Storm

Meerkoet op het ijs, lijkt wel of hij zich schuldig voelt.

De heftige storm op de zondag na het zaterdagse gezellige Pollardvaarders-uurtje op Boot Holland had voor ons nog een kleine verrassing.

Vorig jaar in een eerdere blog sprak ik over de Meerkoeten die ons schip in de winter als openbaar toilet gebruikten.

De loods waar Nine Marit ligt heeft geen deur vanaf het water. Het is eigenlijk een soort carport voor een schip. Makkelijk bij het in- en uitvaren, maar daardoor ook makkelijk voor het in- en uitzwemmen voor watervogels. De loods heeft aan de westzijde kanteldeuren. Wij liggen met ons schip in de oostzijde. Omdat we tijdens eerdere winters ontdekten dat het zwemplateau een ideale verzamelplaats was voor onze ‘gevederde kak-vrienden’, hebben we de laatste twee winters Nine Marit omgekeerd in de box gelegd, de boeg richting de open kant.

Op de kopse kant van de loods is een toegangsdeur naar een middensteiger met links en rechts smalle, uitstaande tussen-steigers als de graten van een vis. Over die smalle graten lopen is zoiets als fietsen op een evenwichtsbalk met aan beide kanten het weinig aanlokkelijk koude en donkere water. Met wat houvast aan de zeereling is erover lopen is geen probleem, iets verder op de steiger, zonder steun, is het wat hachelijker, zeker als het hard waait. Het prettigste om bij het verste uiteinde te komen is het om op je knieën als een krab langzaam naar voren te kruipen, de ogen gericht op de reddende steun-paal die houvast moet geven. Nu denk je wellicht, daar hoef je toch niet te zijn? Nee, meestal niet, maar voor het vast zetten van een onwillig wapperend zeil dat met een lang elastiek deels over het voorschip en deels dwars over de ingang van de box gespannen moet worden, moet je wel naar het uiteinde van die rottige smalle plank kruipen.

Vorige winter hadden we een zeil, lekker voordelig aangeschaft bij de Welkoop, om de boeg gespannen, over het voordek met de neergeklapte mast, waardoor het dekzeil op meerderde plekken kapot ging op de scherpe uitsteeksels van de mast. De meerkoeten vonden het alsnog een aantrekkelijke plek om op de door het zeil overdekte zeereling hun gemak te nemen en daar onbekommerd hun ontlasting op de vingersteigers en het zeil te deponeren. Conclusie: Geen goede constructie.

Deze winter dachten we het anders te doen. Uit voorzorg hadden we de mast ingepakt met schuimplastic om te voorkomen dat er weer schaviel-plekken in het zeil zouden ontstaan. Het zeil spanden we uit tot over de zijsteigers om de heren en dames zwemvogels een schuin aflopende en wankele ondergrond te bieden, té onaantrekkelijk voor een rustige nacht vanwege het ongetwijfeld af en toe klapperde dekzeil. Voor het eerst dit jaar geen poepje te bekennen. Hoera!

Echter…….we hielden geen rekening met de wind die het dit jaar nodig vond, met stormkracht de loods te geselen. Het vlakke deel van het zeil klapperde als een lamme vogel omhoog richting het dak. Het elastiek was los geschoten en een poging om het elastiek met de pikhaak naar me toe te hengelen mislukte, terwijl de stormwind zijn best deed om me, balancerend op mijn knieën op de vooruitgestoken vingersteiger, het water in te donderen. Met een dun draadje zat het dekzeil nog vast en met het aanspannen van de andere loszittende lijntjes heb ik het maar even gelaten. De volgende dag, de wind was eindelijk gaan liggen, heb ik samen met mijn lief, ze is veel handiger op de evenwichtsbalken, het zeil geborgen. Nine Marit ligt nu in volle glorie, zonder zeil de lente af te wachten. Een enkel vogelpoepje mag haar niet deren.

Gisteren nog even bij het schip geweest. Geen poep te bekennen. De neiging om met z’n allen terug te keren naar de van ouds bekende overnachtingsplek zijn de Meerkoeten naar het lijkt vergeten…..

Bloesem, gestolen uit het park

Couleur Locale

Pijnbomen bij Malaga

Met zijn grote donkere ogen onder de piekende zwarte haren keek hij me onderzoekend aan. Hoe oud zou hij zijn? 3-4 jaar. Duidelijk jonger dan zijn broer die hem af en toe speels op zijn rug nam. Het Spaans dat hij sprak kon ik niet verstaan. Een vraag, een poging tot contact?

De familie, opa, oma, zwangere dochter met haar man, twee kinderen en moeders jongere zusje zaten na te genieten van de lunch in het restaurant. Onderweg naar Malaga over de slingerweg door de bergen maakten we een stop voor een kop thee bij dit vriendelijke restaurant, prachtig gelegen in de bocht van de weg met uitzicht op de overhangende pijnbomen die zich met hun getordeerde wortels vastklampten aan de steile rots-helling. Het restaurant werd beheerd door een gezin. Oma en moeder in de keuken, vader en dochter achter de bar en in de bediening. Opa reinigde de ramen van de tussendeur naar het tweede gedeelte van het restaurant. Hij deed dat zo professioneel en handig, dat we beide gefascineerd toekeken. Hij zeepte met een spons een raam in, om vervolgens met de wisser in een kunstige dans over het glas in twee halen de zeep te verwijderen.

Op de tafel van een tweede familie stond een half leeggegeten pan met paella, waarvan ik het overgeblevene best nog even soldaat had willen maken. De beide Spaanse familie deden precies wat veel Spanjaarden in de middag het liefste doen. Samen uitgebreid tafelen van 2 tot 4 en vooral luid praten. Er was slechts één persoon die al dat gepraat niet zo zag zitten. Het jongere zusje van de zwangere moeder hing met een verveeld gezicht voorover op het tafeleinde, de beste plek om je wat afzijdig te houden. Als puber vind je de gesprekken van je familie niet interessant. Liever zag ze een filmpje of had ze een chat met een vriendin of vriendje.

