Hondenpraat




De hond op het schip naast ons moet ik in het Frans aan-spreken, zegt de Zweedse schipperse, terwijl haar man aan het tweede biertje begint. De Basset, voorzien van een handvat gemonteerd op zijn zwemvest, kijkt me treurig aan en laat een zacht gepiep horen. Als ik hem in het Frans aanspreek wendt hij zijn blik af en kijkt verlangend naar de wal waar het volgens hem beter toeven is dan op deze deinende zeilbak. Honden zijn, zoals we al vaker gezien hebben bepaald niet altijd blij aan boord, tenzij ze niet beter weten omdat ze als pup al ‘mee mochten’. Kwispelend en jankend staan ze op de voorplecht bereid om zo nodig van boord te springen en naar de kant te zwemmen wanneer het afmeren hun niet snel genoeg gaat. Anderzijds beschouwen vele honden de boot als hun huis. Een toevallige voorbijganger op de steiger schrikt zich het apenzuur bij het plotse luide geblaf op oorhoogte. Van de schrik opzij springen is dan niet bevorderlijk.
Je ziet de meest vreemde rassen als onvrijwillig schepeling op de boten de haven binnenvaren. We zien in elkaar gedeukte rolmopshondjes die keffend op het voordek heen en weer hollen en Deense doggen die steevast op het gladde polyesterdak uitglijden en al spartelend in het gangboord belanden terwijl het de bedoeling was om aan land te stappen. Schippers balanceren op het potdeksel van hun wiebelende schip met de hond onder de arm of rond de nek om vervolgens een doodsstap te wagen naar de kade. De hond, zich bewust van de gevaarlijke onderneming, probeert zich tijdens de stap al aan de schipper te ontworstelen die al vloekend zichzelf en de hond in bedwang probeert te houden om een nat pak en een deuk in zijn zelfvertrouwen te ontlopen. Ik weet precies hoe het voelt; Toen we de Friendship nog hadden was Bo, de hond van onze zoon met ons mee aan boord. Het schip lag vast in de box en Bo moest voor de hoge nood aan de wal, althans dat namen we aan. Honden kunnen je wat dat betreft behoorlijk confronteren, als ze hun door ons veronderstelde hoge nood rustig uitstellen en eerst heel geïnteresseerd een paar palen op de wal gaan besnuffelen. Onze eigen teckel bestond het om 24 uur haar plas op te houden toen we een lange tocht maakten zonder aan land te komen. Wel, ik stond met Bo onder de arm op het voordek en maakte aanstalten om me met een zwierige zwaai, zoals ik gewend ben, van boord te slingeren. Langs de rolfok, één voet op de punt en dan de rest van het lijf laten volgen naar de steiger toe. Niet gewend aan het andere gewicht liep de zwierige zwaai uit op een hinkelende zijwaartse beweging op één been dwars over de steiger, die slechts een beperkte breedte bleek te hebben. Een daverende plons, schipper en hond lagen beiden in het water. Bo zwom vrolijk naar de kant en liet zich uit het water hijsen. Zelf werd ik met moeite, alle kleren nat, gered onder ingehouden gegiechel door Nienke en een toevallige toeschouwer met behulp van een in allerijl aangesleepte zwemtrap.
Hanö heeft vele gezichten. Kale rotsen wisselen af met dicht begroeid oerbos. Overal liggen met mos overdekte stenen en we worstelen ons langs bramenstruiken en omgevallen boomstronken. Plotseling zien we weer de zee. De granieten rotsen aan de kust kleuren in allerlei tinten en als de zon er op schijnt lijken ze wel van goud. Sommigen rotsen zijn begroeid met een helder geel of blauwgroen mos, dat waarschijnlijk geen mos is. Mooi door de onregelmatige ringvormen geeft het aan de ronde afgesleten vormen een zweem van levendigheid.
De hond van de buren ligt rustig te slapen op de kussens van de kuipbank. Blijkbaar tevreden met zijn lot. Zijn baasje heeft intussen naast het bier iets sterkers in een tinnen glaasje voor hem op tafel staan.
De haven ligt vol. Denen en Duitsers die volgende week weer aan het werk moeten, maken zich op om de oversteek naar de kaap ten zuiden van Simrishamn te maken. Wij wachten tot er niet te veel wind meer is. Luxe voor de mens die niet op tijd hoeft te letten.
De harde noord-westen wind van vandaag( Beaufort 5-6) laat ons flink hobbelen in de haven. Tegen de avond neemt de wind meestal af.
De hond van de buren blaft, hij bewaakt het schip en nu ook ons schip. Een rustig gevoel.
bij de foto’s:
de buurhond met zijn baas
4 plaatjes van het eiland Hanö

