Motoren of zeilen

Als opstappers mee aan boord bij vrienden varen we richting Dene-marken. We hadden het bedenke-lijk genoegen, bij gebrek aan wind, tot en met het Noord-Oostzeekanaal door de Duitse Bocht te moeten motoren. Motoren met een zeilschip is zoiets als fietsen met een brommer. De vergelijking is wat krom, om fietsen te vergelijken met motoren en brommeren met zeilen. Je komt vooruit met je scheepje op de motor en je bereikt mits het motortje blijft draaien je bestemming, dat dan weer wel. Maar is het een genoegen?
De slappe deining ten gevolge van een wind-rijkere plek ergens verder op de Noordzee doet het schip rollen. Het grootzeil dat we uit luiheid hebben laten staan of laten we het positief melden, dat we in afwachting van wind alvast hadden gehesen, laat zich wat bollen door de vaarwind. Regelmatig kijk ik om me heen om steeds weer tot de ontdekking te komen dat er vrijwel niets te zien is behalve de vrijwel gladde zee en door vage nevel omhulde eilanden in de verte. Stilletjes hoop ik de vinnen van een paar bruinvissen te zien. Maar nee, het stukje zee waar we varen is blijkbaar niet interessant voor een vismaaltje. De jonge makreel is in deze tijd van het jaar nog spaarzaam in de zeegaten tussen de eilanden.
Eigenlijk is de nacht op zee het aardigste. Je ziet ondanks het duister veel. De volle maan verlicht het water met een brede lichtweg naar het schip en wanneer je naar het Noorden kijkt is er het flauwe licht van de zon achter de horizon. De zon, die haar reis onder de Noordpool door, naar haar opgang in het Oosten maakt. Op onze reis naar Noorwegen 3 jaar geleden werd dat licht van de zon in het Noorden steeds helderder totdat we op de Lofoten de zon niet meer onder zagen gaan.
Samen, Nienke en ik, lopen we, of beter gezegd, zitten we in de nachtwacht van 11 tot 2 en van 5 tot 8 uur. Samen knus achter de sprayhood met een dekentje over de benen. Om de beurt scannen we een 360º-rondje over het wateroppervlak, waarbij we ook de lichten van de schepen proberen te koppelen aan de AIS gegevens op de plotter. Telkens als we het volgende waypoint bereiken stellen we de koers op de stuurautomaat bij naar het volgende waypoint. Ieder uur noteren we de positie van het schip in het logboek.
Behalve het geluid van de motor is het stil om ons heen, de wolken glijden als groteske grijs-zwarte bloemkolen lang de hemel, aan één kant verlicht door de maan. Het schip trekt felgroen fluorescerende strepen in het donkere zeewater. Een gratis lichtspel van het plankton. We zijn ons terdege bewust van onze nietigheid in dit vredige wijdse zeelandschap, dat bij harde wind zomaar een vijand kan worden.
Onze vrienden liggen tijdens onze tweede wacht te slapen. We laten ze een uurtje langer slapen, het is immers geen straf om zo de wacht uit te zitten. Het motorgeluid dat op de achtergrond te horen is ervaar ik als een muziekinstrument dat melodieën lijkt voort te brengen, melodieën met een zich herhalend thema, dat ik niet uit mijn hoofd krijg. Niet dat ik oververmoeid was of hallucineerde, maar mijn waarneming veranderde in die nacht op zee.
Na een welverdiend rustdag in Rendsburg op 2/3 afstand in het Noord-Oostzeekanaal en een volgende etappe naar de Engelse Yachtclub, vlak bij Holtenau, kunnen we voor het eerst lekker zeilen. Met een rif in het grootzeil, stuiven we met een flinke bries de Kieler Bucht uit, richting Sonderborg. Er zijn zeil-wedstrijden vanwege de Kieler-Woche. We moeten af en toe uitwijken voor de boten in het wedstrijdveld.
Wat een genot, het schip ligt op haar stuurboord-oor en haar hekgolf slaat bruisend om bij de spiegel. Het log laat een snelheid door het water zien van 7.5- 8 knopen. Voortdurend kijken we of de zeilen niet bijgesteld moeten worden.
‘s Nachts varen op de motor mag dan een bijzondere ervaring zijn, voor het blije gevoel kies ik liever voor het varen onder zeil met een mooie westenwind, de zeilen strak en de schoten vast.
Ik ben nog niet toe aan een motorboot is mijn conclusie, maar over een aantal jaren, misschien, en dan ook eens vaker ‘s nachts varen?
bij de foto’s: Sonderborg en onderweg naar Augustenborg