Er zat een man in het deel van het restaurant waar zich ook de bar bevond. Hij at een portie frites met een lap gebakken vlees. In Spanje heb ik niet vaak goed gebakken frites gehad. Er wordt te kort en bij een te lage temperatuur gebakken, waardoor de frites de olie opzuigt en slap op je bord geparkeerd wordt. Ja, we aten een keer goede frites bij de lunch, maar die was gebakken door een Engelse kok. Hij was ook een meester in het bakken van vis. Het bier-beslag om de vis maakte dat de vis min of meer gaar stoomde in de knapperige korst. Als de vis dan ook nog spartelend vers is, heb je een originele Fish and Chips op je bord. De Spanjaarden moeten zich maar houden aan de bereiding van paella of de vele heerlijke tapas, die in de buurt van San Sebastián in het noordwesten van Spanje superieur zouden zijn.

Andalusië is een arm deel van Spanje. De dorpjes in de bergen ogen leeg. Oudere vrouwen en mannen, krom van hun zware bestaan, schuifelen moeizaam door de steile straatjes. Hun gegroefde gelaat naar de grond afgewend zijn ze nauwelijks in staat tot het beantwoorden van een groet. Wat ons aan de andere kant opvalt is de vriendelijkheid van de mensen in de winkels en de restaurants. Mijn pogingen om tijdens het afrekenen in een restaurant vast een fooi te geven door een hoger bedrag te laten berekenen, werd steevast beantwoord door eerst het volledig verschuldigde retour bedrag te geven. Het blijft merkwaardig dat een kopje espresso, un Café Solo, slechts 1 euro kost. En dat je voor een driegangen lunch inclusief een glas wijn en een kop koffie 10 euro hoeft neer te tellen. Het is geen haut-cuisine. Ik noem het een boerenkeuken, vaak wat aan de vettige kant, maar eerlijk gemaakt. De salades waren bij ons favoriet, rijk gevuld met de lelijkste maar wel lekkerste tomaten, verse snippers pittige ui, bietjes, wortelrasp en tonijn.

Andalusië is een oud en ruig boerenland met afgesleten bergtoppen waar net als als bij de Dolomieten rotspartijen steil omhoog pieken. De olijfbomen zijn oud en de hellingen langs de weg bezaaid met wilde rozemarijn en asperge-struiken. De doorgaande wegen zijn van uitstekende kwaliteit en goed onderhouden. De onverharde wegen zijn uitdagend en niet bepaald geschikt voor vlaklanders met hoogtevrees….

Het binnenland van Andalusië, een deel van Spanje, dat nog weinig van zijn authenticiteit heeft verloren.

Comares

Nu eens niet vanaf het water

Comares, zuidkust van Spanje

Vlak bij het huis

Nee, we voeren niet met de Nine Marit naar Spanje. Ze ligt rustig in haar overdekte box te wachten op het voorjaar. Achterstevoren met een zeiltje over haar voordek om de meerkoeten te ontmoedigen haar als openbaar toilet te gebruiken.

Inmiddels zitten we al weer drie weken in de bergen 20 km ten noord-oosten van Malaga. Nogal een contrast met het vlakke Friesland. Het huis dat we huren ligt op een rotspunt vanwaar we uitkijken over het dal en de zee. De zon rijst bij opkomst aan de horizon als een goud gelokte zeemeermin uit zee en duikt in de avond achter de contouren van het bergen. Vrij snel daarna, als de schemering is overgegaan in het duister, zien we de lichten van Velez-Malaga twinkelen tussen de nog net zichtbare glooiende bergwanden aan weerszijden van het dal. Een enkele lamp bij een huis op een helling verraadt de aanwezigheid van bewoning.

Het is stil in de bergen. De talrijke vogel-geluiden van het laatste uur van de schemering zijn verstomd. Na de warme zon van overdag wordt het hier snel koud. Binnen gaat de gaskachel of de open haard aan. De laatste weken heeft het nauwelijks gewaaid en afgezien van een paar bewolkte dagen hebben we meestal een zonnetje boven het huis. De uitdagende omhoog kronkelende paden en weggetjes die we zowat iedere dag beklimmen lijken met de dag minder steil. Onze conditie is flink verbeterd. Eigenlijk ervaren we het verblijf als een retraite, geen andere mensen, niets anders dan de natuur.

Helemaal in afzondering weg van het wereldgebeuren zijn we niet. We hebben internet en Nederlandse televisie. De oudejaarsconference van Claudia was top.

De oven in het huis hebben we meermalen gebruikt om koeken en taarten te bakken. Een taart die er heerlijk uitzag maar vies smaakte, bleek behept te zijn met de smaak van een rot ei. Blijkbaar had ik een van de eieren bij de voorbereiding vergeten te besnuffelen .

Overdenkend hoe het is om te varen met de Nine Marit of te verblijven in de bergen bij Comares, merk ik dat een vergelijking lastig is. Varen met ons schip over de meren rond Sneek en in Duitsland en Denemarken of ver van huis wandelen in de Spaanse bergen vanuit een luxe vaste plek in de winterzon. Het maakt nogal wat uit of je je in een varend schip ‘blootstelt’ aan een voortdurend veranderende omgeving of vanuit een vaste plek de omgeving verkent door zelf de kuierlatten te nemen. Consumptie versus moeite doen, kijkend varen versus actief zelf bewegen, ontspanning versus inspanning. Een opleider tijdens mijn studie zei; ‘de zomer is voor ontspanning en de winter is voor introspectie, in de zomer is de natuur uitbundig in de winter trekt alles zich terug’. Het zijn de verschillende seizoenen die meestal onbewust de neigingen en stemming van ons mensen beïnvloeden. In de zomer de bloemetjes buiten zetten en in de winter werken aan de innerlijke mens en het lijf om in conditie te blijven. Ik vind het opmerkelijk hoe snel ik in deze maand teruggetrokken leven ‘los’ kwam van een vaak aanwezige onrust en gejaagdheid, alleen maar door hier op deze mooie plek te wandelen en te ‘zijn’. Niet bezig zijn met wat er moet, niet bezig met anticiperen op mogelijke beren op de weg, geen malende zinnige of onzinnige gedachten.

Ja, straks moeten de koffers gepakt worden, en moeten we de koelkast leeg hebben, maar dat zijn overzienbare kleinigheden. Een reiziger te zijn met slechts een koffer, ver van eigen haard, op een tijdelijke plek waar je slechts summier zorg voor hoeft te hebben. Het is een bijzondere luxe.