2 geheime tips om niet na te volgen


Van Kalmar op weg naar Utklippan, sloegen we iets eerder rechts af. Na een aantal uren varen over rimpelloos water dachten we een mooi vissers-haventje te kunnen aanlopen. Bijna liepen we vast in de modder en misten op een haar na een niet in kaart gebrachte rots voor de ingang van de haven, terwijl de kaart en de plotter een diepte van meer dan 2 meter aangaven. Over die rots voor de haven, vertelde de jongeman op de kade ons met een grijns dat ze de week daarvoor er nog een zeilschip vanaf gesleept hadden. Uiteraard tegen een kleine vergoeding. Het piratenbloed leeft blijkbaar nog voort bij deze eilanders. We lagen op Ungskär, een oud vissershaventje. Zo oud dat de ringen op de wal om aan vast te maken verroest en haast doorgerot waren. In een vissershaven vraag je uiteraard of er nog vis te koop is. Diezelfde jongen nam ons mee naar Ole, een roodbemutste zeebonk met baard, kort van stof, en slechts enkele woorden Engels sprekend. Hij had nog wat torsk, kabeljauw, in de diepvries. Ik aarzelde en keek kennelijk wat bedenkelijk, want hij zei ook nog wel wat platvis te hebben. Als we even geduld hadden zou hij wat met zijn roeibootje ophalen uit een leefnet even buiten de haven. Nog geen tien minuten later stond hij al weer bij ons schip met een net vol levende platvis met afschuwelijk ogende bulten op het rugvel. Zenuwachtig grappend maakte ik hem duidelijk, dat we dan wel graag hadden dat hij de vis voor ons fileerde. Zo geschiedde, hij zocht er twee uit die hij flappend op de kade gooide en zette er zijn mes in. Nienke die er bij stond met het fototoestel, zag het niet zitten om er een close-up foto van te maken. Handig sneed Ole de filets er af en smeet de resten over de kade muur, tot groot plezier van de meeuwen. Schoongespoeld kregen we voor 100 kroner een maaltje platvis. Leek me wat duur tot we in het vissenboek opzochten wat het voor een vis was: Tarbot, een vis die je meestal alleen in dure restaurants te eten krijgt. Wat peper en zout, een beetje bloem erover, gebakken in de roomboter met een vers bereidde risotto; we aten een godenmaal. Als het hierbij was gebleven waren we rondbuikig en tevreden te bedde gegaan. Een opvallende stank werd steeds doordringender. Nienke die haar schoenen uitklopte, zag een dode zeehond achter de boot drijven, een nog jong beest, die met de te bolle buik naar boven, zijn pootjes eroverheen gevouwen, zachtjes met de golven heen en weer deinde. De week-burgemeester ( met toerbeurt) had ons verwelkomd op het eiland en gezegd dat als er wat was, ik me bij haar moest melden en dat deed ik. Haar man en de buurman hebben het kadaver per roeiboot, al duwend met een hooivork buiten de havenkom gebracht waar ze het lieten meevoeren met de uitgaande stroom. Terug naar de natuur, waar het kadaver zeker zal worden gerecycled. Unsgär zullen we niet gauw vergeten.
De volgende morgen was er geen wind. Op de motor en later met de kluiver bij varen we naar Karlskrona, een Zweedse marinestad, waarvan de omgeving tot 1997 nog verboden gebied was. Het aanleggen tussen twee vingersteigers was een feest. Er moeten lijnen door ringen gehaald worden die zo laag op wiebelende stangen zitten dat je ieder moment het gevaar loopt de waterlijn van het schip van onder te kunnen inspecteren. Gelukkig schieten vele Zweedse handen toe om ons te helpen. Bij een zijdelingse wind en een relatief te lang schip is het heel lastig om de lijnen zo te stellen dat het schip min of meer recht in de box ligt.
Karlskrona stelde ons in eerste instantie teleur, lange rechte straten en nauwelijks een gezellig centrum. Wel een aantal fraaie grote gebouwen zoals je dat mag verwachten van een ‘military town’.
Het ‘da Vinci museum’ op de marktplaats met een privé collectie schilderijen en objecten deed ons wat sacherijnig humeur omslaan in een lachstuip. De Kulenovic collectie is het werk van een man uit Kroatië. Een allegaartje uit verschillende tijdperken en uit verschillende landen. Prachtige figuren en vazen uit Azië, beeldjes en schalen uit Italië en een groot aantal schilderijen waaronder een schilderij van Leonardo da Vinci en Rembrandt. De suppoost, een Kroaat, sleurde ons van het ene naar het andere kunstobject onder het vermelden van al de bijzonderheden. Op dwingende toon liet hij ons voor het schilderij van Leonardo da Vinci, Madonna met het kindeke Jezus knielen om ons daarna aan te moedigen langs het schilderij te kruipen. wat we daar zagen was een wonder, het kindeke Jezus bleef ons aankijken en bewoog zowaar zijn beentjes mee terwijl wij van links naar rechts en van rechts naar links kropen. Een inderdaad wonderlijke ervaring, op je knieën door een museum kruipen. We kregen nauwelijks de tijd om alles goed te bekijken. Enigszins overdonderd door al dat moois, nota bene in Karlskrona, zijn we alles, na de suppoost geloosd te hebben, nog eens opnieuw gaan bekijken. De schilderijen zien er heel oud uit, maar na 3 – 4 oude meesters begon er wat bij ons te jeuken. De verfijning die we kennen van de schilderijen van Rembrandt zagen we hier niet, handen die geen handen lijken en gewaden die slordig geschilderd zijn. De Leonardo da Vinci en de Rafael lijken meer op overgeschilderde reproducties. Hoe beter we keken hoe meer we het idee kregen hier te maken te hebben met een collectie schilderijen waarvan meer dan de helft een vervalsing is. De suppoost was ook al te gretig om ons te overtuigen van al het bijzondere in deze collectie. Giechelend en gnuivend over onze ‘ontdekking’ lopen we terug naar de haven. We denken nog even aan de Zweedse vrouw en haar puberdochter, die zo onder de indruk waren van het museum. “ Je verwacht zoiets toch niet in Karlskrona, zoveel oude meesters, prachtig”. Het bezoek aan dit museum was de 50 kronen waard. Of hadden we er toch bonbons van moeten kopen?

Over zonnekleuren, bloemen, rotsen, nattigheid en een ontmoeting




Regelmatig hadden we het idee ergens in Zuid Frankrijk of Portugal te zijn. Vanuit Visby op Gotland reden we met een huurauto naar Fårö, het grote eiland ten noorden van Gotland. Farö is een schapeneiland, een Zweed legde ons uit dat een ‘far’ een schaap is en dat ‘ör’ eiland betekent. De schapen hebben een grof grijs krullend vacht, waarbij de kleur grijs varieert van donker, haast zwart grijs tot licht grijs. We zagen ze lopen in een heel wisselend landschap, glooiend, met verspreid staande loof- en naaldboom-groepen en vele jeneverbes-bomen die imponeren door hun compacte eivormige structuur. Dicht begroeide gedeeltes wisselen af met grote open stukken. Een paar verdwaalde pijnbomen in het landschap, helder blauw water, een langgerekt zandstrand onderbroken met rotspartijen. Met het warme zonnetje erbij was dit niet direct wat wij verwachtten op deze breedtegraad. Overal zien we wilde bloemen in een rijke diversiteit. Vele soorten die we niet kennen en zelfs in deze maand nog een aantal orchideeën. De rotsige bodem is bedekt met hele velden roze Sedum die kleurig afsteken tegen de bruine ondergrond en het groen van de andere bodembedekkers. Langs de kust aan de westkant van het eiland vonden we in de kale grond tussen de verspreid staande lage sparren donkerrode orchideeën. Tussen de rotsen bij de zee zagen we helder geel bloeiende Melilotus of iets wat er op lijkt. Het lijkt of de natuur de haar kort toebedeelde zon met extra gretigheid in zich heeft opgenomen en haar kleuren lijken het zonlicht weer uit te stralen. De rotsen bij de zee hebben de meest grillige vormen en staan bekend als Rauka’s. Sommige lijken op mensenfiguren en hebben daarom namen gekregen. De zee heeft de zachte kalksteen opgelost en de delen met een hardere substantie dan kalksteen laten staan. Het grootse deel van het eiland bestaat uit een meerlagig sedimentplateau dat enigermate scheef afloopt naar het westen. Vroeger was het de zeebodem, nu is het één van de mooiste eilanden voor de kust van Zweden. Ingmar Bergman, de eigenzinnige en beroemde filmregisseur van vele Zweedse praatfilms, had er zijn thuis gevonden en woonde daar tot zijn dood, 2 jaar geleden.
Gotland is al schitterend maar de ruigte van de natuur op Farö bekoorde ons nog meer. We probeerden ons voor te stellen hoe het hier in de winter of in het voorjaar zou zijn. Behalve boeren, een paar kunstenaars, enkele vaste bewoners, schapen en paarden, woont er dan niemand. Misschien is dat nog wel eens te proberen, een maand retraite in een huisje op Farö in de winter. Zelf je brood bakken, hout hakken voor de kachel, sneeuw ruimen en lezen, heel veel lezen.
Over brood gesproken. De Zweden zijn dol op zoet en doen overal suiker in, dus ook in het brood. Het heet dan wel geen suiker maar siroop (sirap) en zoet is het. Ik vind het niet te eten en vraag daarom steeds naar ongezoet brood, maar tevergeefs.
Inmiddels hebben we Gotland verlaten. Wederom een prachtige zeiltocht over ruim water naar Oskarshamn. De namiddag had nog een venijnig staartje met dikke buien met onweer, die we over ons heen kregen. Eigenwijs als ik ben verzuimde ik mijn zeilpak aan te trekken en was binnen een kwartier doorweekt tot op mijn onderbroek. Het voelde niet koud aan en het warme gesop in mijn schoenen was niet eens onaangenaam. De schoenen zijn nu, een dag later, nog niet droog, ondanks allerlei slimme droogtrucs, zoals deppen met keukenpapier en ophangen in de droogkast met de verwarming aan. Mijn oude rode bootschoenen doen nu nu dienst als vervanging, al zijn de zolen wel wat glad.
We zullen de eigenaar van de Huttingwerf verwittigen dat drie van zijn ‘kinderen’ elkaar ontmoetten in Kalmar, een 50 voeter, een 45 voeter en een 40 voeter. Een feest voor de toeschouwer op de wal en een feest voor ons. De zeiltocht van Oskarshamn naar Kalmar verliep voorspoedig. De gestadige motregen werd opgeleukt met forse buien. Het grootzeil, tot op de draad doorweekt, hebben we maar niet met de huik toegedekt.
20 juli.
Vanochtend schijnt het zonnetje weer. Tijd om te ontbijten en Kalmar te gaan verkennen. De 45 voeter is vertrokken, grote zus en kleine zus blijven een dag liggen om bij te komen en de stad te verkennen. Er komt harde wind misschien moeten we nog een dagje blijven liggen. Geen straf we liggen mooi beschut en de haven is van alle gemakken voorzien.
21 juli.
Grote zus is vanochtend vertrokken en op weg naar Stockholm, nog bijna 400 kilometer te gaan. Wij blijven achter. Een extra dagje Kalmar om de was te doen, boodschappen te doen en de post af te handelen. Nienke doet de was. Vanavond schone lakens. Lekker.
Op naar de volgende etappe.