Pas op de plaats

Met verbazing be-schouwen we de rust op de motorboot voor onze wal. Nee,er beweegt echt niets behalve de vlag in de stevige Oostenwind.
De laatste dagen was de man, de schipper nemen we aan, constant bezig zijn schip te reinigen van stof, vogelpoep en andere ongerechtigheden. Met grote ijver zagen we hem, enigszins gestoord door zijn overmaats buikje, over het dek kruipen met emmers, sponzen en lapjes. Eerst moest de schaduwzijde van het schip gepoetst worden, vervolgens de zonzijde en de bovenkant. Vol verwachting keken we toe wanneer hij aan het onderwaterschip zou beginnen. Begrijpelijk dat hij daar geen heil in ziet, omdat het daar nogal nat is. Als beschouwende toeschouwers bloeien bij ons allerlei fantasieën op over hoe de relatie tussen schipper en schipperse zou kunnen zijn. Vindt hij dat ze niet goed kan schoonmaken of heeft hij smetvrees en is zijn vrouw eigelijk zijn zuster waar hij al jaren mee samenwoont? Heeft hij zijn motorboot gekocht om zijn vrouw/zuster te pesten omdat ze al jaren een zonneallergie heeft? Het enige wat we van de vrouw zien is een vage schim die af en toe in het stuurhuis voorbij schuift. Wat doet ze zoal de hele dag en hoe communiceren die twee?
Het ‘Voorntje’, zo heet de boot, ziet er bepaald niet uit als een klein visje en ik vermoed dat de motorboot splinternieuw is. Ze ontneemt ons het uitzicht op de bloeiende sering aan de overkant van het water en zo langzamerhand beginnen we te hopen dat ze na 5 dagen toch eens een keertje zal oprotten om plaats te maken voor een ranker scheepje met mooiere lijnen dan die van het Voorntje.
Tijdens het ontbijt op zondagochtend zien we tot onze verbazing een ander motorscheepje voorbij schuiven met de naam ‘Ruutvoorn’, inderdaad ‘Ruutvoorn’, waarbij we dan wederom aan het fantaseren slaan. Heet de man Ruut? Of had de schilder last van dyslexie? Bootnamen zijn een voortdurende bron van verwondering en vermaak. Het is toch raar om een joekel van een motorboot te zien afmeren met de naam ‘Potje’ of nog erger ‘Mientje’. Laatst voer er een merkwaardig vaartuig voorbij dat leek op een gammel drijvend wc-hokje met de naam ‘Titanic’, misschien wel gegeven op het binnenkort te verwachten einde. In Friesland is een huis op varend onderstel te huur. Tijdens het varen sta je binnen in de huiskamer aan een ondermaats roer te draaien terwijl je vrouw en kinderen aan het scrabbelen zijn. Op afstand bekeken leek het ook mogelijk het varend huis te besturen vanaf de veranda, zittend op een stoel die met recht een schommelstoel genoemd mag worden. Gezien de platte bak waar het huis op staat, kan ik me niet voorstellen dat je daarmee een knobbelig vaarwater op comfortabele wijze oversteekt zonder natte voeten te krijgen op de drempel van je huiskamer. De schilderijen aan muren moeten dan ook goed bevestigd zijn, willen ze niet bijdragen aan het ontstaan van zeeziekte op het Snekermeer bij windkracht 4-5.
Vanuit ons huis aan de Geeuwkade, zo vlak bij de Waterpoort genieten we van al dat gene wat zich op het water meent te moeten voortbewegen. Daar zijn we nog lang niet op uitgekeken.
Ons schip de ‘Nika’ staat te koop helaas, maar we hebben ons ermee verzoend. Na de verkoop zijn er weer volop mogelijkheden voor nieuwe projecten. Of we ooit in een motorboot zullen stappen valt nog te bezien. Misschien een kleintje voor “erbij”. Eerst maar even pas op de plaats.

