Van Bremerhaven naar Otterndorf

Alsof er bakken grind op ons dak worden uitgestort klettert de regen in felle buien op ons neer. 

Een koude front heeft de warmte verjaagd. Het is 11 uur als we in de sluis van Bremerhaven liggen.
Wij, een driemanschap van motorboten hebben hetzelfde doel ; Over de Geeste  en het Hadelner Kanal van Bremerhaven naar  Otterndorf . 
De Geeste is tot aan de eerste sluis een getijdenrivier net als de Hunte. Links en rechts schuin oplopende slib met oude houten paalresten. Op strategische punten staan prikken die aangeven waar je het beste kunt varen. Het is opkomend water. Meanderend door de buitenwijken van Bremerhaven komen we na ongeveer drie kwartier bij de sluis. We kunnen er niet met drie schepen tegelijk in, zodat wij als derde schip moeten wachten op de volgende schutting. De sluis is slechts 5 meter breed. Met de fenders aan beide boorden houden we weinig ruimte over. Het gaat gelukkig langzaam en we komen onbeschadigd de sluis uit. 
Het armzalige landschap van oude flatgebouwen verandert plotseling in een lieftallig landschap. Glooiende weiden en bossages afgewisseld met moerassen waar kleine vennetjes verscholen liggen in de lagere delen. Huizen of boerderijen zijn er nauwelijks. De weinige tekenen van menselijke arbeid bestaan uit afwateringsslootjes met kleine betonnen afsluitbare duikers en langs de waterlijn zien we resten van een wal-beschoeing die zijn beste tijd heeft gehad. Het Hadelner Kanal, zoals het verderop heet, wordt niet meer intensief onderhouden omdat er door beroepsvaart  geen gebruik van wordt gemaakt. 
Onderweg wordt de beloofde diepte van 1.50 meter op meerdere plaatsen niet gehaald. We meten soms helemaal geen diepte met onze diepgang van 1.10 meter en raakten met de schroef een tak of een stuk hout.
Het landschap maakt veel goed en ondanks de buien genieten we van deze tocht. 
Het plaatsje Bederkesa, ik kan de naam maar niet in mijn kop krijgen, is een kuuroord voor de meer vermogende Duitser. Om het haastige leven een paar dagen te ontvluchten en je hier te laten verwennen lijkt het me een aangename plek. 
We liggen aan een nieuwe steiger met een haag van rododendrons. De meeste zijn in bloei, een deel nog in knop. Grote oude bomen verhullen het parkachtige kuuroord, waar ik echtparen of iets dergelijks, zachtjes met elkaar keuvelend of in stilte, zie rond wandelen. 
Aan de andere kant kijken we uit over een groot meer dat helaas alleen toegankelijk is voor  roeibootjes en zeilbootjes. 
Het is stil op het water, we liggen met 4 boten aan de steiger. Het lijkt wel of de natuur door de regen is verstild. Alleen de vogels laten van zich horen. Het is opgehouden te regenen . Er is nauwelijks wind. Het meer is verlaten. Een fietser beklimt met moeite de ronde loopbrug over het kanaal, zijn hond volgt hem gedwee…

De Hunte, de Weser en een Kogge replica

Varen met 6 knopen is een prima snelheid. Als het dan ineens ruim 9 knopen worden is het alsof we laagvliegen. Op de Eems was dat ook al, en nu kregen we het met de Nine Marit nog eens rauw geserveerd. Terwijl de wallenkanten van de Hunte en de Weser steeds droger werden, en het zilte water door pas gevormde minigeultjes in het slib, zijn weg zocht naar het midden van de stroom, hield ons schip af en toe niet goed zijn spoor door al de stroom-wervelingen. Pas later, toen de Weser breder werd lukte dat beter. De stuurautomaat doet zijn werk geweldig. Af en toe  moeten we een paar graden bijstellen naar bakboord of stuurboord, om een snel naderende rode ton te ontwijken. Kijkend naar de wal leken we helemaal niet zo hard te gaan. Toch gaf het klokje wel degelijk aan dat we ruim 18 km per uur voeren. 

Vreemd, zo gewoon als het is om op binnenwater in km per uur te rekenen, zo gewoon verandert dat op zeewater in rekenen in knopen. In ruim 4 uur voeren we van Oldenburg naar Bremerhaven.
 