bij de foto’s
5 maal Farö
Nienke loopt een labyrinth( oud of niet oud?)


Over familiebezoek, Stockholm en kippetjes in Visby


Het was voor de trouwe lezer wat stilletjes aan het blogfront. Dat zit zo: ik had geen tijd, inderdaad geen tijd om wat op te schrijven. Zo in beslag genomen door wat er allemaal de laatste 10 dagen gebeurde . Eerst waren het de 3 dagen met zoon Ewout, zijn vrouw Fenny en de 2 klein-kinderen, die ons met een bezoek vereerden. Met hun prachtige ‘old lady”, een Landcruiser van meer dan 25 jaar oud, maakten ze een rondtrip door Zweden en gunden ons een bezoek van 3 dagen. Het was af en toe wel wat behelpen, 3 dagen zo dicht op elkaar, maar gelukkig vonden we voor de nachten een mooie logeerplek. De oudste kleinzoon genoot van het varen met de rubberboot en liet al snel zien dat hij, 5 jaar oud, al goed kan roeien. De jongste, 2 ½ jaar oud, met zijn grijpgrage vingertjes, probeerde ondanks mijn waarschuwingen om de knoppen niet aan te raken, of de boegschroef nog werkte. Het plotse geluid voorin het schip was goed voor een huilbui van de schrik. Zo gauw hij aan boord stapt moet er aan het stuurwiel gedraaid worden. Of dat een voorbode is om zijn oom, onze oudste zoon Jeroen op te volgen weet ik niet, de tijd zal het leren. In Västervik namen we afscheid van elkaar, wij gingen terug met de bus naar Loftahammar. De dag na hun vertrek waren we wat down en verlangden naar Nederland, even wisten we onze draai niet meer terug te vinden. We besloten om onszelf een kleine weekendtrip te schenken. We gingen per expressbus( geboekt via het internet) naar Stockholm. Veel groen, prachtige gebouwen en dan het indrukwekkende Vasa-museum. We raakten er niet uitgekeken. In oogcontact met het oorlogsschip, dat in 1961 uit de modder werd getrokken, herinnerde ik me dat ik het ook gezien heb in 1964 toen ik voor een maand als 16 jarig knulletje leerde lassen in de Scania fabriek, waarbij mijn vader destijds in Nederland werkte. Wat ik me ervan herinner was dat alles in een conserverende vochtige damp werd gehouden omdat het schip dat 333 jaar onder water had gelegen anders uit elkaar zou vallen. Het is indrukwekkend om te zien hoe ze er nu bij ligt. Voor een groot deel weer aangekleed met alles wat na het zinken van het schip was losgeraakt. Interessant is dat de bouw van het schip in 1626 werd geleid door 2 Nederlandse scheepsbouwers, Henrik Hybertsszoon( in Nederland zal zijn naam wel iets als ‘Huibertszoon ‘zijn geweest) en Arendt de Groot. Henrik legde het loodje terwijl het schip een jaar in aanbouw was. Arendt heeft het afgemaakt. Onder druk van Koning Gustav II Adolf moest het een prestige-object worden met twee boven elkaar gelegen dekken voor wel 64 kanonnen. Er werd veel veranderd gedurende de bouw en het snelle, 69 meter lange, slankgelijnde oorlogsschip kreeg daardoor uiteindelijk te weinig ballast in het onderwaterschip, dat relatief te klein bemeten was. Het werd een regelrechte ramp. Het schip heeft nog geen 500 m onder zeil gevaren of het kapzeisde terwijl het water door de kanonspoorten naar binnen stroomde.
Waarschijnlijk heeft de koning beseft dat hij door zijn exorbitante eisen, mede schuldig was aan dit gebeuren. Niemand werd beschuldig of veroordeeld.
Danzij de conserverende werking van de Baltische zeemodder is het schip in een buitengewone gave toestand gebleven. Met de berging van het schip, een gigantisch prestatie, hebben de Zweden hun grootheidswaan om het meest perfecte oorlogsschip van de 17 de eeuw te bouwen ruimschoots goedgemaakt. Stockholm is alleen vanwege dit museum een bezoek waard. We genoten van de haast Frans aandoende etablissementen, waar je uitstekend kunt eten en bediend wordt.
Terug op ons schip in Loftahammar werd ik bevangen door een ‘Stockholmse’ griepje, de voor mij gebruikelijke verkoudheid die meestal begint met keelpijn en eindigt met hoesten. Dus zo speciaal was het niet, wel vervelend. De zeildag erna, richting Visby op Gotland was een geschenk. Vol tuig en een windje Beaufort 3-4 liet Nika snorren van plezier. Met regelmatig een dikke 7 knopen op de GPS stoven we naar de overkant, 53 mijl louter plezier. Heerlijk was het om weer eens zo lekker relaxed te zeilen. Geen gescharrel tussen de scheren en geen kans om ergens een rots te raken met een diepte van 140 meter in dit deel van de Baltische zee.
In Visby is het deze week feest, Stockholmweek. Stockholm achtervolgt ons. We worden verwelkomd met het geboem van techno, dance, of hoe het ook mogen heten. We vinden uiteindelijk een plek om aan te leggen, enigszins verwijderd van het feestgedruis. Waar zijn we nu weer in godsnaam tercht gekomen? Ik bezocht in Sneek vele jaren geleden een pluimvee-tentoonstelling. Overal haantjes en kippetjes in kooitjes, luid kakelend en onrustig heen en weer schuivend in hun niet al te grote behuizingen. Mogelijk ook erotisch geprikkeld door al het moois om hen heen. Een zinderende atmosfeer van waar je als voorbijganger geen deel aan kunt hebben, maar die zich wel aan je opdringt. Er waren hier ook kippetjes op de kade, de hanen vond ik niet zo interessant. Met een glas bubbels in de hand stonden ze niet alleen op de kade maar ook op de gênant grote strijkijzers met matrassen op het achterdek te wiegen op even zovele soorten technomuziek. Of moet ik zeggen de vuisten ritmisch naar elkaar toe wuiven alsof je twee naast elkaar gelegen deuren wilt bekloppen om binnen gelaten te worden. En dat alles in een nauwelijks verhullend verenkleed. ( vrouwelijk lezers moeten dit stukje maar overslaan, want het wordt nog erger). Als man laat je dat alles niet onberoerd, zeker niet na een lange zeereis. Het is haast schokkend om te zien hoe deze jonge meiden zonder gêne laten zien wat je als man alleen in gedachten oproept. Het moet gezegd worden, ik ben er niet ongevoelig voor. De kippetjes, soms naar mijn smaak wat al te doorvoed, weten hoe ze er op hun verleidelijkst uit zien. Jurkjes die bijna afzakken en broekjes die naar beneden getrokken moeten worden. En dat alles in full color. De gebruinde teint in het gezicht wordt ondersteund met de nodige mascara zodat de blauwe kijkers nog mooier lijken.Tussen al dat uiterlijk vertoon realiseer ik me ook dat er een grote leegte uit spreekt. De uiterlijke prikkel moet het doen, want een gesprek is door de muziek onmogelijk en dat maakt het allemaal ook weer wat droevig. Ze hebben lol, dat zie je, en de ouderen (waaronder ik mezelf ook reken) die op de kant naar de gratis show kijken hebben er ook lol aan. De pastoor zou ervan blozen.
’s Nachts werd ik niet geplaagd door dromen over pluimvee, maar wel door zoemende vliegen. Ik meende er één te pakken te hebben, die ik van het beddelaken verwijderde en op de grond gooide. Later tikte ik er nog één op zijn koppetje en gooide die ook op de grond.De volgende ochtend verwachtte ik 1+1= 2 vliegen op de vloer. Er lag er maar één, conclusie: Ik heb dezelfde vlieg twee keer te pakken gehad, maar de eerste keer niet definitief genoeg. Taaie rakkers die Zweedse vliegen.
Visby is gelukkig meer als een pluimvee-tentoonstelling. De stad is een wereldmonument. Een ‘Hanze stad’, zoals o.a. Lubeck, Rostock, Tallin, Kampen en Deventer. Er was altijd al een levendige handel tussen de lage landen en de Baltische staten. Behoren tot de Hanzesteden bood zekerheid, bescherming en onderlinge lucratieve handel. Gotland is langdurig in de vergetelheid geraakt na de bloeiperiode van de Hanzesteden, waardoor er veel ouds bewaard is gebleven, waaronder een honderdtal middeleeuwse kerken. Met het opkomen van het toerisme is er veel gerestaureerd en van wat we tijdens een rondleiding in het ommuurde deel van Visby gezien hebben is veel authentiek. De vele rozenstruiken bij de huizen in smalle straatjes en de prachtige botanische tuin zijn een verademing na de toeristische gekte bij de haven.
Visby is mooi, een plek om nog eens te bezoeken.
bij de foto’s:
opa met oudste kleinzoon Jamie aan het ontbijt
het schip Vasa
in de botanische tuin van Visby worden de rozen goed verzorgd
detail st Maria Domkirkan voorportaal
rozen in een straatje, Visby