Signeren op Boot Holland

Voor de stand van Datema op Boot Holland bladert een oudere dame in mijn boek ‘Noorder-zon, droomreis naar de Lofoten’. Tijdens het bladeren kijkt ze af en toe naar de mensen die haar passeren en lijkt daar meer in geïnteresseerd dan in de foto’s van mijn boek. ‘Daar hoef ik voor mijn praatje niet naartoe’, concludeer ik.
Signeren van een boek is voor mij een nieuwe bezigheid waarbij ik moet inschatten of iemand wel of geen belangstelling heeft voor het boek. Regelmatig maak ik die inschatting verkeerd. Een ongeïnteresseerd lijkende jongeman komt aanlopen, kijkt terloops naar het boek op de tafel, slaat 2 bladzijden om en zegt ‘doet U er maar een, ‘t is voor mijn vader’. Ik kreeg nauwelijks de kans om een toelichting te geven of aanstalten te maken om een verkooppraatje te houden. Het was ‘zo maar” goed, moeite hoefde ik niet te doen.
Een belangstellend echtpaar, beide zeilers, naar ze me vertellen, was al eerder die kant van Noorwegen op gevaren. Ze beginnen een uitvoerig gesprek met mij en lijken erg enthousiast over mijn boek. ‘Erg mooie foto’s’ zegt de vrouw, waarna ik te horen krijg waar ze allemaal geweest zijn. Dan, heel abrupt groeten ze mij en lopen door zonder mijn boek te kopen. Mij in lichte verbijstering achterlatend. Heb ik daar nu een kwartier mijn best voor gedaan? Geïnvesteerde tijd mijnerzijds is blijkbaar geen garantie voor de aankoop van mijn boek. Je kunt er niets van zeggen, is mijn conclusie en al mijn opgebouwde mensenkennis gedurende mijn werkzame leven als arts blijkt hier op de beurs een pijnlijke misvatting als ik zie hoe er door de verschillende beursgangers gereageerd wordt. Verwachtingen hebben lijdt hier tot frustraties. Pas op de derde dag krijg ik het een beetje door. Niet te snel op de mensen afstevenen en niet direct je hele hebben en houden vertellen. Een vraag als ‘ bent U er al eens geweest’ of ‘was U van plan om eens naar Noorwegen te gaan’ zijn goede openingen voor een gesprekje. Het maakt het allemaal wat relaxter en minder vermoeiend, ontdek ik.
Vorig jaar op de natte Hiswa, vond ik het erg lastig om mijn eigen handel aan te prijzen. Waarom zou iemand mijn boek moeten kopen? Afgezien van het feit dat het bij een gerenommeerde uitgeverij is uitgegeven kreeg ik geen commentaar anders dan van kennissen en vrienden. Die zullen niet snel tegen mij zeggen dat ze het boek waardeloos vinden. Echter, waardering voor wat je hebt gemaakt lijkt waardevoller als die uit onverdachte en onverwachte hoek komt.
Ik moet zeggen dat nu er op het boek de sticker met ‘beste reis-fotoboek 2010’ prijkt, het me beter lukt om het boek aan te prijzen en te verkopen. Dat ik er wat in mag schrijven is voor aantal mensen een smaakmaker. Grappig is dat Nienke die 2 dagen mee signeerde erg goed was in het aanprijzen van het boek en de verkoop ervan. De juiste toon, de juiste overtuiging en goed in staat om haar enthousiasme over te brengen. Van een afstandje bekeek ik de geanimeerde gesprekjes van haar met de potentiële klanten.
Het doet je goed als er mensen langs lopen die even de duim opsteken en melden dat ze het boek al gekocht hebben en het het mooi vinden.
Een apart gebeuren zo’n beurs, ik heb weer veel geleerd over mensen en over mezelf.
Zal ik ooit nog eens een boek schrijven? Ik weet nu wat er allemaal aan vast zit.
De inspiratie zal het bepalen.

Schaatsen vanuit je voordeur

Ja,dat kan als je aan het water woont. De voordeur open en met in de woon-kamer al onder gebonden schaatsen de weg oversteken, bijna struikelen over het lage hekje en dan voorzichtig op het tot ijs getransformeerde water stappen. Een beetje eng,vooral als nog niemand voor je over het ijs is gegaan. Toen wij de ijzers onder bonden (helaas waren we vergeten ze te laten slijpen) waren er gelukkig al een paar eerstelingen onze voordeur gepasseerd. Een dun laagje sneeuw verhult de bobbels en de scheuren zodat we bepaald onbezorgd de benen uitslaan. Het valt ons mee, we komen redelijk vooruit en verder op wordt het schaatsgenoegen alleen maar beter als ook de sneeuwlaag door de wind blijkt weg geblazen, een spiegelgladde ijsvloer strekt zich uit voor ons. Zwierend glijden we over de Geeuw richting IJlst. Een waterig zonnetje doet zijn best om door de nevelige winterwolken het onderland te belichten. De landerijen zijn wit van de sneeuw, de spaarzame bomen en struiken langs de Geeuw wit berijpt.We genieten van de omgeving die zich zover het oog reikt van haar mooiste kant laat zien. Bij IJlst slaan we na de Molen links af het vaartje in, waar we moeten klûnen bij de brug.Vandaar rijden door naar de Wijde Wijmert. Het ijs is even van mindere kwaliteit door de verwaaide takjes riet en door de wind opgeworpen ribbeltjes. Naar IJlst ‘om de west’ is het ijs weer prachtig en we wanen ons op ijs dat zojuist is geprepareerd voor een WK. Vóór de brug lijkt het ijs niet vertrouwd, de optie om 300 meter te klûnen verwerpen we en we keren om op onze glij-ijzers en nemen de dezelfde weg terug.Er staat vrijwel geen wind en we horen alleen het krassen van de schaatsen. Op de Geeuw is het nogmaals genieten, als we steeds beter in balans op Sneek afstuiven, langs de eendjes en de meerkoeten die een groot wak openhouden bij het aquaduct, langs het schoongemaakte ijsveldje van een paar enthousiaste ijshockeyers, langs de ‘koek en sopie’ van een paar slimme jonge ondernemers en langs een kindje dat ondersteund door haar moeder op haar dubbelijzers probeert overeind te blijven.Vreemd idee daar waar we anders varen, ‘lopen we schaats’ over het ijs. Zal het deze winter er toch dan weer een keer van komen? Een elfstedentocht langs onze voordeur? We zijn er klaar voor, de stoelen op de kade, een pan met warme chocolademelk op het vuur, zicht op de stempelplaats, wat wil een mens nog meer?

Op zoek naar een lampje

Vandaag waren we op zoek naar licht, om precies te zijn naar licht op tafel en licht in huis. Voorwaar geen lichtvaardig voornemen. Lampen genoeg, maar zijn er die passen in onze kamer?
In de winkel, een licht-designwinkel, ontdekken we telkens meer modelletjes; hangende lampen, staande lampen, muurlampen, rare lampen en ook best mooie lampen.