Voor de sluis van de Neuhaven moesten we wachten. Eerst kwam de Mercedes, een Nederlandse brik(tweemaster met ra-zeilen), nog naar buiten door de sluis. ‘Een rondje met gasten’, zoals we hoorden over de marifoon.
De ebstroom liep nog door zodat we zachtjes met de motor in de vooruit pas op de plaats maakten. 
Een replica van een Kogge zou ons voorgaan in de sluis. Het schip lijkt wel een uit de krachten gegroeide asymmetrische houten slakom zoals die populair waren in de jaren zeventig. Er mee zeilen deden ze niet. Uitgerust met een dikke motor en rijkelijk omhangen met plastic ballen is het wel een anachronisme. Op afstand leek het wel aardig. Van dichtbij zag ik dat de houten romp  van onderen tot vlak boven de waterlijn ineens van metaal bleek te zijn. Op het moment dat we de sluis invoeren hadden onze vrienden met hun schip de grootste moeite om af te meren doordat de Kogge zijn schroef liet draaien. Over de reling hingen zomers uitgedoste luid zingende vakantiegangers met een camera op hun gewelfde buiken. Wij parkeerden ons schip naast de Kogge.
Nadat de sluis was volgelopen, zei de schipper vanaf het hoge achterdek dat wij er als eerste uit mochten achter een zeilbootje dat voor ons lag. Terwijl hij het zei en wij losmaakten, deed hij  doodleuk het zelfde. Wegdrijvend naar het midden van de sluis werden we bij het wegvaren bijna geplet tussen Kogge en drijfsteiger.
Sluizen, het blijven spannende momenten. 
De Neuhaven is een ruime en moderne haven met grote vingersteigers waar het goed aanleggen is. 15 euro voor een nacht vinden we bepaald niet duur. En via een stempelkaart krijg je bij langer liggen na 6 nachten een nacht gratis. 
De dijk langs de Weser ligt vlakbij en Bo kwispelt over het gras als was hij bezig de vloer te zwabberen. Met een 12 maanden oude teckel op de boot naast ons heeft hij inmiddels vriendschap gesloten. Leuk om te zien hoe hij als een wijze opa zo rustig met het enthousiaste gedol van een pup omgaat. 
Tip: het Scheepvaartmuseum in Bremerhaven is de moeite waard. 
De stad zijn we op deze zondag niet in gelopen, volgens onze vrienden was er niets te beleven. We zijn blij in deze fraaie haven.
Morgen de Geeste op naar Otterndorf. 
Het regent en de temperatuur is ruim 10 graden gekelderd. 

De hulp-machinist

Hij is 78 jaar. Ziet er jonger uit, een rond gezicht en een rond buikje.  Altijd gevaren op zee, en nu al weer bijna 20 jaar gepensioneerd.

Argeloos vraag ik hem wat hij in zijn leven voor werk heeft gedaan. 
Dat heb ik geweten. Hij is meer dan een uur aan het woord en weet niet van ophouden.
Eindelijk iemand, ik dus, die luistert. Mijn onderbrekingen  en pogingen om het gesprek over te nemen, mislukken keer op keer.  Langzamerhand zakt de moed in mijn schoenen en voeten, die al behoorlijk koud beginnen te worden. Op het terras van de yachtclub van Surwold, dat meer weg heeft van een schuur dan van een gelegenheid ter aangename verpozing voor gestresste motorboot-vaarders, zit ik aanvankelijk ook met de havenmeester aan de tafel met de man die ons lijntje bij de steiger aanpakte. Toen zijn biertje op was de havenmeester snel verdwenen. Zeker omdat hij het helemaal  mis bleek te hebben met een veronderstelde waterweg door zuid-Denemarken naar de Noordzee. Misschien was hij in verwarring met het Noord-Oostzee kanaal, maar die ligt toch echt in Duitsland. 
De 78 jarige had een verhaal, een lang verhaal, zijn levensverhaal.  En ik luisterde. 
Als schoonmaker begonnen op een vrachtschip dat over de wereld zwierf, klom hij steeds verder op. Hij zei onderweg in al zijn bezigheden veel geleerd te hebben. Op mijn opmerking dat hij een man van de praktijk was, antwoordde hij bevestigend. Ik vroeg hem of hij niet liever ingenieur was geworden. Voor studie was geen geld. Hij was geboren in een dorp en ze waren bepaald niet rijk. Voor een hogere opleiding moest vroeger betaald worden. Hij heeft meerdere technische beroepen gehad, steeds opklimmend naar een hoger plan. 
Vol trots beschreef hij de reactie van een ingenieur die hem prees over zijn werk aan een stookketel in een groot passagierschip waar hij 8 jaar op voer als hulp-machinist. Ik heb niet alles begrepen van wat hij vertelde over de techniek. Hij vond het nodig om me precies uit te leggen hoe de pijpen en buizen liepen en op elkaar aangesloten moesten worden. De uitleg over een reparatie van een lekkend compressievat, deed zijn oogjes glimmen. Hij genoot.
Zijn grote handen, nu, jaren later, zonder de eeltplekken van een harde werker, gebaren rusteloos. Twee vingernagels zijn misvormd, een erfenis van een minder geslaagde handeling tijdens zijn werkzaamheden. Hij kijkt me nauwelijks aan en lijkt in een andere wereld, zijn oude werkzame wereld. 
Op het moment dat hij me over stookolie en het bunkeren daarvan wilde onderwijzen, zag ik mijn kans schoon hem in zijn woordenstroom te onderbreken. Ik vroeg hem waar hij zijn diesel voor zijn schip haalt. Dat bleek een minder geslaagde vraag. Hij haalt het bij de gewone ‘tankstelle’. Met kanisters, tankjes. 
En dat is nou net niet iets waar ik niet veel trek in heb. Schouwen met tankjes diesel voor je bootje. 
Met de smoes dat mijn vrouw niet weet waar ik blijf, neem ik afscheid van hem en bedank hem voor zijn levensverhaal, waarop hij me vriendelijk een ‘Bis morgen, dann sehen wir uns wieder’ toewenst. 