Tussen de Scheren



Heel voorzichtig sturen we Nika langs de ondiepten. Het water kleurt als een geel zandstrand, dooraderd met donker-blauwe scheurtjes. In zee drijven hele velden algen. Aan-vankelijk dachten we dat het stuifmeel was, maar de structuur was te grof en de laag te dik om die diagnose te stellen. Een moedereend zwemt met wel 12 jongen midden op zee ver weg van de sporadische scheren die als gladde bulten oprijzen uit het spiegelgladde water. Er is nauwelijks wind en het zachte gebrom van de motor wordt slechts onderbroken door een verre kreet van een enkele meeuw die als altijd op zoek is naar iets eetbaars. Een aalscholver duikt vlak voor de boeg op en heeft een platvis in zijn bek die na wat jongleren, in zijn geheel opgeslokt wordt. Door het ontbreken van de wind zijn de rotsen vlak onder het wateroppervlak niet te zien, geen golf die er op breekt, geen rimpeling in het wateroppervlak. We houden de boeien voortdurend in de gaten en volgende de geleidelijnen op de plotter, waardoor we soms wijde bochten maken net als de Zweden die het gebied kennen. Het is een vreemd idee dat de bodem waar we hier over heen varen bezaaid is met stenen en rotsen, rotsen die ieder jaar een paar centimeter omhoog komen omdat het hele bodem van Skandinavië omhoog komt. De zee wordt dus ieder jaar een beetje ondieper. Op de zeekaart staan omlijnde gebieden waar je beter niet kunt varen omdat de diepte niet in kaart is gebracht is.
Het was erg warm de laatste dagen en het weer is onstabieler geworden. Donkere wolken laten hun lading vallen. De wind valt vrijwel volledig weg en de regen, die valt is een verademing na de zwoele hitte. De scheren van de oostkust van Zweden zijn beslist lieflijker dan de Noorse scheren. Op elke rots die zich enigszins verheft boven het water staan wel enkele planten te bloeien, en de blauw-roze bloemetjes van het Engels Raaigras doen me op afstand denken aan heide.
Wat is het toch mooi om in de beschutte baaien voor anker te liggen. Het avondlicht betovert ons met zijn zacht-rode tinten, de schaduwen worden langer en de donkere dennebomen verliezen hun structuur tegen de achtergrond van het verdwijnende licht. Een vis springt boven het water, misschien wel om die mug te pakken die van plan was om zich aan ons bloed te goed te doen. Ze zijn er wel, de muggen, maar ze zijn er gelukkig maar even. Alleen tijdens de schemering zijn ze nogal opdringerig. Ze verzamelen zich onder de sprayhood om van daaruit een aanval op onze blote ledematen te doen. Nog geniepiger zijn die muggen die er de voorkeur aan geven om hun maaltijd uit te stellen door het schip binnen te vliegen en zich te verschansen op een, voor ons, onzichtbare plek. Als we ons dan uiteindelijk te ruste leggen, alle horren in stelling, proberen deze slimmerikken ons warme te bloed te vinden, tenzij we aan hun rooftocht een einde maken met een harde klap van een hand of een muggemepper. Tot nu toe zijn we er aardig in geslaagd datgene te verhinderen wat de meeste muggen van plan zijn. Nienke’s scherpe gehoor en haar flitsende slagvaardigheid heeft menig( 5) mug zijn leven gekost. ’s Morgens vegen we de muggenlijkjes of dat wat er onherkenbaar nog van over is op een hoopje en voeren er de vissen mee, die driftig, vol verwachting rond de boot heen en weer zwemmen. Het brakke water van de Oostzee schept naast een milieu voor normale zeevissen ook een biotoop voor vissen die je normaal alleen in zoet water tegenkomt. Er wordt hier gevist op Snoek en (zoetwater-) Baars. Wat we kennen van Nederland is dat kinderen in de havens krabbetjes vangen met een mossel aan een knijper. Hier vangen de kinderen baarsjes die vlak bij de steigers zwemmen.
We zijn het inmiddels gewend; of te veel wind of te weinig wind. Al moet ik toegeven dat we toch een paar fantastisch mooie zeildagen hebben gehad. We verbazen ons over de prachtige zeilschepen van de Zweden, slanke schoonheden, die elegant tussen de scheren door glijden, zich schijnbaar niet bewust van al die harde obstakels onder de waterspiegel. We herkennen de doorgetrokken klassieke lijnen van de schepen uit het begin van de vorige eeuw, lijnen die we ook zo waarderen in ons eigen schip. Het is een genot om te zien hoe de Zweden, vaak in hun eentje, onder zeil de haven invaren, rustig het voorzeil neerhalen en op het laatste moment het grootzeil laten zakken, om daarna haast nonchalant hun anker uit te gooien of aan een meerboei vast te maken. Al gaat het steeds beter, een onbekende haven binnenvaren en niet weten waar je kunt afmeren is voor ons bijna altijd nog een spannend gebeuren. Ik vergis me om te denken dat ik zou moeten kunnen wat deze mensen op bekend terrein zo gemakkelijk lijkt af te gaan.
We hebben eigenlijk geen zin nog veel verder naar het Noorden te varen. Het is hier mooi en als onze zoon Ewout met Fenny en de kids hier morgen arriveren, komen ze naar ons idee in een prachtig stuk scherenkust. We verheugen ons erop hun de mooie plekken te laten zien die we inmiddels bezocht hebben.
Laat het zonnetje maar schijnen.