Vanochtend was de man van de winkel bij ons aan huis, opgetuigd met een glimmende aluminium design-koffer, waar hij met enige zwier een meetlint en tekenpapier uit tevoorschijn toverde. Een lichtplan maken bleek niet zo eenvoudig, en we zagen hem meerdere malen diep peinzen over de mogelijkheden ons tamelijk hoge optrekje van licht te voorzien. 5 meter hoogte is voor een licht-designer geen alledaagse kost. We hoorden de designraderen in zijn hoofd knarsen en ratelen. Het door ons aangeboden kopje koffie (wij hadden nog niets gehad en er zelf duidelijk zin in), sloeg hij af, wellicht zou de machinerie in zijn hoofd oververhit kunnen geraken.
Al peinzend rolden er een aantal ideeën uit zijn mond, waar wij zelf ook al eens aan gedacht hadden. Vanaf het plafond een lamp naar beneden laten zakken leek ons wel wat, al zouden daar nogal veel technische escapades aan te pas moeten komen. Een steiger in de kamer om een spanning-rail vanaf een ver verwijderde plek te monteren, waar dan de lamp zijn voeding van moest krijgen.
De spotjes die hij ook wenselijk achtte, zouden dan niet afzonderlijk regelbaar zijn tenzij er voor een voorzichtig door mij geopperde oplossing gekozen zou worden, waar ik direct spijt van kreeg; er bestaan kastjes waarmee je spotjes op afstand kunt bedienen, een zoveelste afstandsbediening in huis.
Alles kan, maar gelukkig moet niet alles.
Geleidelijk groeit de verwarring bij ons en we kijken elkaar af en toe vragend aan. Ik denk dan ‘dat kaarslicht van gisteren was toch heel gezellig’. Blijkbaar heeft de lichtman goede voelsprieten, want opeens is daar weer het idee van de booglamp, een mooi verpakt peertje aan een kromme hengel op een marmeren voet. Voordeel; een stuk goedkoper, geen gesol met steigers en je kunt hem ook nog eens een keer verplaatsen. Zelfs is het mogelijk om de tafel ergens anders te zetten, wat ik overigens liever niet doe omdat hij verrekte zwaar is en daarna poot-putten in het kleed zichtbaar worden. Deze middag in de winkel krijgen we een aantal booglampen op plaatjes te zien, de ene nog verder reikend dan de ander, een soort super Sint Maarten-lampion met een dimbaar lampje voor de sfeer. Onze verwarring neemt andermaal toe en ik begin spontaan te dribbelen, andere lampen scannend met een half oor luisterend naar het betoog van onze lichtman. Hij komt op het idee om ons een booglamp te laten bekijken bij een bevriende meubelzaak om de hoek. Braaf laten we ons bewegwijzeren, nadat ik voor de tweede maal de parkeermeter gespekt heb.
De meubelman is alleraardigst en laat ons zijn hele lampen- en meubelcollectie zien, totdat we blijven hangen aan een booglamp zonder boog. Tot nu toe het beste wat we zagen. Een staander met een rechte hengel voorzien van een contragewicht om de eigelijke lamp boven de tafel te laten zweven.
Toen de meubelman ons vertelde dat hij voor deze lamp het alleenverkooprecht heeft, waarmee hij in één klap onze loyaliteitszin volledig onderuit haalde, raakten wij inmiddels zo verward dat wij ons vreemd gingen gedragen ( ik huppelde op mijn linker voet de trap op en af met de hond van onze zoon onder de arm terwijl Nienke zich verstopte achter de gordijnen die daar rijkelijk hingen onder het slaken van kreten als ‘kiekeboe’ en ‘pak me dan’). Pas buiten op de stoep in de frisse lucht kwamen we weer enigszins tot bezinning.

Reeds lang koesteren we het adagium: bij twijfel niets doen. Dat lijkt nu ook het beste. Terug bij onze lichtman spreken we af dat hij een plan mag maken en dat we er later op terug zullen komen. So be it, de rust daalt neer in onze hoofden. De rit naar huis via een omweg om de opstopping bij de wegwerkzaamheden bij Deersum te vermijden, bleek onnodig omdat ze inmiddels klaar waren met de weg.
Wat een mens al niet kan meemaken , op zoek naar een lampje voor in de kamer.