En als we volgende week gaan inpakken voor de terugreis, is er het groeiende verlangen naar het eigen bed, de eigen douche, het eigen servies, de eigen scherpe messen in de keuken, het bezoek aan zoon, schoondochter en kleinkinderen, boodschappen doen bij de AH, de buren die de post uit het vak hebben, de blik op het water en de Waterpoort, een wandeling langs het Sneekermeer, zelfgemaakte nasi goreng en vooral even kijken hoe de Nine Marit het heeft in haar winterverblijf……

De amandelbomen zijn net in bloei

Thuis

Niet thuis, niet ons huis. Wel vlakbij, Epemastate

Een eitje en een ontbijtje, op zondag, gewoon thuis. Het valt ons niet mee om na 2 1/2 maand weer gewoon thuis te zijn. Het bootleven even loslaten en constateren dat tientallen spinnen op onze ramen aan de voorgevel driftig op jacht zijn geweest en hun fecaliën lustig op onze kozijnen hebben gedeponeerd, was niet direct het ‘welkom thuis’ dat we verwachtten. Een miereninvasie via de kieren van de achterdeur hebben we net weten te voorkomen met een ontmoedigings-beleid bestaande uit het strooien van een nogal onsympathiek wit poeder voor de drempel.

Omschakelen van vrijwillig in beweging zijn naar in beweging te moeten voelt als een verplichting. Het huis en alles wat daaromheen belangrijk is, heeft een bredere basis dan het relatief eenvoudige bootleven. Voordat je vertrekt is er het nodige werk om je schip bewoonbaar en leefbaar te maken, eenmaal onderweg ligt de focus op het varen en de steeds wisselende aspecten van de buitenwereld die de knop van verwondering ingedrukt houdt. Laat ik me niet al te negatief uiten over weer thuis zijn. Ik merk slechts dat het overschakelen moeite kost. We slapen langer dan aan boord en overdag vallen er gaten in de dag waarop we anders achter het roer zouden zitten. Aanvankelijk in beslag genomen door het lezen van de stapel post, de was, boodschappen, de roos die de achterdeur probeert te omhelzen en de badkamer die muf ruikt, ontstaat er na een paar dagen achterstallige zaken wegwerken een situatie waarin het meeste ‘klaar’ is. De verdere invulling van het ‘normale leven’ moet dan nog geschieden. Ik vraag me dan wel af wat het ‘normale leven’ is. Want niets blijkt normaal als je het nader beschouwt. Tijdens onze afwezigheid is er veel gebeurd, vrienden en buren hebben hun verhalen. Niet alles heeft onze belangstelling. Belangrijker vonden we het om eerst de sociale contacten aan te scherpen, na te praten over onze reis, vrienden te bezoeken. Stiekem denk ik al weer aan gaan varen, wat we zeker gaan doen, al is het nu en dan voor enkele dagen.

Het ontbijt op zondag, net als aan boord, is een ritueel dat we ook tijdens ons werkzame leven plachten te handhaven. Klassieke muziek, een pianoconcert op de achtergrond. Heel ‘normaal’ en rustgevend, een moment om plannen te maken en de week in te gaan. Het is bepaald een luxe de vrijheid te hebben om accenten te leggen waarmee we ons gepensioneerd bestaan opleuken en invulling geven. We zijn bevoorrecht. Aandacht voor het wereld-gebeuren stemt me vaak somber en ik weet dat het niets uithaalt me er druk over te maken. Daarentegen besef ik donders goed dat we hier in Nederland een goed leven hebben. Tijdens het varen kwamen we in arme streken zoals in Polen en in het noorden van Duitsland, waar je iets proeft van vroegere tijden. Het lijkt me niet makkelijk om in deze afgelegen contreien de touwtjes aan elkaar te knopen. De huizen zijn soms niet goed onderhouden, en je ziet verlaten en vervallen gebouwen langs het water. De walkanten langs delen van de kanalen in Oost Friesland verdienen het nodige onderhoud.

Bijna overal waar we kwamen hebben we ervaren dat de mensen ondanks alles uiterst behulpzaam en vriendelijk waren.

Onderweg lagen we soms op plekken waar we in de verte de auto’s hoorden razen in een voor ons andere luidruchtiger wereld. Misschien is het aantrekkelijke van het varen wel, dat je gedompeld wordt in een werkelijkheid die gemakkelijker stemt tot introspectie in wisselwerking met de opgedane indrukken vanaf het water.

De mieren hebben sinds het witte poeder de invasie via de achterdeur afgeblazen. Nu bouwen ze een aanval op bij het slaapkamerraam. We blijven alert en moeten de grenzen bewaken, Gut, waar heb ik dat eerder gehoord?…..

Emden en de Eems. over een ongelukkige snoekbaars en het Groninger Museum

De Kesselschleuse

Met drie motorboten voeren we achter elkaar het Ems-Jadekanaal op. Met Een Staverse kotter en een Amerikaanse motorboot met 3 Engelsen en later voegden zich nog 2 motorboten bij ons waarmee in kiel-linie westwaarts voeren. Afgezien van een tijdje wachten voor een spoorwegbrug werden we vlot door de brugwachters bediend die telkens belden naar de volgende brug of voor een paar bruggen met ons mee fietsten. De paar sluizen die we passeerden waren soms wat aftands, maar wel bediend door uiterst behulpzame sluismeesters. Het kanaal door Oost Friesland is 72 kilometer lang. Komend vanuit Wilhelmshaven ligt ongeveer op 1/3 van de afstand het gehucht Marcardsmoor en op 2/3 het plaatsje Aurich. Het eind van het kanaal ligt bij Emden aan de Eems. Het gebied is landschappelijk zeer afwisselend, bossen, heuvels, laagland, voormalig moeras. We waanden ons in verloren tijden met de gemoedelijke sfeer van de jaren 50-60 van de vorige eeuw zoals je die nog zelden tegenkomt in ons overvolle land. In Marcardsmoor betaalden we voor nacht aan de langssteiger €7.50 en daarvoor konden we de keuken, de wc’s gebruiken, alles keurig schoon en jaren 60 ingericht.