Een lastige keuze en Eems racen

Het plan om vanuit Emden naar Wilhelmshaven en vandaar over het wad naar Bremerhaven te varen hebben we los gelaten. 
De Kaiserbalje over het wad in de Jade is volgens de twee Duitsers uit Wilhelmshaven, die we in Appingedam raadpleegden, een onbetrouwbaar en lastig te bevaren wantij. Er staat bij hoogwater veel water, maar de prikken zijn slecht onderhouden en staan soms onder water. Bij noordwesten wind staan er al snel brekers door richels in de bodem. Je hebt slechts 1- 1 1/2 uur de tijd om over twee wantijen te gaan.
De plaatselijke zeil-en motorbootclub organiseert jaarlijks in het voorjaar een begeleide tour over de Kaiserbalje. Helaas waren we daar te laat voor.
Om er dan toch voor te kiezen naar de Oostzee te varen, is er vanaf Delfzijl behalve de route over zee en het Duitse wad alleen de route over de Eems en het Küstenkanaal, een route die we vorig jaar ook volgden, toen we naar Berlijn gingen. Een veilig alternatief gezien het onbetrouwbare wisselvallige weer. 
Dus we voeren de Eems op, aanvankelijk nog hobbelig door de grote coasters die ons met een rotgang voorbij voeren richting Emden.
Het was een feest. Voor Emden werden we gefilmd door een televisieploeg aan boord van de Duitse en de Nederlandse kustwacht die met ons opvoeren. De Nederlandse  kustwacht liet even zien hoe hard ze kon varen, terwijl er van af de Duitse kustwachtboot werd gefilmd. En laten wij nu met ons schip net ik hun blikveld liggen.
Het snelle rondje om ons scheepje, resulteerde wel in een golf die we als een paard, springend  over een hoge heg, moesten bedwingen. Teckel Bo werd verticaal gelanceerd en belandde boven op de tafel. Wij zelf hadden ons gelukkig voorbereid door twee kussens op onze hoofden te zetten die we klaar hebben liggen in geval van dit soort waterhobbels. Motorboot-varen is echt anders dan zeilen. Al was het met onze Cornish Crabber eveneens geen pretje als we opgelopen werden door een haastige Urker visser bij een tochtje naar Terschelling.
Ons feestje ging nog een paar uur door. Naarmate de vloedstroom doorzette, voeren we op de Eems steeds harder. Gaan we normaal 10-11 km per uur bij een toerental van 1900 rpm, raceten we nu met een snelheid van 17-18,5 km per uur de Eems op. In een super-vlugge scheet waren we bij Papenburg en scheurden langs de Meyerwerft, waar we besloten ons nog maar wat verder mee te laten sleuren naar de eerste sluis, de Herbrum-sluis. 
Alles zat mee en rond 21 uur hadden we de sluis gepasseerd samen met een Nederlands vrachtschip, die het achter de sluis voor gezien hield, en afmeerde om daar te gaan slapen.
Een kilometer achter de sluis vonden we een klein idyllisch jachthaventje waar we onze oren op het kussen hebben gelegd. 
Nu we wederom dit stuk hebben gevaren, valt het ons op hoe mooi dit deel van de Eems is. Eén en al natuurgebied en prachtige oevers met zelfs een paar zwarte Wisenten of Bisons in de wei. 
Is het water van de Eems aanvankelijk erg modderig, na de sluis is het helder zwart, een diep zwart zoals je dat verwacht in moerassige gebieden.
Voor het eerst hebben we de fenderplank gebruikt. Twee fenders in het midden van het schip en daar buiten op een plank die we met twee lijntjes aan railing hangen. Ideaal in een sluis met zogenaamde “Spundwanden”. Die wanden bestaan uit metalen U-delen die beurtelings naar buiten en naar binnen zijn gericht. Een fender past er precies tussen en kan datgene waarvoor hij is bedoeld niet waarmaken. De plank als overbrugging tussen de ribbels lost het probleem op. Lekker stijgen en dalen zonder krassen.
We verwonderen ons over al het rijke jonge groen. De vogels delen hun gezang in een groots opgezet concert. De meimaand bekoort ons telkens weer.
Nu even rust in Surwold, morgen naar Oldenburg.