een verbijsterend geval


Verbaasd kijken we de man aan. Het vlaggetje van Groningen in zijn ene hand, een tanden-borstel in de andere en een pet op zijn hoofd met het woord ‘Havenmeester’ in gouden letters. Hij komt voor ‘overnachting’ zegt hij met een duidelijk Gronings accent. ‘Hoe bedoelt U’, vraag ik beleefd. Hij antwoord ‘zoals ik het zeg’ en laat me het bordje zien dat hierboven is afgebeeld op de foto. ‘Maar komt U dan niet om het havengeld te innen’, vraag ik, nog steeds beleefd maar ook enigszins wantrouwend. ‘Dat uiteraard, maar ik kom ook voor overnachting. Havenmeesters zijn gekort op hun loon sinds de crises en ik heb mijn huis verkocht, zodat ik tegenwoordig bij de passanten aan boord slaap, en aangezien U vandaag de eerste passant bent en me het schip wel aanstaat, bent U de gelukkige, die me vannacht onderdak mag bieden’. Verwilderd kijk ik Nienke aan, zoekend naar passende woorden. Nu is assertiviteit niet een van mijn beste eigenschappen, zodat ik lafhartig tegen Nienke stamel of dat wel kan, en of we er wel de ruimte voor hebben. Ze kijkt me beteuterd aan en mompelt dat er in de achterkajuit een groot deel van onze spullen ligt zodat er niet zo veel plek is. Ik zeg: ‘ beste havenmeester, we zijn er niet zo op ingericht om zomaar een gast aan boord te huisvesten, dat wordt een plekje op de bank naast de tafel als het niet anders kan’. Het is duidelijk dat Nienke het met deze toezegging niet eens is,want ik krijg, buiten het zicht van de havenmeester, een schop tegen mijn kuit. Voordat ik er erg in heb zijn we plaatsvervangend in een woordenstrijd verwikkeld elkaar uitmakend voor ‘onverdraagzame havenmeesterpester en slappe makreel’. De havenmeester ziet dat het menens wordt en ik vermoed dat onze woordenstrijd hem te denken geeft, want hij doet van schrik een iets te ruim bemeten stap achteruit, zodat hij ruggelings van de steiger in het water valt. Inmiddels zijn we ’t middelpunt van de belangstelling geworden want de halve dorpsbevolking staat applaudisserend aan de kade mee te kijken. Even later rukt zelfs de brandweer uit met een reddingssloep omdat de ongelukkige havenmeester, die moeite heeft om boven water te blijven, niet wil zwemmen zonder zijn vlag en zijn tandenborstel los te laten. Wij staren aanvankelijk zwijgend naar het tafereel, maar allengs moedigen we, net als het publiek op de wallenkant, de redders aan om de drenkeling aan boord te hijsen. Eenmaal op de wal, druipend van het water en hier en daar een paling uit zijn zakken vissend, pakt de havenmeester dankbaar een droge handdoek van ons aan. Een forse mollige vrouw uit het publiek, dat nog steeds staat te applaudisseren, dringt zich naar voren en ontfermt zich over de havenmeester. Een kans, naar we later hoorden, om eindelijk haar al lang bestaande stille liefde kenbaar te maken. Blij met deze goede en gunstige afloop voor hem én voor ons, hebben we een feestvlag gehesen en het publiek opgeroepen tot een driewerf ‘hoezee’. Onze raad: ‘een ieder die geen havenmeester aan boord wil hebben voor een overnachting, kan een donatie doen aan de door ons opgerichte stichting ‘ Help de noodlijdende havenmeester onder dak’ (giro 1234567890), zodat er binnenkort een comfortabel onderkomen voor hem gecreëerd kan worden, naast de haven.

Van bruinvissen, garnalen, schol en schrijvers.