In Emden is er nog één sluis op het kanaal, de Kesselschleuse. De sluis ziet eruit als een berenkuil gevuld met water en op de vier windstreken een sluisdeur. Bij aankomst voeren we eerst in een voorsluisje. Het water in de ketel stond lager en in verbinding met het haaks erop staande kanaal naar het noorden en het zuiden. Om de sluis door te kunnen richting de Eems, moet de ketel zich eerst vullen tot het niveau van het Ems-Jade kanaal dat enkele meters hoger ligt. Een leuk spel met sluisdeuren die open en dicht gaan, vooral als de jongeman het verkeerd uitlegt en er misverstanden ontstaan. Na de sluiskolk moesten we in een gedeelte van de sluis afmeren die op twee manieren af te sluiten was. Dat deden we verkeerd. We moesten achterwaarts in sluis terugvaren achter een paar extra sluisdeuren. Twee jonge eenden waren te laat om de sluis uit te peddelen. Moedereend keek stoïcijns vanaf de kant toe terwijl haar kroost in paniek rond krabbelde in het van alle kanten opborrelende sluiswater. Zij waren als eerste de sluis uit. Emden zomaar uitvaren was er niet bij. Het wachten was op de Eisenbahnbrücke en de zeesluis, die op vaste tijden draaien. Over een gladde Eems bereikten we aan het eind van de middag Delfzijl en voeren we na de zeesluis door naar de Groevesluis bij Appingedam waar we aan de wachtsteiger hebben overnacht. We lagen er nog maar net of de vrouw van een hengelaar kwam met de vraag of we een snoekbaars wilden hebben. Haar man had hem als eerste gevangen. Het was zijn gewoonte de eerste terug te gooien. Deze snoekbaars had echter een haak in zijn bek die er al langer in gezeten moet hebben en de vis zou volgens de man sowieso overlijden. Daarom de vraag ‘Of we interesse hadden?’. Hij heeft hem

ook nog voor ons schoongemaakt, een maaltje culinair, verse Snoekbaars, gratis ende voor niets. Na het bakken gaven we hem en zijn vrouw een stuk vis ter goedkeuring. Wij smulden van de rest, lekkerste zoetwatervis volgens onze zoon, de schipper.

Inmiddels liggen we weer in Groningen op de vertrouwde plek, de Oosterhaven, waar naast de haven bij het vallen van de duisternis een lachgasfestijn gaande was. We hoorden hoe de ballonnen gevuld werden met lachgas. De plek waar dit allemaal gebeurde lag de volgende dag bezaaid met lege ballonnen.

Als we in Groningen zijn bezoeken we meestal het museum. Daan Roosegaarde bracht met zijn lichtexpositie ‘Presence’ vele kinderen tot verrukking. Kreten van plezier klonken in de grote zaal waar ze met blote voeten door lichtgevende korrels gleden. Fascinerend hoe het opleggen van een hand, een voet of alleen je schaduw op de verschillende voorwerpen en de vloer een naijlende beeld creëerde dat vervolgens langzaam verdween. Op de bovenste verdieping hebben we langdurig een videoinstallatie bekeken van P. Struycken waarbij muziek van Pierre Boulez en Schkrabin met abstracte overvloeiende beelden tot een eenheid waren samengevoegd, eveneens indrukwekkend en betoverend. Tenslotte bezochten we de tentoonstelling over vrouwenkiesrecht die uitgebreid het verloop laat zien van hoe vrouwen rond het begin van de vorige eeuw tegen de heersende normen vochten voor gelijkwaardige rechten.

Groninger Museum, werk van Chihuly leuk object voor aan je muur.

Plan A, plan B, plan C van Cuxhaven naar Wilhelmshaven

De sluis van Wilhelmshaven

Lekker weer op komst in de jachthaven Germania

Cuxhaven. Even na de middag, een half uur na hoogwater gooiden we de trossen los. Wangerooge zou het reisdoel zijn. Ondanks de noordoosten wind en ondanks de ebstroom die we mee hadden was de verwachtte vlakke zee verder de Elbe af niet helemaal zo vlak als we hoopten. We rekenden op een tocht van ongeveer 6-7 uur. 42 mijl. Ter hoogte van de Weser- en de Jademonding in de Duitse bocht, werden de golven onaangenaam waarbij Nine Marit af en toe de horlepiep ging dansen. Liever hadden we een rumba of een Engelse wals gehad, maar dat kun je van te voren niet bestellen. Een onderweg opgehaald weerbericht had het over een windsterkte van Bf 4 in plaats van 2-3. Een Engelse motorboot zagen we afbuigen naar de Jade. Omdat we bij de weersvoorspelling zagen dat het de volgende dag zou gaan onweren met windbuien tot 30-35 knopen stapten we over op plan B, niet naar Wangerooge maar naar Hooksiel aan de Jade. Wel wat verder varen maar de stroom naar binnen zouden we mee hebben. Dat wel, echter de golven bleven van opzij komen, dus nog meer waggel- waggel horlepiep. De flessen en glazen in de kastjes waren met kussentjes gezekerd en zijn allemaal heel gebleven. Wij ook, zonder kussens. Bakboord uit voor de oostpunt van Wangerooge, langs Minseroog naar het zuid-westen. Met 8 knopen, 15-16 km per uur stoven we de Jade op. Een naderend baggervaartuig met in de mast 2 ballen en een ruit ertussen om aan te geven dat hij beperkt manoeuvreerbaar was, ontweken we door ruim aan zijn stuurboordzijde voorbij te varen.