Groningen -Appingedam

Bibberend van de kou gooien we de trossen los in de Reitdiephaven in Groningen. Volgens de weer-juffrouw op de radio de koudste pinksterdag sinds 80 jaar. Schitterende wolkenluchten, dat wel. 

Helemaal alleen worden we vlot door de bruggen van Groningen geleid. Een brugwachter op de fiets peddelt van de ene brug naar de volgende om ons doorgang te verlenen. Het is een beetje nostalgie. Wat is het aardig om door onze studentenstad te varen en het centrum vanaf het water te bezien. Woonschepen en oude ontmaste tjalken,spitsen en klippers die nu als woonhuis zijn omgebouwd. Hoe oogden ze toen ze nog voeren als binnenvaartschip, zeilend of op de motor om hun lading naar een stad of een dorp elders te vervoeren?
Op het Eemskanaal zijn de wolkenpartijen boven het geboorteland van schrijver Auke Hulst nog indrukwekkender. Het Groninger landschap met ritmische bomenrijen, ligt aan weerszijden lager dan het kanaal, uitgerold als een wijds groen tapijt. Hier en daar duikt een eenzame boerderij op boven de uitgestrekte weiden met jong gras. 
Een enkel citroengeel koolzaadveld licht fel op door de zonnestralen die af en toe tussen de wolken door piepen.
We varen richting Delfzijl, maar waren nog nooit in Appingedam. Zelfs in de Groningse  studententijd was het stadje niet interessant in onze ogen. Dus nu maar eens wel naar dit stadje. 
In de sluis zakken we ruim 1 1/2 meter en varen door een ondiep smal vaartje dat vroeger ongetwijfeld een getijde-geul is geweest. 
Voor de brug is het even puzzelen. De meldknop voor de brug zit op een onmogelijke plek. Op een paal 3 meter voor de brug waar Nienke als een uithangbord boven de boeg met gevaar voor overboord vallen, merkt dat hij niets doet. Iets verder, niet te lezen zonder verrekijker met vergrootglas staat dat we de brugwachter moeten bellen op een 06 nummer gevolgd door een code met de geuzennaam van James Bond, 007 gevolgd door een #. Om zijn lunch( van de brugwachter) niet te verstoren hebben we braaf een uur gewacht bij een walletje voor de brug met als cadeau, het schip vol met afgewaaide bladeren en takjes. Het lijkt wel herfst. 
De beloning voor het wachten is groot. We worden een uur later vlot geholpen en krijgen een mooie plek in het charmante kleine haventje midden in het centrum.
2 hanige Duitse motorboten, met brullende motoren, dreigden ons bijna aan te varen bij het verlaten van de haven, net toen we ons hadden geïnstalleerd op de buitensteiger. 
Blijkbaar moet je je met Pinksteren haasten, al is het niet in verticale maar in horizontale richting.
Het “de geest krijgen” kun je zo het lijkt op verschillende manieren beleven.
Het oude centrum van Appingedam is de vlag op een winderige terp.  Er staan mooie oude 16e en 17e huizen langs de oude Delf, die tegenwoordig Damsterdiep heet. Huizen waar vroeger de rijke handelaars woonden voordat Groningen Stad de rol als handelsstad over nam in de 18e eeuw. 
De Delf was een afwateringskanaal dat rond 1000 na Chr. is gegraven om het water van de zuidelijker gelegen hoogveengebieden af te voeren ten gunste van de lagere kwelders. 
In de 14e eeuw bouwden monniken 3 sluizen bij de monding van de Delf. Delfzijl (‘zijl’ betekent sluis) dankt er zijn naam aan. Groningen bedreigde de handels-invloed van Appingedam in de ‘Ommelanden’ en slaagde daar in de loop der tijd steeds beter in, door geweld en politieke verdragen. Het Eemskanaal dat in 1876 werd gegraven en de spoorlijn Groningen Delfzijl (aangelegd in 1884) zorgde ervoor dat Delfzijl een belangrijke economische haven werd waarbij Appingedam nog meer aan betekenis verloor. 
Het regent weer en er staat een gure wind. We troosten ons met een glas prosecco ( of de lege fles de glasbak morgen of vandaag zal bezoeken weet ik niet). 
Proost!

Over een kapotte wasmachine en eindelijk het water op

Goede vaart vandaag! 