Slechts even lieten ze zich zien, we voeren net het Huibertsgat uit richting de ‘Fischerbalje’ van Borkum. Nienke zag ze als eerste. Twee zwarte vinnen en een deel van de ruggen doorsneden kort het wateroppervlak, dat inmiddels door het gebrek aan wind vrijwel vlak was geworden. Net als destijds bij Lista in Noorwegen kruisten twee bruinvissen onze koers van enige afstand op weg naar hun visstekkie of naar huis. Hebben ze wel een thuis? En als het niet hebben hoe bakenen ze dan hun territorium af? Ooit had ik een patiënte, een biologe, die het gedrag van bruinvissen bestudeerde. Ze ging dan voor haar werk met vissersschepen op pad om bruinvissen te tellen en te beschrijven wat ze deden. De vraag blijft me plagen wat je met die weinige gegevens kunt en wat dat toevoegt aan de bestaande kennis. Dat vak van marine-bioloog lijkt me wel wat, mooie zeetochtjes en interessante studieobjecten. Al zal de werkelijkheid minder romantisch zijn zoals dat met veel wetenschappelijk onderzoek is; hypotheses opstellen, registreren, tellen, in kaartbrengen, litteratuuronderzoek, gegevens uitwerken en conclusies formuleren. Gewoon hard werken waarvan het observatie-deel maar een klein stuk is. Maarten ’t Hart besteedde ruim 20 jaar aan het onderzoek naar het gedrag van stekelbaarsen en heeft nog het gevoel niet alles te weten. Hij vertelde in ‘Zomergasten’ eigenlijk nog best wel verder onderzoek te willen doen, maar het schrijven van boeken heeft nu prioriteit. Boeiende man, die Maarten, beetje vreemd, bevlogen en zeer geëngageerd als het gaat om het voorkómen van onnodig dierenleed. Nog roder in zijn gelaat dan hij normaliter al is, maakte hij zich kwaad over het ruimen van 260.000 koeien tijdens de mond- en klauwzeer epidemie, die voor het grootste deel gewoon gezond waren, of weer gezond zouden worden na het doormaken van de ziekte. En dat alles alleen maar om de export-belangen zeker te stellen.
Op ons tochtje van Lauwersoog naar Borkum varen we langs Rottumerplaat en Rottumeroog. Rottumeroog, waar ooit in de jaren 60 Jan Wolkers gedurende een week alleen op het eiland heel gelukkig was en Godfried Bomans het eind van de week niet haalde uit heimwee naar de vaste wal. De radio-uitzending over dit experiment gaf een mooi beeld van hoe een natuurmens als Jan Wolkers verschilt van de intellectuele landrot-schrijver Godfried Bomans.
Een garnalenvisser, de netten aan weerszijden uitgevierd komt ons achterop. Een paar honderd meter van ons vandaan keert hij om en haalt zijn netten op. Tientallen meeuwen loeren op hapjes die in het kielzog van de visser boven komen drijven. Hun gekrijs klinkt als een kinderfeestje, waar de taart wordt binnengedragen. Hoe ervaart de visser dat gekrijs? Hoort hij het nog wel? Toen we nog in de buitenhaven van Lauwersoog lagen hoorden we op zondagavond tegen 11 uur de eerste vissersschepen al vertrekken. De kotters ogen minder groot dan vroeger, maar misschien vergis ik me en zijn deze schepen niet uit op de grote vissen, maar alleen op garnalen. Lauwersoog is tenslotte één van de belangrijkste aanvoerhavens van garnalen, die na pellen en conservering (voor een deel in Marokko), vanuit Zoutkamp worden gedistribueerd naar al die plekken waar men gek is op de grijze noorzee-garnaal.
We liggen nu voor de tweede dag op Borkum in de ‘Yachthafen Port Henry’. de naam is wel wat deftig voor dit samenraapsel aan gammele steigers die met de getijde-bewegingen langs roestige palen omhoog en omlaag schuiven. toch heeft het wel wat, er ligt een rommelige oude, tot plezierboot omgebouwd vissersscheepje. Een paar onduidelijke, geheimzinnige dozen en kisten en een sleepnet liggen op de achterplecht. De verfpot is al jaren niet meer opengeweest zodat het kale hout zijn weerbarstigheid dankzij zon, zeewater en wind uitbundig toont. Het schip heet ‘Fiedje’ en de schipper is een toonbeeld van toepasselijkheid op zijn schip; een witte warrige baard, de ruim bemeten barret plat op de kop, een niet al te schone blauwe kiel en geweldige knuisten die uit de mouwen steken. Als ik langs het schip loop, zie ik een chaos van spullen, zowel buiten op dek als in de stuurhut die tevens dient als dagverblijf. Ja, het heeft wel wat. De mensen zijn vriendelijk en een praatje op de steiger is gauw gemaakt. De havenmeester, af en toe in een plat Oost-fries dialect dat op Gronings lijkt, vergiste zich in het havengeld dat hij nog baseerde op de lengte van ons vorig schip. Toen ik hem dat vertelde wuifde hij met een genereus gebaar zijn vergissing weg, met de mededeling dat we dat ‘das folgende Mal’ zouden recht trekken.
Eén ding is zeker, vis bakken kunnen ze hier, de Kutterscholle zoals ze die bereiden in het havenrestaurant is de lekkerste schol die ik ooit at, alleen een in roomboter gebakken slibtong of een tong kan er mee wedijveren. Binnenkort gaan we de ‘matjes in dille-roomsaus ook maar eens proberen.
Genoeg om te beleven, we blijven nog een dagje.