Inmiddels was het bijna 20 uur. Plan B naar de binnenhaven van Hooksiel lukte niet omdat de sluis al dicht was. De buitenhaven was een optie. Nadat we vanwege de doorzettende vloedstroom, als een krab scheef naar binnen waren gevaren, vonden we aanleggen aan de stalen hoge spundwanden geen aantrekkelijk idee. Afmeren langszij één van de twee schepen had gekund als we bereid waren om 2 uur in de nacht op te hoepelen, omdat ze op dat tijdstip zouden vertrekken. Wat overbleef was Plan C, doorvaren naar Wilhelmshaven. We verlieten de haven, in eerste instantie nog flink opzij gezet door de vloedstroom, om naar Wilhelmshaven te varen. 7 mijl met 8 knopen SOG(snelheid over de grond). Langs grote loskades met kranen om containerschepen van hun lading te verlossen, jakkerden we verder terwijl de zon aan zijn laatste stukje naar de horizon begon. Het wateroppervlak van de Jade kwam geleidelijk tot rust en nog geen uur later draaiden we de voorhaven van Wilhelmshaven in. Een uur eerder hadden we de sluis opgeroepen of we erdoor konden. Tot onze verbazing voeren we af op een gigantische sluisdeur van bijna 60 meter breed die zich traag voor ons opende. Voor ons uit lag de op een na grootste sluis ter wereld(Antwerpen is een paar meter langer), 390 meter lang een 62 meter breed. Rechts naast ons een tweede sluis met dezelfde afmeting. Om de sluis zijn werk te laten doen moet je geduld hebben. Al met al voeren we pas 20 minuten later de sluis uit. De zon was onder en het werd al donker. Het vinden van een plek voor de nacht koste wat zoekwerk. Een paar mannen op de kant wat verder in de haven stonden te zwaaien en wenkten ons naar een aanlegplek. In een box van de Hochsee Yachtclub Germania meerden we achterwaarts af geholpen door vele handen. In totaal voeren we 9 uur vanaf Cuxhaven. Een beetje trillerig op de benen en moe doken we het bed in, heel tevreden met wat we hebben gepresteerd.

Nine Marit hebben we een klopje op haar flank gegeven om haar te bedanken voor de veilige overtocht.

Wilhelmshaven is niet de meest inspirerende stad. Aanvankelijk opgezet als een Marinegarnizoen in de tweede helft van de 19 e eeuw is het geleidelijk uitvergroot tot een stad met veel rechte straten. Erg veel kan ik er niet over zeggen omdat we er alleen even doorheen zijn gefietst en een wandeling langs de boulevard maakten. Het maritiem museum, groots opgezet met in de ‘tuin’ aan de waterkant een onderzeeër, een fregat en een torpedojager was het bezoek waard. Een ‘Rundgang’ door de onderzeeër was een aparte ervaring. Overal buizen, kranen, afsluiters en openers van kleppen en ventielen. Bij ieder instrument of iedere hendel stond een bordje met een tekst waarvoor het dient. Een vergissing is zomaar gemaakt. Lijkt me niet handig om diep onder water per ongeluk het gat voor de periscoop open te zetten. Een vrouw die voor ons door de enge pijpenla van de boot liep kreeg het claustrofobisch benauwd.De film ‘das Boot’ geeft een aardige impressie. Mij lijkt het helemaal niets in zo’n ‘onderwater-doodskist’.

De onderzeeër

Het dagje rust in Wilhelmshaven heeft ons goed gedaan. De volgende dag doken we het Ems- Jade Kanal in. Bruggen en sluizen zijn vaak handbediend. Het gaat langzaam, maar ook heel gemoedelijk met uiterst vriendelijke en behulpzame mensen. Landschappelijk een zeer fraai kanaal, al is er hier en daar wat achterstallig onderhoud. Aurich, halverwege het kanaal, is zeer de moeite waard om er een dag te blijven. Goede aanlegmogelijkheden, de eerste nacht is gratis en de jachthaven heeft een mooi toiletgebouw waar als je binnenkomt een muziekje te horen is…..

Deze sluisdeur heeft het moeilijk

Cuxhaven

‘Raucher Kneipe, nicht Raucher sind auch willkommen’. Een rook café, waar ook niet rokers welkom zijn, lees ik op de ruit van een kroegje in Cuxhaven. Daar gaan we maar niet naar toe, dacht ik zo.

De weersvooruitzichten lijken motorboot-vriendelijker te worden. De twijfel is weg, we gaan de Elbe af, naar Wangerooge met een tussenstop in Cuxhaven, waar we nu zijn.

De harde oostenwind was gisteren wat afgenomen en met het aflopende tij hobbelden we vlot naar Cux. Doorvaren was niet aan de orde, bij de uiterton Elbe 1 woei het nog Bf 4-5 en stonden er golven van een meter of meer. In de veronderstelling slim te zijn en geen zin in de gebruikelijke jachthaven af te meren, floepten we de Amerikahafen binnen, een stukje oostelijk van het centrum. Na twee keer op een andere plek in de jachthaven te hebben aangelegd, merkten we dat het door de oostenwind behoorlijk deinde. Toen we ook nog merkten dat de drijfsteiger kraakte en piepte als een oude windmolen groeide het besef dat dit geen goede keus voor een rustige nacht was. Brunsbüttel was niet fijn, de Amerikahafen was belabberd, zeker nadat we van een toevallige passant op de steiger hoorden dat er naast de jachthaven achter de grote muur een overslag- terminal was waar men grind, gruis en zand pleegt over te hevelen in vrachtschepen. Soms ook ‘s nachts. In combinatie met een stevige oostenwind, loop je de volgende dag over een grindpad in je gangboord naar voren om de lijntjes los te gooien. De nacht daar doorbrengen, en het vooruitzicht een tuintje van je dek te maken leek ons geen goed idee. Dus belden we naar de grote jachthaven. Er was misschien wel een plek, maar de invalster van de havenmeester wist niet of we in de box zouden passen. Er bleef nog een optie over. De city marina Cuxhaven. Daarvoor moesten we door een openstaande sluis met een joekel van een klapbrug, overigens zonder veel geklap, of het moesten de mensen zijn die applaudisseerden toen we er onderdoor voeren. De havenmeester die we hadden gevraagd of er plek voor ons was, had ons een plaatsje aan een langssteiger aanbevolen, vlak onder een bouwterrein waar heel optimistisch een rood bord stond dat er wel eens wat bouwmateriaal over de rand kon vallen. Op je schip wel te verstaan. Terugvarend vonden we een plek gewoon in de marina, in een box. Prima plek, al gebruikte de havenmeester wel zijn expertise om te stellen dat we een erg groot schip hebben en dat we daarom voor twee boxen liggeld moesten betalen. Alsof we een catamaran zijn, potverdrie. De volgende dag ging ik met de man in discussie, waar hij me fijntjes wees op een bepaling in de voorschriften van de haven: ‘De havenmeester bepaalt hoe lang of breed het schip is’. Hij was zelfs bereid om het schip zelf te komen opmeten om aan te tonen dat de Nine Marit groter is dan de 11.90 meter die ik had gezegd. De ellende is dat hij dan wel gelijk krijgt, want een nauwkeurige meting die ik een paar geleden met onze vrienden uitvoerde kwam uit op 11.97,5 m. Dus dat voorstel heb ik maar laten schieten. Na enige zelfreflectie moet ik bekennen dat dit gesjoemel met de lengte van ons schip me niet vreemd is. Eerlijk gezegd heb ik vaak met het ietsje afknijpen van de lengte mijn voordeel bij het betalen van het havengeld gehaald. Ten onrechte, ik beken. Met deze gemankeerde moraal geconfronteerd is het meer dan logisch dat ik een keertje betrapt ben voor mijn misleiding, hoe klein en onbeduidend ook. Misschien moet ik de man maar bedanken voor dit inzicht…..

