de havenmeester is, liet lang op zich wachten. Na een half uur dobberen was er eindelijk een opening van de brug. Omdat we tijdens het varen door de brug wel iets uit het raam zagen hangen, een lichaam met een hoofd, nogal rood en gezwollen, maar zonder iets te zeggen, ontstond bij ons het idee dat de brugwachter in de uitoefening van zijn functie misschien was overleden. Toen deze man later, onder de pet van havenmeester, maar niet verscheen om het havengeld te innen begon ons idee steeds grotere vormen aan te nemen. Was hij inderdaad overleden en was hij na onze passage misschien ongezien voorover uit zijn brugwachtershuisje in het water gedonderd?  Het was wel vreemd dat de brug de volgende dag  weer werd geopend. Ik zag het hoofd niet, maar Nienke verzekerde me dat het een andere man was, die ons zonder om het verschuldigde havengeld te vragen, doorliet. 
Het oude stadsdeel van Leer is charmant en authentiek. Op de lange winkelstraat waren we echter snel uitgekeken. Een leuk marktje vlakbij, waar we met ons schip lagen, voorzag ons van allerhande heerlijk zomerfruit  en versgebakken brood uit een houtoven op een kar. 
Het tochtje naar Papenburg verliep vlekkeloos. Het water van de Eems wordt hier nog bruiner, de modder kolkt omhoog bij het passeren van een schip dat stroomafwaarts vaart. De sluizen draaien op een paar vaste tijden en niet altijd bij laag water. Een tjalk die iets te laat bij de sluis kwam werd niet meer geschut en moest 4 uur wachten tot de volgende schutting. Een vermakelijke discussie  over de marifoon of hij dan misschien behoorde tot de beroepsvaart omdat hij als ‘sportboot’ 15 meter lang was, kon de sluismeester niet vermurwen.
Papenburg is beroemd om de ‘Meyer-werft’. Eén van de  werven die de grootste cruiseschepen ter wereld bouwen. We bezochten de werf onder het genot van een traag bewegende bejaarden-groep waar we bij mochten aansluiten. Er was ook een een stel met een jong kind dat regelmatig een keel opzette waardoor we de gids niet konden verstaan. Ondanks dreigementen en sussende woorden van de jonge ouders bleef het kind zijn desinteresse etaleren, wat ik best snap als je net 1 1/2 bent geworden. 
Het is een indrukwekkend gebeuren in die twee grote hallen. Er wordt aan meerdere schepen in delen gebouwd die later aan elkaar gelast worden. Een cruiseschip bouwen kost ongeveer een jaar tot 20 maanden!  De gastencabins worden elders compleet met bedden, verlichting en sanitair voorbereid en ’s nachts met kranen van buiten naar binnen op hun plaats in het cruiseschip geschoven. 
Het meest spannende is de te waterlating en het vervoer over de Eems naar zee. 
Daartoe wordt het waterpeil van de Eems door sluiting van de stuw voor Emden kunstmatig verhoogd met 4 meter. Het cruiseschip gaat dan op eigen kracht achterwaarts, bijgestuurd door 2 slepers, achter en voor, richting Eemshaven, waar het verder geballast en zeewaardig wordt gemaakt. Daarna beginnen de proefvaarten en krijgt de nieuwe bemanning instructies voor het hanteren van het schip. Tot Eemshaven heeft de werf haar eigen kapitein en bemanning. De speelruimte tussen de bruggenhoofden onderweg naar Eemshaven is soms niet meer dan één meter aan beide zijden van het schip. 
Het moet een spectaculair gezicht zijn als zo’n zeereus over de Eems naar buiten wordt gesleept. 
De sluizen op de Eems zijn niet echt ingesteld op kleine schepen. De damwanden zijn vaak van staal met nissen waar fenders in verzuipen. Een fenderplank is een mooi middel om die nissen te omzeilen. Een plank van ongeveer 1 1/2 meter lijkt me voldoende om je schip zonder krassen en deuken door de sluis te loodsen. 
Vandaag varen we verder de Eems op, daarna via het  Küstenkanaal naar de Weser en Bremen.
P.S. De brugwachter is niet echt dood maar leeft nog.