bij de foto’s: Borkum, haven en wad


keutelen op de meertjes bij Grou


Het gaat maar net, de diepte houdt niet over. Op de plas bij Grou vertrouw ik de slappe modder niet om er ons anker uit te gooien. We zijn wel wat groot voor dit gebied, de dieptemeter, waarvan we het alarm hebben uitgeschakeld, zou hier het hoogste lied zingen. Wat bevreemd worden we aangekeken of genegeerd, als zijn we van een ander ras. De vrouw en de man die ons vuil aankeken toen we nogal vlak langs voeren omdat we dreigden vast te lopen, blijken even later toch bereidwillig om ons te melden dat de plek waar zij hadden aangelegd waarschijnlijk te ondiep was voor ons. Na wat heen en weer gescharrel lukt het om een paar honderd meter verderop aan de kant te komen tussen twee motorboten. De drie ontluikende meiden van de motorboot achter ons, vermaken zich met zwemmen en op de buik liggen in de resterende warmte van het door steeds meer wolkensluiers verstrooide zonlicht. Pa en ma komen even later met het rubberbootje aan varen, waarschijnlijk na in Grou boodschappen te hebben gedaan. Ma nestelt zich op de campingstoel op de wal en schilt een appeltje terwijl pa probeert de tv aan de praat te krijgen door allerlei gehannes met draadjes en antennes. Een bootje met twee jongens komt langs als parlevinker in ijs, slaatjes en paling. Ze plannen hun tour in ons geval iets te vroeg omdat de rijst nog op staat. Een half uurtje later hadden we het ijsje niet laten lopen, pardon, laten varen. Het van weelderig rood haar voorziene meisje, ik schat haar op een jaar of 8, dat gilletjes slaakte, toen ze samen met haar broertje in het rubberbootje steigerde op de aanrollende golven, probeert even later een radslag op de wal te maken.Haar ronde billetjes herhalen zich als twee onderkinnetjes vanonder haar hoog opgetrokken broekje.
Langzaam worden de wolken dikker en het zal wel spoedig gaan regenen. We proberen nog even buiten te eten, ondanks de druppelende zachte warme zomerregen. Op deze wateren, vertelde Nienke, veroverde haar vader, 50 jaar geleden, met hun Zeeuwse boeier de 5de plek in een wedstrijd met de snelle Friese boeiers, gebouwd door de befaamde boeierbouwer Eeltje Baas van der Zee uit Joure. Haar vader kreeg de complimenten van de wedstrijdleiding dat hij zo goed had gezeild. Het wedstrijdveld liep door dat van de skûtsjes, die tegelijkertijd een wedstrijd voeren. Op de Peanster Ie en het Pikmeer verbaas ik me hoe hier een wedstrijd gehouden kan worden. De vaar- ruimte op de nauwe passage tussen de beide meertjes houdt bepaald niet over. Ik stel me voor dat er heel wat af gevloekt wordt tijdens zo’n wedstrijd, vooral als er gekruisd moet worden op het scherp van de snede. Het moet een spectaculair gezicht zijn om de skûtsjes bij harde wind door deze smalle wateren voorbij te zien stuiven, elkaar voortdurend de loef afstekend om die begeerde eerste plek te veroveren.
De meiden van achter hebben hun zeilbootje opgetuigd en laten zien dat ze in het lopende avond-windje goed met de touwen overweg kunnen. Het lijkt erop dat ze er gauw genoeg van hebben want nauwelijks een kwartier later zijn ze al weer terug, of is het omdat zo dadelijk GTST begint?
De rust daalt neer over de plas, de meeste zeilboten en motorboten hebben hun activiteiten neergelegd. Alleen de eendjes en de meerkoeten zwemmen nog bedelend langs de boten, in de hoop nog een korstje brood of dat overgebleven restje macaroni te mogen verorberen.
In de verte hoor ik de schrille kreet van een meeuw, de wind is aan zijn avondslaapje begonnen, een zeilbootje probeert nog dat laatste beetje wind te benutten om de overkant te halen, z’n rustplaats voor de nacht.

Flip



Voor anker op de Grote Brekken hebben de meeste mede-ankeraars het rond een uur of vijf wel gezien. De één na de ander hijst de spijker weer aan boord, de modder wordt afgespoeld en de terugtocht naar de thuishaven wordt ingezet. We liggen vrijwel alleen in dit hoekje van het meer.
Af en toe schommelen we licht door een aanrollende golf van een binnenvaartschip dat laat in de avond nog zijn voren trekt door de vaargeul van het Prinses Margrietkanaal. De zwementhousiast van ons twee, ik dus niet, heeft de waterlijn van Nika gepoetst, één arm gehaakt in de reddingboei, die ik van boven aan een landvast rond de boot trok. Met haar andere hand bezigde ze driftig de halve bezem alsof ze aan het tandenpoetsen was.
Het was een warme dag en onze velletjes zijn weer een tintje roder dan wel bruiner geworden. Jaloers ben ik wel een beetje op Nienke die haar kleurtje beter vasthoudt dan ik. Mijn indianen-rouge heeft nauwelijks de neiging bruin te worden en als het al bruin wordt is het 2 dagen later al weer verdwenen. Vooral in de avond lijk ik hoge koorts te hebben of zie ik er uit alsof ik op de barbecue heb gelegen. Als ik dan de volgende morgen mezelf in de spiegel zie moet ik constateren dat ik afgezien van een paar slaapogen er heel normaal uitzie en dat er niet veel meer te zien is van de vermeende opgelopen zonneschade van de vorige dag.
Langzamerhand komen we in het ritme van het bootleven. ’s Morgens redelijk op tijd opstaan, wat poedelen, scheren (alleen ik) en tandenpoetsen, even kijken of er nog voldoende stroom in de accu’s zit en dan een ontbijtje met muesli en fruit. Dat deden we vanochtend ook. De luiken gaan in de beschermhoes en een eerste verse blik en eerste snuif frisse lucht worden respectievelijk naar buiten geworpen en opgesnoven. Nienke slaakt een kreet als ze de kuip in stapt; er zit een kikkertje in de kuip op de slordig achtergelaten lege hoes van het tafeltje achter op de bakskist.
Hoe heeft dit minikikkertje, we doopten hem direct tot ‘Flip’, het voor elkaar gekregen om in onze kuip te komen? Kikkers kunnen goed springen maar om vanuit het water met een ferme afzet van zijn zwempoten meer dan anderhalve meter omhoog te springen lijkt ons een godswonder. Het was geen godswonder. De zwemtrap hing nog uit van de dag van gisteren, de toegangsweg vanuit het water naar boven voor Nienke. Het kan niet anders dan dat onze Flip hiervan gebruik heeft gemaakt om daarna zijn hoge plek bij de bakskist in te nemen om zo de wereld eens van een andere kant te bekijken. Als ik me probeer voor te stellen hoe Flip van sport naar sport de ladder heeft beklommen, kan ik niet anders dan grote bewondering voelen voor zijn prestatie. Omdat de ladder loodrecht naar beneden hing heeft hij toch rare sprongen moeten maken, sprongen die me doen denken aan het bestijgen van die bewegende trap van een kermisattractie. Of heeft Flip zuignappen aan zijn pootjes waarmee hij zich vast kon zuigen aan het gladde roestvrij staal van de zwemtrap? We zijn trots op Flip al zit er dankzij zijn prestatie geen huldiging door de grachten van Lemmer in want we hebben hem na een loflied gezongen te hebben weer te water gelaten, zodat hij zijn broertjes en zusjes aan de kant, die zich gisteravond luid kenbaar maakten, over zijn avonturen kan vertellen.
Flip, dappere kikker, zij die gaan varen, groeten je!