,‘waar Duitse Bakkers al niet toe bereid zijn’

Brunsbüttel, harde oostenwind en twijfel, naar zee of binnendoor.

Alweer harde wind. Wat hebben we een pest aan harde wind. De wind raast me om de kop en trekt me figuurlijk uit het lijf. Alsof ik minder stevig sta en minder goed kan focussen. Zo welkom als een windje rond de Beaufort 4-5 was toen we nog zeilden, zo onrustig worden we van diezelfde wind bij het idee met deze wind het grote water op te moeten gaan. In het haventje van Brunsbüttel liggen we te deinen achter de golfbreker in een vlagerige harde oostenwind. Volgens onze zoon en een enkele local, is met oostenwind Bf 6 de Elbe afvaren bij aflopend tij een ‘eitje ’. Wind, golven en stroom mee, zou het wateroppervlak plat als een dubbeltje maken. Ons principe ‘met onze motorboot op ruim water niet uitvaren bij Beaufort meer dan 4’ is daarmee in tegenspraak. We gingen vanochtend even kijken op de kop van de sluis. Van een afstandje lijkt het een rustig zeetje. De actuele wind in Cuxhaven was vandaag 6-7 Beaufort uit het oosten. Niet lollig als je dwars met je motorboot recht moet oversteken van de rechter naar de linker oever. Beide ons onrustige gevoel credit gevend, besloten we rond het middaguur vandaag niet te gaan. Dan maar nog een nachtje hobbelen in de haven met misschien wederom een zware langkieler van 15 ton aan de loefzijde van je schip. Want dat was wel vreemd. Afgelopen nacht was het een Hutting( ons vorige zeilschip) die ons uitzocht langszij te komen. Mooie uitzonderlijke scheepstypes zoeken elkaar onbewust op, naar het schijnt. De toevallige ontmoeting met de Hutting 45 in Leeuwarden 1 jaar geleden was een vergelijkbare situatie.

Brunsbüttel is niet het meest inspirerende plaatsje, al zijn de ijsjes van de twee Italiaanse ijssalons niet te versmaden bij dit idiote hete windmolen-weer.

Nadat we, inmiddels 4 dagen geleden, over een gladde zee van Rudkøbing in Denemarken waren overgestoken naar Stickenhörn in de Kielerförde en een dag later het Noord-Oostzee kanaal waren ingedoken vonden we een uitstekend alternatief voor de gebruikelijke jachthaven in Rendsburg . Bij km-paal 67.5 ligt verstopt aan de noordzijde van het kanaal een leuk haventje. Jachtwerf Schreiber is tevens een plek voor motoronderhoud, en winterstalling. Een familiebedrijf gerund door de vrouw en de dochters van de werfbaas die inmiddels 97 jaar is en nog steeds helder van geest is( al zat hij toen ik het bureau binnen kwam te slapen in een stoel).

Vanuit de haven zie je tussen de bomen door de grote schepen door het kanaal varen.

Het blijft indrukwekkend om die kastelen van schepen aan je voorbij te zien schuiven. Op een verwijd stuk in het kanaal kwam een sleep- combinatie ons achterop. Een grote metershoge logge vrachtvaarder werd door een voorste sleepboot gesleept en achter afgeremd en op koers gehouden door een achteruitvarende tweede sleepboot. In de veronderstelling dat ze ons wilden voorbij lopen lieten we onze snelheid teruglopen om het span sneller voorbij te laten gaan. De sleepboten bleken andere plannen te hebben. Ze minderden ook vaart en kwamen van midvaarwater steeds dichter naar de kant, juist daar waar wij voeren. Met een luide stoot op de hoorn werd ons duidelijk gemaakt dat ze plan waren tegen de dukdalven af te meren. Schielijk stuurboord tussen de dukdalven doorschietend konden we, ongeplet en niet gemangeld aan de veilige kant onze weg vervolgen.

Intussen lijkt de wind alleen maar harder te gaan blazen, een bevestiging dat we de juiste keuze hebben gemaakt. De binnenlopende schepen hebben moeite om af te meren. De wind duwt de koppen van de polyester schepen van hun koers als ze geen boegschroef hebben. De truc om achterwaarts met de kont in de wind vanochtend de smalle doorgang van de havenmond naar buiten te verlaten werd door een aantal jachten met succes gedemonstreerd. Het blijft merkwaardig om te zien hoe zeilers, maar ook sommige motorboot schippers, onhandig met hun schip afmeren. Zelf was ik met ons zeilschip ook niet altijd even handig bezig. Manoeuvreren op de motor is toch een vak apart. Sinds we met de motorboot varen heb ik veel bijgeleerd en kan er nu aardig mee overweg. Over die deuk aan de stuurboord kant, 5 jaar geleden, wil ik het maar liever niet meer hebben….

We zitten aan het ‘vikingbrot’, een ontdekking in de Lidl van Rendsburg. We mogen graag rond sneupen in een buitenlandse supermarkt. Wat je daar al niet aan nieuw spul kunt tegenkomen. Een uitnodiging om nieuwe spul aan te schaffen en te proberen. Zo ook het ‘ vikingbrot’. Langwerpige platte stroken gebakken deeg, bedoeld als toastjes, vol met onduidelijke ‘gezond vogelzaad’, een mus zou ervan gaan watertanden. Bovendien gekruid met Rozemarijn, waarvan ik vermoed dat Vikingen nog nooit gehoord hebben, tenzij ze terugkerend van rooftochten in het mediterrane gebied geproefd hebben van de Italiaanse keuken. Wel lieve vrienden, niet kopen hoor! Ze zijn zo hard als de Vikingen zelf waren, om je tanden op stuk te bijten. Pletten met een hamer en dan als pap nuttigen zou misschien kunnen. Voor een toastje met brie zijn ze niet geschikt. Ik dacht nog even ze in de lengte te kunnen splijten en te gebruiken als eetstokjes. Het resulteerde slechts in een soort gruis geschikt om je dek gemengd met verf antislip te maken. Moraal; ‘Niet alles in de supermarkt wat nieuw is en lekker lijkt is dat ook.’…..