Bij de foto’s:
oostzeemeermin rijst op uit de algensoep
de volgende 2 foto’s zijn eigenlijk mislukt maar geeft te denken over de bezigheden van schipper en schipperse.
de laatste foto, eveneens mislukt, verhaalt van het vertrek per rubberboot van 2 vrienden naar hun eigen schip na een rijkelijk besproeide gezellige avond.


Hasselö



Zoals we dat vorig jaar ook wel deden hebben we Nika een dagje vrij gegeven. Ze ligt keurig aan de steiger bij het hotel op Gränsö. Met de veerboot en onze vouw-fietsjes mee, lieten we ons naar Hasselö verplaatsen met een gemiddelde snelheid van 12 knopen( ±20 km per uur). Hasselö is een tamelijk groot eiland, waar rond 1400 al mensen woonden volgens geschreven teksten uit die tijd. Omdat er ook vuurstenen pijlpunten worden gevonden moeten we aannemen dat er al veel eerder mensen hebben rondgelopen. Het strandje heeft een kleine steiger waar een aantal motorboten en een enkel zeilschip kunnen afmeren. Met het huidige warme weer kregen we de indruk van een badderplek aan de Middellandse zee, de geur van pijnbomen, het hete zand, ijsjes etende mensen, en ongeplaveide wegen waar we met onze fietsjes soms maar moeizaam op vooruit kwamen. Aangelokt door de vermelding als zou er een visrokerij zijn, zetten we, na het hele eiland rondgefietst te hebben, koers naar het kleine vissershaventje op de westkust. Naast de rotzooi, tonnen met visnetten en visfuiken lag er een splinternieuwe kotter geheel van aluminium gebouwd. Een visserman was nergens te bekennen. Nieuwsgierig opende ik een grote deur, die imponeerde als de deur van een koelcel. Ik zag slechts een paar lege plastic zakken.Geen vis te bekennen. Enigszins teleurgesteld hebben we onze boterhammetjes zittend op de twee stoelen voor het vissershuisje verorberd en dachten ons er een stuk gerookte zalm bij. Verder fietsend belandden we bij Tomas een vriendelijke oudere visser die uitstekend Engels sprak. Hij vertelde dat er in dit gebied geen zalm wordt gevangen, de enige vis die hij vangt is Paling en Bot. Bot wordt net als de Paling gerookt. Van oudsher is het armeluiskost, niet bepaald verfijnd van smaak. Het rookproces doet de Bot goed, zodat ‘bot vangen’ hier een andere betekenis heeft gekregen. Wat de Zweden erg goed kunnen en ik denk de Denen ook, is haring inleggen in allerlei verrukkelijke sausjes. Verrassend lekker. Ik moet even denken aan een minder geslaagd equivalent, de Nederlandse Rolmops, mijn opa was er dol op (ik vond het destijd vies en glibberig): haring in het zuur gewikkeld om een stuk augurk. Mijn inziens alleen geschikt om rechtop in het zand te zetten en om toe te kijken wat de meeuwen er van vinden. In veel gerechten wordt Dille verwerkt, een kruid dat in de Nederlandse keuken slechts spaarzaam wordt gebruikt. De lichte anijsachtige smaak zul je in de Franse en Italiaanse keuken meer terugvinden in de vorm van Venkel en Dragon. Dille moet je niet laten meekoken, omdat het snel zijn smaak verliest. Dille toegevoegd aan rauwe zalm die men in vroeger tijden een paar dagen onder de grond liet besterven is een ware delicatesse: Graved Lax.We mochten het verschil proeven tussen warm gerookte en koud gerookte zalm. De laatste wordt gerookt met de vuurbron op afstand, waardoor er de smaak van rook aan komt, terwijl de vis nog een rauwe textuur heeft, of in gewoon Nederlands, nog ‘beet’ heeft. Dit rookproces duurt langer en maakt de vis duurder.
Tomas gaf me zijn telefoonnummer, wanneer we in de buurt zijn moesten we bellen. Als hij gerookte vis had konden we die bij hem ophalen. Nu was er niets, zijn handel was al naar de wal verscheept en ligt nu in een of ander restaurant op een smulpaap te wachten. Weinig aangedikt maar toch verkwikt fietsten we terug naar het strand, waar we op de veerboot wachtten die ons terugbrengt naar Gränsö.
Samen met kinderrijke gezinnen, enkele begeleid door opa’s en oma’s, stappen we aan boord van de veerboot. Gezellig samen hobbelen we over de golven onder het slaken van gilletjes als de boot een schuiver maakt. De volgende stop is Gränsö.
Aan de steiger ligt Nika, ze wacht geduldig.
We zijn weer thuis.
Foto’s:
Nika aan de steiger bij het hotel op Gränsö
fietsen op Hasselö
het vissershaventje
het strand