Meldt het lichtbord bij de spoorbrug van Grou. 
Hoezo vandaag? Alleen vandaag? Terwijl we net aan onze vaartocht naar Denemarken zijn begonnen? 
Ja, we zijn weer onderweg. Het heeft wat hoofdbrekens gekost, laat ik maar zeggen er was enige irritante vertraging met de voorbereiding van de reis.
Gisteren is eindelijk de wasmachine op zijn plek gezet en doet nu waarvoor hij ontworpen is.Voordat we besloten hem naar de reparateur te brengen had hij al langer last van klepperende geluiden tijdens het centrifugeren. We hadden al veel eerder aan de bel moeten trekken. 
Als ondeskundigen dachten we dat het zo hoorde omdat de machine misschien niet waterpas stond. Toen we hem op de werf met de timmerman eruit haalden en van binnen bekeken, bleek het betonblok dat er voor zorgt dat de trommel tijdens het wassen min of meer op zijn plaats wordt gehouden, in twee delen gebroken te zijn. Het klepper-verhaal had een gegronde reden en de garantie bleek verlopen. Waarschijnlijk was de machine al kapot toen we hem kochten, voor een gereduceerd prijsje omdat er een lichte uitwendige kras op de zijkant zat. 
Maar o wonder, daar was Piet de witgoed man, die het maar niks vond, dat van het betonblok en de garantie. Dus hij heeft de importeur bewerkt en kreeg het voor elkaar dat zij  de onderdelen zouden vergoeden en wij alleen voor het werkloon opdraaien. De onderdelen die uit Italië moesten komen hadden het onderweg moeilijk, ze waren niet bestand tegen de reis, mogelijk door de summiere verpakking. ze kwamen tot 3 maal toe gebroken of in de verkeerde maat aan bij Piet. Laat nu 3 Dagen voordat we wilden vertrekken een 4e betonblok heel zijn aangekomen. Chapeau voor Piet. Grote sterke Piet heeft hem vrijwel in zijn eentje aan boord getild en Nienke, als de meest lenige van ons twee heeft de slangen aangesloten onder ons bed. 
Het lijkt wel of we allerlei probleempjes in viervoud op ons dak krijgen, de motor, de wasmachine, de klemmende salondeuren(4deuren). Misschien moeten we ook wel 4 dagen wachten voor we het zoute water op kunnen door de wind die meer dan Bf4 uit de verkeerde hoek waait.
Mijn lieve moeder zaliger, zou zeggen dat er ergens een paar planeten retrograde lopen, wat niets meer zegt dan dat die hemellichamen schijnbaar de verkeerde kant op bewegen. Het mooie nieuws is dat we weer aan boord zijn en dat we kunnen varen, alles lijkt te werken en een paar slechtweer-dagen zullen ons humeur niet verstoren.
We houden er rekening meer dat we pas volgende week gunstige omstandigheden krijgen oostwaarts te varen. Liefst gingen we buiten om de eilanden naar Cuxhaven. Een langzamere route gaat via de Duitse wadden over alle wantijen. En als het allemaal toch te onstuimig blijft kunnen we altijd nog over de Eems en het Küstenkanaal, naar Bremerhaven, alwaar we vandaar over het kanaal via Ottendorf op de Elbe komen. Brunsbuttel is dan niet ver meer. 
Het blijft spannend, niet eerder maakten we de tocht met een motorboot in plaats van een zeilboot.
Nog niet ver van Sneek hebben we in de buurt van Eernewoude ons schip vastgeknoopt aan een geheime wal, lekker uit de wind. 
Dag 1, de spits is er af. 

Boot Holland

                       Als ervaringsdeskundige mocht ik een een paar dagen op de stand van Pollard staan. De Pollard 38 voet Coastliner lijkt erg op ons scheepje. Iets korter maar erg slim ingedeeld.

Leuk om te merken hoe enthousiast bezoekers reageren, al komen er ook wel zeurpieten op het schip.
 