Toch hebben we wel een aantal smakelijke ontdekkingen gedaan. Niet verkrijgbaar bij de Lidl in Nederland . Ik noem er maar een paar. Frischkase en haring ingemaakt in diverse sausjes. Heerlijk op een toastje bij de 5 uur( in de middag) borrel. Het mischbrot, van zuurdesem-deeg met rogge en tarwe is van dat brood dat beet heeft en 2-3 dagen eetbaar blijft.

Varen is mooi, afmeren is mooi, zeker als dat gevolgd wordt door een culinaire traktatie en een glas koele witte wijn of een biertje.

De sluis in bij Brunsbüttel.

Femø, Rudkøbing en een akelig kopje koffie.

Femø

De wind (Bf 6)poeierde gisteren over de haven van Rudkøbing. We lagen te schommelen ondanks de grote dam voor de haven. Op de kopsteiger strak tegen de houten palissade-wand voelen we ons veilig beschut. Eergisteren vertrokken we bij vrijwel windstilte uit Troense een plaatsje in de buurt van Svendborg waar we ‘s nacht prachtig voor anker hebben gelegen samen met onze vrienden die we daags tevoren op Femø ontmoetten. Zij zeilden vanuit Stege op Møn naar Femø. De dag ervoor waren we vanuit Stubbekøbing naar Femø gevaren. Het haventje aan de westzijde van Femø is in de zomer meestal vol. Wij planden er al vroeg op de dag te zijn en vonden zowaar een plek aan een langssteiger. De volgende dag, na overleg met de havenmeester, een aardige jonge dame, bijna net zo lang als Nienke, mocht ik op persoonlijke titel de plek langszij ons schip proberen vrij te houden voor onze vrienden met de Hutting die later in de middag zouden arriveren. Voor deze havens geldt dat je geen plek kunt reserveren. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Steeds meer schepen kwamen de haven binnen. Aan onze zeereling hadden we een stuk papier opgehangen met het verzoek niet langszij te komen omdat we vrienden uit Nederland verwachtten. Met dit vriendelijk verzoek lukte het om de plek vrij te houden ondanks dat de meeste open plekken inmiddels bezet waren. Het warme weerzien mondde uit in een gezamenlijk bij elkaar gescharreld maar heerlijk diner met risotto, verse doperwten en een stukje entrecote van de Cobb.

Met de fietsjes, waar we de pedalen af en toe flink moesten belasten, fietsten we voordat onze vrienden arriveerden in anderhalf uur het eiland rond. Graanvelden, sommige al geoogst, deden ons denken aan Bornholm, het grote Deense eiland meer naar het oosten in de Oostzee.

De volgende dag voeren we, zij grotendeels zeilend, wij pruttelend over een rustig zeetje naar Troense. Ons gedachte reisdoel, de haven van Lohals op Langeland, bleek stampvol met schepen te liggen zodat we genoodzaakt waren verder naar het zuiden te varen. We ankerden eerst met onze twee schepen tegen elkaar zodat we wederom een gemeenschappelijke maaltijd in elkaar knutselden, waarna wij voor de nacht, het was windstil, een eigen ankerplek opzochten.

De volgende dag zou de wind in de loop van de dag al weer gaan toenemen. Voor ons een reden om vroeg op te staan. Rond 6 uur vertrokken we naar Rudkøbing, 8 mijl varen. We waren bang daar ook geen plek te kunnen vinden voordat het aangekondigde slechte weer zou beginnen. Tot onze verrassing waren er veel plekken vrij, zelfs aan een langssteiger waar we nu nog steeds liggen.

In de box naast ons ligt een oude Taiwan klipper met een kunstenaarsechtpaar en hun 3 jonge kinderen, 3 dochters. Daan en Maaike zijn beide fotograaf en trekken met hun kinderen naar afgelegen oorden met een dubbel doel; Het gezin natuur-ervaringen bieden en werken aan projecten die uitmonden in tentoonstellingen en opdrachten. Hun website en blog vind je op www.zuijver.nl . Ze zijn op weg naar Zweden waar ze mogelijk ook in de winter gaan blijven om te werken aan nieuwe projecten.

Haven van Rudkøbing na de onweersbui

Rudkøbing is een aardig vissers-stadje met een leuke levendige hoofdstraat, veel oude gevels in de zijstraatjes en stokrozen, veel stokrozen. Als ze ouder worden, de stokrozen, neigen ze voorover te vallen op de stoep, een erehaag voor de voetganger, slagbomen op je pad als ze zijn gevallen. Het restaurantje in de hoofdstraat leek ons wat voor een kopje koffie. Nu is koffie drinken rond 11 uur, buiten de deur, in Denemarken niet de keuze die je zou verwachten. Vrijwel Iedereen drinkt tegen het middaguur bier of lebbert aan een oversized bol ijs in een wafel-hoorn ter grootte van een bloemenvaas. De espresso die ik bestelde was bruin, een cremorlaag ontbrak. De cappuccino die Nienke bestelde had de grootte van een soepkom met daarin een soort bruine melk, zonder schuim, die enigszins naar koffie smaakte. Belachelijk duur(op een terras in Florence betaal je evenveel) en alles zo waterig dat een Italiaan zich diep zou schamen en zich onmiddellijk vrijwillig zou laten kaalscheren bij het per ongeluk leveren van een dergelijk bocht. Toen ik na het tweede slokje ( ik was na de eerste slok in verwarring door wat ik proefde) mijn espresso terugstuurde, was het commentaar dat ze het altijd zo deden, maar dat ze voor mij de machine op standje 3 zou zetten in plaats van op standje 2. Ik had beter een glaasje bier kunnen bestellen.

Haast niet voor te stellen, het is koud, het regent continue en we krijgen een ‘Wetterwarnung’ voor extreem warm weer niet ver van hier bij Bremerhaven. Het weer is echt in de war.