Een droom


Ik droom. Over de steiger schrijdt ze naar ons toe, de rug recht en zelfbewust. Haar paarde-staart wipt bij iedere stap omhoog. Zo jong als ze nog is, de lange schort tot op haar enkels geeft haar slanke verschijning een extra accent. Bij ons schip aangekomen vraagt ze ons ‘of we nog iets nodig hebben’. Verbaasd over zoveel zorgzaamheid kunnen we niets anders bedenken dan dat we wat brood voor de volgende dag nodig hebben. Ze verdwijnt richting het restaurant en komt even later terug met een dienblad vol met heerlijkheden, een zelfgebakken brood, twee koppen koffie en twee Zweedse broodjes. ‘Van het huis’ zegt ze, als we behalve het brood ook de rest willen betalen. Het was geen droom, dit overkwam ons nadat we vergeefs de tocht naar Blankaholm en weer terug hadden gemaakt. Het was moeilijk om een plek te vinden die voldeed aan onze wensen: Internet, water en een ligplaats uit de wind. De steiger van het Gränsö slott, vlak bij Västervik is nu niet direct om over naar huis te schrijven en het is ondiep bij het begin van de steiger. Maar het hotel is net klaar en alles blinkt van nieuwigheid. De Engelse tuin om het complex ziet er prachtig uit en de gastenverblijven zijn aparte huisjes met eigen terras. Het hofje tussen de huisjes heeft een zwembad. Naast al dit moois is er het oorspronkelijke slot, dat nu dienst doet als restaurant en conferentie oord. Van het strandje bij het restaurant klinken vrolijke stemmen van kinderen die in het ondiepe water spelen terwijl de ouders, genietend van het mooie weer, op het grasveldje toekijken. Toen we eenmaal aan de steiger vast lagen viel er van alles op zijn plek. Het wachtwoord voor de internetverbinding van het hotel werd zondermeer gegeven. Toen ik in het breakfast-restaurant vroeg of er een supermarkt of een landhandel in de buurt was, vertelde het meisje met de paardestaart dat het helaas ver weg is,’of ze ons misschien met één en ander kon helpen’. Verlekkerd kijkend naar de mooi opgemaakte broodjes in de vitrine, zeg ik dat een beetje garnalen en wat gerookte zalm prima zou zijn. Met de ‘ferske potatis’, de nieuwe aardappelen en de sla, die we nog hadden zou er een prima diner mee te maken zijn. Na overleg met haar chef stond ze daar met 3-4 ons garnalen en 2 ons gerookte zalm voor onze neuzen, “of dat genoeg was?’ ‘wel, wis en waarachtig, meer dan genoeg!’ De combinatie van koude garnalen, gerookte zalm en de sausjes die we snel in elkaar knutselden, tesamen met warme nieuwe aardappelen en sla deed ons kwispelen van genoegen op de bank in de roef.

Zweeds recept:
±2 ons garnalen
1 ½ ons gerookte zalm
Gekookte nieuwe aardappelen.
Sla.
Voor de roze saus :
1 eetlepel mayonaise
2 eetlepels zure room of créme fraiche
1 halve eetlepel tomatenketchup
scheutje wiskey of cognac
zout en peper
eventueel wat bieslook

voor de witte saus:
1 eetlepel mayonaise
2 eetlepels zure room of créme fraiche
verse dille of een scheutje pernod
citroensap naar smaak
zout en peper naar smaak

Een plek om te onthouden, een droom van een plek.
Niet eerder werden we zo zorgzaam en gastvrij onthaald in Zweden.
Morgen heeft ze vrij.

foto’s:
de steiger van het hotel
zo ziet het er uit

Heen en weer tussen de scheren.



Toen we Blankaholm zagen opdoemen, hadden we het gauw gezien. Een behoorlijk vervallen gasten-steiger en allerlei nauwelijks zichtbare obstakels van verrotte palen die in betere tijden dienden als houvast voor bezoekende schepen. We hoopten er een mooie plek te vinden om zoon, vrouw en kleinkinderen een aangenaam verblijf in Zweden te bieden. Naarmate we verder de “fjord” (het kan niet eens de naam hebben) invoeren werd het landschap eentoniger. Naaldbomen en nog eens naaldbomen. Het gevarieerde scherengebied dat er steeds weer anders uitziet, verliest zich in eeuwige bossen, nauwelijks verheven boven het wateroppervlak. Na wat rondgekeken te hebben zijn we schielijk omgedraaid en liggen nu op 7 meter diep water voor anker in een lief baaitje. In de pilot wordt het niet vermeld. Zonnetje in de kuip, helemaal alleen, aan hoger wal, beschermd tegen de te verwachten harde noordoostelijke wind.
Het navigeren in de scheren is lastiger dan in Noorwegen. We hoorden dat lang niet alles goed in kaart is gebracht en een uitje buiten de betonning resulteerde in een driewerf ‘doenk’. We raakten drie onderwaterrotsen, maar gleden er gelukkig overheen. En dat ondanks nauwkeurig volgen van de kaart en de plotter. De tweemeter lijn op de kaart blijkt eerder een 1.20 meter lijn, omdat we met onze diepgang van 1.35 m toch de bodem raakten. Een les om nog meer binnen de betonning te blijven. Na van de schrik te zijn bekomen, blijkt het schip bij inspectie binnen nog droog en dat is ze nu nog steeds. We zijn doorgevaren naar Figeholm, een leuke plek waar we door een plaatselijke grootheid prompt voor de volgende midzomer werden uitgenodigd.
We konden het niet laten, iets ten noorden van Figeholm, buiten de betonning, vonden we de volgende dag een plek om Zweeds te ankeren; puntje van het schip naar de rots en achter het hekanker uit. Een heel gedoe om het allemaal naar tevredenheid af te ronden. Een vriendelijke Finse vrouw van een schip dat een eindje verder aan de rots lag, hielp ons om een extra lange lijn aan een boom hoog boven de steile rots te bevestigen. Het hekanker pakte zowaar in één keer en na wat gerommel met de lijnen lagen we vast. Op prettige afstand van het Finse schip, dachten we het rijk alleen te hebben. Amper lagen we vast of een Zweeds scheepje met twee oudere mensen vaart op ons af. De man plompt zijn hekanker met een nonchalante zwaai twee meter naast het onze in het water. Hij legt zijn schip naast ons vast alsof hij een box binnen vaart. En dan te bedenken dat er genoeg plek verderop was om vast te maken. Ik probeer hem, enigszins vals, nog op andere gedachten te brengen, door te wijzen naar een onderwaterrots, vlak bij de boeg van zijn schip, maar daar had deze man geen boodschap aan.
Ze spraken nauwelijks Engels en ik geen Zweeds, waardoor de conversatie nogal moeizaam verliep.Het moet gezegd worden, het was een rustig stel, ondanks dat ik ze de ene na de andere bel wijn zag innemen, iets dat bij de meeste Zweden al snel tot luidruchtigheid leidt. Af en toe betrapte ik me erop dat ik hen stiekem door de patrijspoort, waar je van buiten naar binnen niet goed door heen kijkt, maar van binnen naar buiten des te beter, beloerde, wat ze nu weer aten. Hele gemarineerde biefstukken van de barbecue en gepofte aardappelen, terwijl wij net de overigens heerlijke zelfgemaakte nasi op hadden. Vleesje en visjes roosteren, daar zijn ze goed in, de Zweden. Overal waar je aanlegt staan openbare grillplaatsen waar je met je eigen houtskool en meegebrachte eetwaren gebruik van mag maken.
Toen ik me ’s ochtends stond te scheren, zag ik, opnieuw door het raampje naar buiten loerend, dat mevrouw ‘Buur” met een handdoek om in de kuip zat, ze had net gezwommen, een bezigheid die me in dit koude water meer doet denken aan zelfkastijding.
We wilden weg en de wind was wat gedraaid. Ons schip losmaken betekende dat ik achteruitvarend hun ankerlijn zou kruisen en misschien in de schroef zou krijgen. De Zweed en zijn vrouw begrepen onze bedoelingen, onderbraken de afwas en vertrokken als eerste. Probleem opgelost. Aardige mensen.
Västervik is een mooi stadje, waar we een variant op het hekanker beproefden, meerboei achter met een haak oppikken en dan met de boeg naar voren vast maken op de steiger. Met weinig wind een makkelijke procedure, zeker als er ook nog iemand op de steiger je lijntjes aanpakt en met één voor
één de vingers buigen aangeeft hoeveel meter ik nog van de kant ben, een truuk die Nienke en ik inmiddels al langer in ons communicatieprotocol hebben ingelijfd. Vanwege mijn slechte gehoor, versta ik vaak andere woorden dat Nienke bedoelt. Als ze roept om het trapje, kom ik naar voren met een langere tros, of als ze vraagt om de verrekijker, meen ik te horen dat ik naar de sterren moet kijken. We maakten de afspraak dat ik voortaan eerst herhaal wat ze roept, voordat ik wat doe. Misschien moeten we maar eens overwegen een roeptoeter aan te schaffen zoals ze die gebruiken in de roeisport. Met die roeptoeter voor haar mond gebonden heeft ze haar beide handen vrij en vergeet ze niet dat ze zich naar mij moet toewenden om een aanwijzing door te geven. Het gehoorapparaat dat ik meestal liever niét draag is in winderig weer een ramp. Ik hoor de wind en niets anders dan de wind en Nienke’s woorden waaien weg met de wind. Wat overblijft is hulpeloos kijken en verzinnen wat er is gezegd. Ik wacht op het technisch wonder dat selectief kan horen en alle bijgeluiden wegfiltert. Pluspunt is dat we allebei met ons leven aan boord veel beweeglijker zijn geworden, al ligt de stijfheid op de loer als de wind te koud is.De lijven reageren steeds sneller op veranderende weersomstandigheden. Ach wat maakt het uit, we kunnen dit doen en we genieten met volle tuigen van het zeilersleven. Elke dag is anders, en brengt nieuwe ervaringen.
Zoals eerder gezegd, we liggen voor anker, in de buurt van Blankaholm. De zon gaat met een uurtje onder. We realiseren ons dat we hier, zij het veel meer naar het oosten, op dezelfde breedtegraad zitten als het zuidelijkste puntje van Noorwegen, Lindesness.De middernachtszon is ons dit jaar niet gegeven. De Zweedse scheren zijn misschien minder spectaculair dan de Noorse fjorden, het oogt hier wel vriendelijker en we vergapen ons aan de prachtige plekken met daarop een roodbruin huis verdekt opgesteld tussen bloeiende heesters en bomen.
Het is 9 uur ’s avonds, tijd om de vlag te strijken. De Zweden zijn daar nogal precies mee, zelfs het gastenvlaggetje moet gestreken worden. Dat laatste vergeten we maar, een beetje recalcitrant als het om etiquette gaat.
bij de foto’s:
rotsen
een meerboei
Zweeds ankeren
vast met een lange lijn naar de wal en het hekanker uit.