Neem bijvoorbeeld  het 60+ echtpaar, wat casual gekleed, hij met een rode broek van het soort dat watersporters op die leeftijd menen te moeten dragen, zij in een glimmende zwarte broek waarvan gemorste koffie of een klodder mayonaise gemakkelijk kan afglijden. Op haar zwaar gevulde topje van gebreide mohairwol, hangt een sieraad dat het beste is te omschrijven als een vergulde W.C. trekker. Terwijl ze beide met kritische blik het interieur bekijken, hoor ik hen zeggen dat ze het helemaal anders zouden willen. Ik probeer hen duidelijk te maken dat iedere indeling in een Pollard door de klant bepaald kan worden, al zeg ik er dan bij, dat ze ook op de adviezen  en ervaring van de timmermannen moeten afgaan, die heel goed weten wat wel en niet kan.
Alsof ze niet hebben gehoord wat ik net zei, beginnen ze hun kritiek te spuien; ‘De keuken is veel te donker en wij zouden hem nooit onder in het schip willen’. ‘Het Franse bed was veel te groot en onhandig want je moet er van opzij in stappen via een trapje en dat is lastig als je een versleten knie hebt’. ‘Wat moet je nou met zo’n grote tweede hut, wij varen alleen maar met ons tweeën.’ Waarbij ik dan stiekem denk ‘dat lijkt me wel het beste, want gasten houden het vast niet lang bij jullie uit’. 
Op mijn vraag of ze nu een schip hebben, krijg ik te horen dat ze een schip hebben waar alles veel beter aan is, waarop ik hen antwoordde dat ik me kan voorstellen dat ze liever in hun eigen schip blijven doorvaren en dat vooral moeten blijven doen. Terwijl ik hen met een vriendelijk gezicht en een klopje op de schouder het schip uit werk, word ik nog even bevreemd door de vrouw aangekeken, alsof ze het gevoel kreeg niet helemaal serieus bejegend te worden. 
Gelukkig zien de meeste bezoekers vrij snel hoe fraai de schepen zijn gebouwd en laten dat goed merken. Het strakke laswerk, de gebruikte materialen, de massieve en ronde afwerking van het interieur, de slimme en rijkelijk aanwezige opbergmogelijkheden, een gescheiden douche en toiletruimte, het zijn allemaal sterke punten, die een beetje geïnteresseerde direct opvallen. 
Ons eigen schip, de Nine Marit, ligt in de startblokken in het water en zo gauw het weer het toelaat varen we ermee. In de afgelopen winterperiode, hebben we  een paar keer een mooi tochtje gemaakt in de omgeving van Sneek. Wat is alles stil, en wat is dat lage licht prachtig vanaf het water. 
Het was weer een drukke en ik geloof ook een gunstige Boot Holland voor de Pollard werf. 
Nu eerst de voorbereiding op een langere tocht afmaken en de reis naar Denemarken plannen.
Ik hou U op de hoogte.
P.S. Het verhaal van het echtpaar in dit blogje is niet echt, maar geinspireerd door een aantal voorbij komende bezoekers met hun eigenaardigheden en berust derhalve niet op de feitelijke waarheid. 
IJs in de haven van de Domp in Sneek.

Winter bij de Holle gracht, Sneeker meer.

En weer terug zonder boot

De Povlakte waar we door reden op weg naar het tweede adres, Villa Tacchi bij Padova , heeft zijn naam eer aan gedaan. Het hemelwater kon geen kant op en vulde gaten in de weg. Het vocht in de lucht verdichtte zich tot een grijze mist waardoor we niet veel van het landschap zagen. Alles leek grijs en we vreesden het ergste voor onze tweede bestemming. Dat bleek niet terecht.

Midden in het vlakke land, slechts hier en daar onderbroken door wijngaarden, of een boerderij, was daar ineens Villa Tacchi. Een groots buiten in klassieke stijl met daarom heen een fraai aangelegd park.
 Volgens de manager was het hotel ‘fully booked’.  Terwijl ze ons van top tot teen monsterde, melde ze dat er een probleem was. De voor ons gereserveerde kamer zou een formaat bed hebben waar wij niet in zouden passen. Dat klopte, een test-lig overtuigde me volledig, ik lag zowel van boven als van onderen klem. Door de knieën achter mijn oren de duwen kon ik me zijdelings wegrollend aan de wurggreep van het bed ontworstelen. Slapen in deze kamer was geen goed idee.
Na enig overleg kwam de manager met een ander voorstel. Voor €20 per nacht extra, had ze een groter bed en een grotere kamer voor ons. Als zuinige Hollander zat dat me niet lekker en ik zei dat ik dat geen goede deal vond. Ik begreep dat het vast zat op de betaling van de schoonmaakster. Uiteindelijk kon ze de kamer aanbieden voor de helft van het geld zodat we nu vorstelijk slapen in een suite met een groot bed en een ligbad. Bo vindt het goed, hij ligt lekker in zijn mandje en zijn brokken met wat extra vlees smaken hem als vanouds. 
Na een goede nacht werden we verrast door een stralende zon en de Dolomieten in de verte.
Een uitstekend ontbijt maakte het begin van de dag  tot een feestje. We zijn er inmiddels achter dat je de beste cappuccino in de meest eenvoudige bar langs de weg krijgt. 

Cittadella is een volledig ommuurde stad waar we vrij snel uitgekeken waren. 
Bassano del Grappa, was een interessantere plek. We zagen de oude houten brug, de ‘ponte vecchio’, uit de 13 e eeuw  die in de 16 e eeuw wel een keer opgekalefaterd moest worden, onder het toeziend oog van een beroemde architect, Andrea Palladio. De brug ligt over de rivier de Brenta, die zijn naam ontleent aan het gebergte dat bekend staat als de Brenta Gruppe.  
Leuke smalle straten, mooie oude huizen, gebouwen en pleinen. 

Onder een fris zonnetje bezochten we op de laatste dag  Piazolla, een dorpje op 16 km vanaf het hotel. Er was markt.
De kleding- en schoenen-stalletjes waren in grote getale aanwezig. Italiaanse mama’s met permanent en gebloemde jurken onder donkere overjassen bekeken en betastten de uitgestalde waren. Tussen de stalletjes door kijkend ontwaarden we een Palazzo dat eveneens gebouwd werd door Andrea Palladio. Een gebouw dat qua grootte niet onderdoet voor paleis Soestdijk. Protserig versierd met tientallen manshoge beelden en een galerij als een trein met 20 wagons.