Voor de oversteek naar Kiel wachten we op een rustig wateroppervlak. 7-8 uur varen met een snelheid van 5-6 knopen, inderdaad bij rustig weer…..

De Luciana onder Nederlandse vlag bij windkracht 5-6 Bf

Hesnaes, Stubbekøbing en het Fuglsang museum

Aanvankelijk dacht ik dat ze in een boodschappentas aan het aqua-joggen was. Woest stampte de vrouw in een tas gevuld met water op de steiger. Af en toe, het spetterde nogal, vulde ze uit een slang water bij. Zij bleek de was aan het doen. Met haar krachtige voetenwerk in de met sop gevulde tas bewerkte ze fanatiek de sokken en de kussenslopen. Tegelijkertijd wrong ze de pas gewassen stukken uit met haar vriendin die tegenover haar stond. Als je geen wasmachine hebt en geen gebruik wilt maken van de wasmachine in het toiletgebouw moet je creatief zijn. Beide vrouwen verrichtten hun taak met ernstige gezichten als was het de gewoonste zaak van de wereld, geen moment gehinderd door de blikken van voorbijgangers op de steiger. Al met al zal ze, op de plaats stappend, zowat een rondje om de haven hebben gerend, gezien de blozende kop die ze kreeg van het stampen. We liggen in de haven van Stubbekøbing. Een naam waarbij ik vrij associërend denk aan tobbedansen al had de act op de steiger meer iets van ‘tobbe-soppen’ of de ‘tas-was’ doen.

Hesnaes

Gisteren vertrokken we in alle vroegte, 9.30 uur, uit Hesnæs, een pittoresk vissersplaatsje op de oostkust van Falster. Een plek om te onthouden, maar waar je vroeg moet komen anders is de haven vol. De havenmeester komt langs, de pet op zijn hoofd en de geldtas op zijn heup. Er is in de haven vrijwel niets, voor de stroom heb je een halve mijl verlengsnoer nodig als je net als wij aan het eind van de mole( dam) ligt. Water kun je bemachtigen bij de steiger voor het toiletgebouw. Voor de tweede dag zijn we om onze accu’s te voeden meer midden in de haven gaan liggen zodat we met onze verlengkabel de afstand tussen de elektra-zuil en ons schip konden overbruggen. Een paar huizen in oude stijl en een schuur met locale kunstnijverheid zijn de enige attractieve objecten rond de haven. Het achterland is daarentegen zeer aantrekkelijk qua landschap. Als de zon schijnt doen de steile kust en een lang smal strand je denken aan een plek bij de Middellandse zee. De bomen, steunend op kale wortels, hangen voorover op de rand van de klif en lijken ieder moment te kunnen vallen.

Pomle Nakke is een geliefd restaurant dat hoog op de klif, iets ten zuiden van het dorp, vanuit een beukenbos over de Oostzee uitkijkt.

Zaterdag bemerkte ik wat onrust in de haven. Opeens begonnen mensen met emmers en lege tassen richting een zojuist afgemeerde vissersboot te lopen. Verse vis te koop, direct van de visser. Toen ik er ook naar toe ging bleek de meest interessante vis al verkocht. Een koper toonde me trots haar aankoop, een flinke kabeljauw, die ik ook graag had gekocht. Wat overbleef waren wat bruine platvissen waarvan ik de naam niet verstond. Ze leken op schar of bot. Lafaard die ik ben, heb het niet aangedurfd om ze te kopen, de bereiding ervan zou wel eens lastig kunnen zijn met de kleine koekenpan die we aan boord hebben. Op de dag dat we aankwamen in Hesnaes kwam er even na ons een groenig schip binnen. Het model kwam me niet bekend voor. Het logo op de zijkant onder het dak, kende ik wel. Alweer een Polllard. De Charly uit Hamburg! Gebouwd iets later dan de Nine Marit. De aardige eigenaren waren vol lof over het schip, maar nog geen lid van de Pollardvaarders, dus moest er door ons dringend gelobbyd worden.

Varen in dit gebied is alsof je door een groot merengebied vaart. De golven worden nooit erg hoog. De fraaie kust, met hoge wallen en kliffen waarop kleine nederzettingen en mooie kerkjes, is een lust voor het oog. Als je binnen de goed betonde geulen blijft is het navigeren even makkelijk als brood snijden. Wanneer het hard heeft gewaaid uit het noordwesten of uit het oosten, kan er tussen de eilanden stroming ontstaan die kan oplopen tot 4-5 knopen. Tot nu toe hebben we er niet veel van gemerkt.

Met de bus reden we vandaag naar Nykøbing, waar we op onze vouwfietsjes sprongen en richting de brug over de Sund naar Lolland fietsten. Met het Fuglsang-museum op Lolland als reisdoel, fietsten we 8-9 km door een glooiend landschap aan de rand van de Guldborgsund. Het oudste kunstmuseum van Denemarken ligt verstopt achter een bosschage maar kijkt uit over de Sund. Behalve de huiscollectie schilderijen en beelden van Deense kunstenaars uit de 19e en de 20e eeuw was er een tijdelijke tentoonstelling met 56 houtsneden van Edvard Munch en gedichten van Emanuel Goldstein waarmee hij een langdurige vriendschap onderhield. Munch heeft een geschiedenis van hypochondere depressies met opnames in psychiatrische ziekenhuizen, hetgeen in zijn werk duidelijk tot uiting komt. Vrolijk werd ik er niet van, indrukwekkend en interessant vond ik het wel. De vriendschap met de dichter Emanuel Goldstein droeg bepaald niet in positieve zin bij als het gaat om de zon tussen de wolken te kunnen zien. Beide heren versterkten elkaar in hun melancholie en een zwarte kijk op menselijke relaties. Er waren veel vrouwen maar tot een vaste relatie kwam het bij hen niet. Goldstein presteerde het om slechts 3 uur getrouwd te zijn geweest, een rappe spijtoptant. Hun beider broze gezondheid en sombere kijk op de wereld hebben de mannen in hun expressionistische werk tot uitdrukking gebracht, waarbij Edvard Munch bekende dat hij zijn levens-angst en ziektes niet had willen missen. Zonder die angst voelde hij zich als ‘een schip zonder roer in een storm, zich afvragend waar hij zou stranden’….

Museum Fuglsang op Lolland