Over havenmeesters en midzomerfeest




De haven-meester van Kristianopel houdt van muziek. Over de kade klinkt klassieke muziek, Zweedse smartlappen en een demonstratie-cd met diverse motoren-geluiden. We herkennen een éénpitter Kromhout motor, een slecht afgestelde meercylinder-dieselmotor en een grasmaaimachine. Dat hij de motoren-cd steeds herhaalt lijkt ons te maken hebben met zijn hobby of zijn vroegere werk. Een merkwaardig ‘muziekkeuze’, al lijkt hij er zelf van te genieten.
Het is nu stil. Een ieder bereidt zich voor op het mid-zomerfeest dat hier in Zweden groots gevierd wordt. In de kuip van het schip naast ons worden wafeltjes en aardbeien genuttigd, weggespoeld met een glas bubbels. De rijkelijk gepavoiseerde schepen in de haven versterken de toch al fleurige aanblik van Kristianopel. Het plaatsje is een lust voor het oog, met al haar mooie oude houten huizen en tuinen vol met weelderig groen en bloemen.We liggen prachtig beschut voor de westenwind met de kop van het schip naar de kade, achter vastgemaakt aan een boei. Nooit eerder lagen we zo in een haven. We zullen er aan moeten wennen, want het is dé manier om je schip vast te leggen in Zweden. Wij als buitenlanders zullen ons moeten aanpassen. Het moet gezegd worden, ze zijn er heel handig in; aan komen varen, opzij van de boei, een haak aan de ring op de boei bevestigen en dan langzaam naar voren varen om vervolgens op de kade een lus om een bolder of een toevallige passant te gooien. Als de passant ophoudt met schreeuwen, vraag je hem vriendelijk of hij de lijn aan een ring op de kade wil bevestigen. Indien de passant niet bedaart ,bied je hem een glas oude jenever aan, een gebaar dat geen Zweed kan weerstaan. De oogjes van de havenmeester van Utklippan(onze vorige bestemming) begonnen te glimmen toen we hem een oude jenever aanboden. Nauwelijks het glas in zijn hand en aan zijn lippen of het kostelijk vocht was in zijn keelgat verdwenen. Vergenoegd liet hij een boer en rekende ons 30 kronen minder havengeld, constaterend dat ons schip echt de 12 meter niet haalde.
Ja, we waren op Utklippan en Hanø. Laat ik maar met Hanø beginnen. Een parel in de Hanøbukt. Het eiland wordt 6 maal per dag bezocht door een kleine veerboot. Plantjes en potgrond voor het komende “midsommerfest” staan, nadat de veerboot weer is vertrokken, naast de levensmiddelen op de kade. Hanø was ooit in bezit van de Engelsen die het gebruikten als handelspost en overlaadstation van goederen uit Rusland. Er is zelfs een begraafplaats van Engelse soldaten op de noordpunt van het eiland. De wandeling naar de vuurtoren is de moeite waard en we waren beide verrukt van het landschap.
Van zowel het zeilen van Ystad naar Hanø als van de tocht van Hanø naar Utklippan hebben we enorm genoten. Het eerste stuk tot de kaap vanaf Ystad naar het oosten was hobbelig met flinke golven. De wind schuin van achteren gaf Nika vleugels en ze danste met sierlijke slingers over het golvenlandschap. Nadat we de kaap gerond hadden vlogen we met een half-windse koers naar Hanø. Na een schitterende dag op Hanø voeren we, aanvankelijk op de motor, later met grootzeil en genaker naar Utklippan, een rots midden in zee. Vroeger een vluchthaven voor de vissers, nu met name een springplank voor de zeilers die naar het noorden of zuiden willen. Omringd door nestelende meeuwen en sterntjes liggen we prima beschut voor de toenemende harde wind. De grijze meeuwenjongen zijn al zo groot dat de meeuwen maar zwakjes protesteren als we langs hun nesten lopen. Met een roeibootje maakten we een overtochtje vanuit de haven, op het noordelijk rots-eilandje, naar het zuidelijk rots-eilandje . Er staat een jeugdherberg en het huis van de havenmeester en de vuurtoren die dateert uit het midden van de 19e eeuw.
Vol verwachting zagen we de komst tegemoet van een Hutting 45 die vanaf Bornholm Utklippan zou aandoen. F.H. stuurde zijn schip handig tussen de bakens door waar hij afmeerde naast de Nika.
Het tochtje van Utklippan naar Kristianopel (23 mijl) was ruig. Pal voor de wind (beaufort 5-6) weglopend met eerst de stagfok en later alleen de kluiver , maakten we op de hoge golven flinke schuivers, waarbij we zelfs een breker in de kuip kregen. De doffe dreun (ik dacht dat we tegen een boomstam aan voeren) gevolgd door een bak zeewater op een plek waar we meenden droog te blijven deed ons wel even schrikken. Zulke hoge golven hadden we nog niet eerder mee gemaakt. Naarmate we de Kalmarsund en Kristianopel naderden werd het allemaal wat rustiger. Prettig als je op een haven moet aansturen.
Het is midzomerfeest. We blijven een dagje liggen. Er gaat gedanst worden rond een met bloemen en groen versierde levensboom. De kinderen tooien zich met margrieten en korenbloemen.
Misschien moet ik de havenmeester van Kristianopel ook maar een oude jenever schenken.
bij de foto’s:
midzomerfeest
Kristianopel
margrieten, margrieten en een klein meisje
de havenmeester van Utklippan
alken op een rots van Utklippan
golvenvreugd, ofwel zoals onze oudste zoon over het filmpje zei een “deftig tochtje”