We waren er zo door geïmponeerd dat we onze plannen om later nog een aantal gebouwen van deze architect in Vicenza te bekijken, maar hebben overgeslagen. De geslaagde wandeling langs een meertje,  even zitten in het februari-zonnetje naast een paar bijenkasten en een fantastische lunch in een trattoria langs de weg waren een uitstekend substituut. 
Nadien de Migross bezocht. Een supermarkt van formaat. Het is altijd weer leuk om in een buitenlandse supermarkt rond te struinen, zeker als je van plan bent om lekkers mee te nemen voor thuis. 
Als toetje van de dag stond er nog een wijnproeverij op het menu. 

Daarvoor reden we bijna een uur over smalle bergweggetjes om uiteindelijk op een zuidhelling bij de wijnboer onze opwachting te maken. De boer heeft een wijngaard die zowel witte als rode wijn produceert. Met zijn welluidende naam, Pegararo, heeft hij een vermelding in een Italiaanse Slowfood wijngids, waar de man heel trots op is. Hij exporteert zijn wijnen niet en alles wordt door lokale wijnliefhebbers geconsumeerd en dat snap ik best, want de wijn was erg lekker. Het was even puzzelen om de 4 dozen wijn in onze auto te stouwen, terwijl Bo zag dat hij wat plaats moest maken en ons bestraffend aankeek. 
Nog een nachtje geslapen in het grote bed en Italië was al weer geschiedenis.
Met een tussenstop in een hotelletje bij Mulhouse zijn we zonder problemen weer in Sneek aanbeland. Een ervaring rijker en een gevoel lang weg weg geweest te zijn. 

Naar Italië zonder boot

Eigenlijk idioot om in januari 1200 km te rijden naar een hotel in het noorden van Italië.
2 dagen regen onderweg en eenmaal ter plekke een temperatuur om je jas bij aan te houden.
Het hotel is Italiaans ingericht, de bedden zijn te kort en het sanitair heeft een spiegel voor dwergen en andere kortbenige mensensoorten. De wc-rolhouder heeft last van impotentie waardoor het wc- papier aan de wandel gaat als bij  het uitrollen van de loper voor koninklijke gasten.
De douche is zo krap dat bij binnenkomst en sluiten van de deurtjes, de kranen spontaan voluit in werking treden, terwijl de temperatuur van het water lijkt op die van een nieuwjaarsduik in de poolzee. Er bestaat dus ook zoiets als de Italiaanse slag naast de Franse slag
.
Het is een charmant hotel en de ontvangst was allerhartelijkst. Het zou een oud landhuis zijn van een graaf die in de 19 e eeuw hier en daar wat plafonnetjes en schoorsteentjes uit een oud kasteel heeft gejat en in zijn optrekje opnieuw heeft ingebouwd.
 Het oudste deel zou dateren uit de 16 e eeuw en daar slapen we in. Heel romantisch met een bakstenen plafond, waar ik af en toe angstig naar opkijkt of er niet een steentje loszit dat me gedurende de slaap gaat verrassen als gevolg een neerwaarts traject door de altijd aanwezige zwaartekracht. 
En laat ik nog even doorgaan en met enkele kritische kanttekeningen: Italianen zijn idiote chauffeurs. Nauwelijks de grens over werden we in de St. Bernardtunnel  door een witte Fiat min of meer aangerand. Heftig knipperend en toeterend, zowat met zijn bumper op de onze, gaf hij te kennen gaf dat we 3 km te langzaam reden, maar vond het blijkbaar te riskant  ons te passeren over de doorgetrokken witte streep. 
Italianen, als geile hanen springen ze met hun opgevoerde mobielen op je achterklep, liefst ook nog luidkeels toeterend. Zelfs de kleinste Fiatjes brullen je, op gevaar van een frontale botsing met een tegenligger voorbij.
Bekaf en met het zweet in de handen, uitwijkend op paralelle wegen en vluchtstroken, hebben we tot nu toe de schade weten te beperken tot een nachtmerrie en een woedeaanval op een oud vrouwtje dat niet uitkeek bij het oversteken, en toch al bijna niet meer kon lopen. 
Teckel Bo vind alles prima. Staand tussen ons in op de middensteun, ondersteunt hij de chauffeur door op het juiste moment een blaf of een grom uit te delen aan iedere zich misdragende weggebruiker onder overigens enthousiast gekwispel. 
Kortom we genieten geweldig en oefenen ondertussen ons Italiaans aan de hand van opschriften, verkeersborden en advertenties langs de weg. 
Het moet gezegd, de koffie is grandioos, nooit een lekkerder cappuccino gehad en dat voor €1.30!
Aan de espresso moeten we wennen, het is als of je een klap tegen je kop krijgt wanneer je argeloos het donkere brouwsel zonder suiker probeert te consumeren. Thuis drinken we de espresso zonder suiker, hier is dat niet te doen. Merkwaardig genoeg zijn ook de kopjes veel kleiner dan in Nederland en zit er niet voor de helft koffie in. Dat doen ze denk ik express, zit hem in de naam vermoed ik. 
Vandaag hebben we op aanraden van de hotelier, een tochtje gemaakt. Eerst naar een meertje, dat we met Bo half hebben gerond, daarna zijn we op advies van een vriendelijk oude heer die goed Engels sprak het dal van Gressonnay in gereden. Een romantisch dalletje, al was alles nog wel erg bruin en de sneeuw-resten lieten zich eveneens niet van hun beste witheid zien. Het is triest maar waar, er is te weinig sneeuw om goed te kunnen skiën. De pistes lijken meer op pap en een spaarzame skiër die we langs de weg zagen keek niet blij. 
We weten nu ook hoe polenta smaakt.  De lunch die we in het romantische dalletje nuttigde bestond uit gele polenta met gesmolten kaas, de locale specialiteit. Deze kleverige, draden-trekkkende substantie was niet aan ons besteed. De smaak was laf, en eenmaal in de mond weigert de polenta achter onze tanden de normale weg te kiezen. Het lijkt me een uitstekend middel om een vervallen muur te repareren en ik heb getwijfeld of niet wat zou meenemen voor het plafond in in onze hotelkamer. De uiterst vette zware hap was volgens de kok met minder boter toebereid als gebruikelijk uit consideratie met ons. Advies, niet eten, maar meenemen in de doggybag en er een andere bestemming voor bedenken. 
Vanavond wordt het helemaal anders, eerst een wijnproeverij daarna een exquis diner, volledig in overeenstemming met de geldende Italiaanse culinaire normen.
We verheugen ons op dit diner, waarover later meer. 