Fries ankerplezier



We zijn verslaafd, verslaafd aan een plek, een waterplek om precies te zijn. Wat is er mooier dan alleen met je scheepje voor anker te liggen op een meertje? De zuidwesten-wind blaast door het want dat in de vlagen een aanzwellende fluittoon produceert terwijl Nika onzichtbare zigzaglijnen schrijft in de golven achter het anker. Het fluiten wordt in de hardste vlagen begeleid door het geroffel van de veiligheidsbanden op het dek. We voelen ons geborgen in de wetenschap dat we een goed anker hebben dat zich diep in de modder heeft ingegraven.
Door de bewegingen van Nika verandert het uitzicht voortdurend, alsof het landschap beweegt en niet wij. Een ander zeilschip schuift voorzichtig naar ons toe ( het is hier niet diep) en laat het anker vallen op 30 meter afstand naast ons. Een afstand die net prettig genoeg is om ons exclusieve
gevoel van ‘alleen op het meer’ niet te bederven. Verderop varen doelgericht schepen in de vaargeul naar hun bestemming en slechts af en toe waagt zich een open zeilboot buiten de vaargeul onze kant op.
Het vogelverkeer is levendig. We zien meeuwen, scholeksters, visdiefjes, een enkele buizerd en een kiekendief, allemaal op de een of andere manier bezig om zich een maaltijd te verschaffen. Langzamerhand neemt de wind af en schuiven de wolken die wat regen beloven dichter bij. Het 100 jaar oude skûtsje de Lytse Lies uit Gaastmeer voer gisteravond over het Grote Gaastmeer richting de Yntemasloot, het grootzeil onder de huik, mogelijk op weg naar een andere ligplaats ter voorbereiding op de komende zomerwedstrijden.
Het kleine Gaastmeer, de plek waar we nu voor anker liggen kennen we al heel lang. We voeren er met alle schepen die we hadden voordat we Nika kregen. De Oudegaaster Brekken kunnen we door de iets grotere diepgang van ons schip helaas niet meer bevaren.
Het valt ons op dat vrijwel alle plekken waar we vroeger kwamen en waar volgens de nieuwste waterkaart voldoende water zou moeten staan, veel ondieper zijn geworden. De voorgespiegelde diepten zijn veel optimistischer dan onze dieptemeter aangeeft. Misschien wel omdat onze dieptemeter de losse modderlaag op de bodem beschouwt als de werkelijke bodem. Op de plek waar we nu liggen meent de dieptemeter dat het 1.30 m diep is, terwijl we met onze eigen diepgang van 1.35 m schommelen en duidelijk niet aan de grond zitten. Aan het einde van de Houkesloot en het begin van de vaart naar de Gossepalen aan het Sneekermeer zou er volgens de kaart voldoende water moeten staan om ons door te laten varen. Nog geen 10 meter buiten de geul liepen we een week geleden vrij plotseling vast in stevige modder. Hier zijn kaart en werkelijkheid dus ook niet met elkaar in overeenstemming. Dankzij onze sterke motor konden we langzaam ploegend de ondiepte weer verlaten.
Zoals het weer zich onzeker kan tonen ondanks technisch goed onderbouwde voorspellingen, zo blijkt een betrouwbare recente waterkaart eerder schijn dan werkelijkheid voor de argeloze zeilers. Al wat onzeker lijkt en blijkt te zijn, is ons bootjes-mensen bepaald niet vreemd. Misschien dat ervaren zeilers juist daarom vaak overkomen als stabiele figuren die met een berustende blik in de ogen de wereld tegemoet treden. Als je met zoveel onzekerheden te maken hebt is zo’n grondhouding misschien wel de beste overlevings-strategie.
Omdat wij zeker niet in alle opzichten voldoen aan dat beeld, liggen we nu lekker voor anker, de koelkast vol met lekkers, zeer tevreden uitkijkend over het meer, wachtend op een rustiger windje dat ons verder brengt naar onverwachte oorden.