Van een goede Deen, oude stenen en gerookte vis



Nauwelijks hebben we de lijntjes vast-geknoopt aan de steiger van Småbot-hamn Ystad of twee in gele zeilpakken gestoken mensen stuiven op ons af. De man begint in rap Deens tegen ons te praten. Het klinkt als het gegak van een gealarmeerde gans die op ons afkomt op het moment dat we zijn erf betreden. De luid pratende man wordt af en toe onderbroken door zijn vrouw die in krom Duits enkele woorden van haar man voor ons vertaalt. Nog te zeer bezig met het controleren of alles er goed bijligt had ik niet in de gaten dat Nienke hen tussentijds had geholpen met het aanleggen. Hun bedoelingen blijken allerminst afwerend. Met een rol wegwerp-borrelglaasje onder de arm, schenkt hij, vrolijk doorratelend, de twee glaasjes in zijn rechterhand vol met Aquavit uit de fles in zijn linkerhand. Verbouwereerd proosten we met hen en nippen voorzichtig van de ‘steigerslok’. Het spul (45% zie ik in grote letters op de fles staan) giert ons door de keel. Niet helemaal wetend hoe we op deze hartelijkheid moeten reageren, duiken we, een woord van dank mompelend weg onder de sprayhood als of er nog veel te regelen is. Een sekonde later staan ze met hun fles bij een ander schip eveneens een borrel in te schenken. Zelf zo meedrinkend krijg je in korte tijd je portie wel binnen. Die hartelijkheid is welgemeend. In no time heeft de man zich ontpopt tot de substituut- havenmeester, en regelt datgene wat de echte havenmeester nalaat. Die zit op zijn kantoortje en int het liggeld. De Deen en zijn vrouw stonden de volgende dag wederom op de steiger bij ons schip. De goede man begint in zijn voor ons onverstaanbare taal, heftig gebarend en af en toe onderbroken door zijn vrouw, uit te leggen dat een Nederlandse trimaran, gezien de te verwachten storm, niet goed ligt op zijn huidige plek. De Nederlandse schipper, op gehoorsafstand, houdt wijselijk zijn mond. Na enig heen en weer gepraat, begrijpen we van de Deen dat hij wil dat we een 10 tal meter naar voren gaan liggen zodat hij achter ons kan liggen en de trimaran naar hun vrijgekomen plaats kan verkassen. Bijna dezelfde vraag wordt ook gesteld aan het schip dat achter ons ligt, maar dan om een aantal meters naar achteren te gaan. Zo gezegd zo gedaan. De gecreëerde open plek tussen ons en het schip achter ons blijkt echter te kort om het Deense schip te herbergen. Inmiddels heeft de trimaran de haar aangeboden plek ingenomen, zodat de goedwillende Deen met zijn vrouw ronddobbert zonder plek om aan de steiger te liggen. Intussen had de schipper achter ons zijn eigen schip al mopperend weer op de oude plek verlegd. Na diepgaand onderzoek vonden we bij de dieselpomp op de kade een plek waar de Deen kon gaan liggen. Een plek waar hij uiteindelijk niet blij mee was, want de volgende dag lag hij elders en gelukkig nu met de kop op de wind. Moraal van dit verhaal: ‘wie goed doet, ontmoet niet altijd goed’.
Wij liggen nu op de beste plek van de haven, vlak achter het restaurant waar de meest vreemde bakluchten onze neiging om ons culinair te laten verwennen de grond wordt in geboord.
We hadden een prachtige zeiltocht met ruime wind vanuit het Falsterbo-kanaal naar Ystad. Na een nacht hobbelen en bonken tegen de steiger, zijn we met het oog op de te verwachten storm verkast naar een andere plek in de haven. Constant loerend door de patrijspoorten hielden we de scheepsbewegingen in de gaten, opspringend om de touwtjes los te gooien zodra er een betere plek vrijkwam. Ik denk dat we in een rondedans door de haven, het schip wel 4 keer hebben verlegd.
Inmiddels loeit de storm om de mast en klettert de regen gestadig op het dek neer. We liggen te schommelen als een kinderwagen met te slappe vering op de hobbelkeien. De landvasten, verdubbeld, houden ons keurig ‘te plak’.
Onze Zweedse vrienden die nog met hun schip in Malmø liggen vanwege het slechte weer, namen ons vanuit Ystad in de auto mee op een rondtrip door Skåne, het zuidelijke deel van Zweden. Vroeger was dit gebied Deens. Het landschap is glooiend met hier en daar bossages en oude boerderijen, een landbouwgebied met uitgestrekte graanvelden. De kust deed ons denken aan Vlieland met haar brede stranden en voortdurend veranderende zandbanken. Destijds was deze zuidkust van Zweden een geliefkoosde plek voor standjutters en piraten om langsvarende schepen bij slecht weer en ontij, met valse geleidelichten naar het strand te lokken. Op de steile zandklif van Kåseberga staat het ‘Stonehenge’ van Zweden, ‘Ales Stennar’. Men weet niet precies wat de in een grote ovaal gerangschikte monolithen betekenen. Het is geen grafheuvel; misschien een heilige plek uit het IJzer-tijdperk of een vergaderplek uit de Vikingtijd?
En als je nu eens echt van gerookte zalm wilt genieten moet je naar Simrishamn gaan waar we de beste gerookte vis kochten die we ooit aten. Aan boord aten we met onze vrienden de koudgerookte gemarineerde zalm, gerookte en gekruide makreel en gerookte haring met nieuwe aardappelen en een soort zure room, Gräddfil, dat we op aanraden van de Zweedse vrienden erbij kochten.
Als het niet meer regent ga ik de viswinkel in Ystad maar eens bezoeken.
bij de foto en het filmpje:
onder de brug van Denemarken naar Zweden door
de flintstones
Ales Stennar
filmpje aan de steiger in winderig Ystad