De grens over, we zijn weer in Nederland

Terwijl ik in een soort bootsmanstoeltje aan een vreemd soort kraan hang, wordt ik langzaam naar een eilandje in de plas getransporteerd. Om de plas zie ik bomen en strandjes. Ik heb geen idee wat ze met me willen. Het water tien meter onder me ziet er helder blauw uit en ik realiseer me dat het er schoon uitziet. Met een plotseling geratel voel ik dat ze de kabel waar ik aan hang laten zakken tot vlak boven het wateroppervlak. Vlak voor me vliegt een rode wouw. In de verte zie ik de hoge koeltorens van het Ruhrgebied en vind ze niet eens lelijk. Het water van de plas is veranderd in een kanaal en scherend over het water vlieg ik onder tientallen bruggen door die vrolijk geschilderd zijn in felle kleuren. De sluis waar ik invlieg loopt leeg en voor me gaan de schuifdeuren open. Ik wordt wakker en draai me nog eens tevreden om.
Op de  Bijlandplas bij Lobith liggen we met onze vrienden gebroederlijk naast elkaar voor anker. Het Duitse land hebben we verlaten en als  Batavieren zijn we op moderne boomstammen over de Rijn ons land binnen gevaren. Met de stroom mee voeren we in 4 1/2 uur van Duisburg naar Lobith. 
Terwijl de motor op 1600-1700 toeren draait komen we op een gemiddelde snelheid van 16 km per uur. 
De grote vrachtschepen stuiven je voorbij met 18-20 km per uur. Het is opletten en we spreken af beiden op te letten wat er van achteren aankomt. 
Het zijn niet de grote jongens die de meeste golven maken. Het zijn de snelle grote speedboten die zonder op hun hekgolven te letten voorbij scheuren. Opsturen in de hekgolf is dan de enige manier om niet alle huisraad door het schip te laten vliegen. Op mijn boze reactie over de marifoon wordt niet gereageerd. Mijn woede en neiging alles wat los is geraakt overboord te gooien, verdampen gelukkig snel door stukjes troost-chocolade, klaargelegd door mijn lief. 
   
Het Mittellandkanaal is ons ondanks een paar saaiere stukken meegevallen. Er is veel te zien onderweg en de sluizen houden je scherp. Het in bedwang houden van ons schip tijdens het stijgen en dalen in de sluizen ging steeds makkelijker door samen vanaf onze middenbolder met een lijn beurtelings een bolder in de sluiswand over te nemen en te beleggen. 
Enkele sluizen maakten het ons helemaal gemakkelijk door de aanwezigheid van Schwimmpollen, of wel ‘zwem-bolders’ die met het waterpeil mee stijgen of dalen. Vastmaken, bij het begin, even opletten of lengte van de lijn goed is afgesteld, en je kunt met een half oog op het gebeuren een kopje thee gaan drinken. 
Duitsland heeft veel te bieden qua waterwegen en we hebben maar een klein stuk bevaren. Er moeten nog veel prachtige gebieden te ontdekken zijn in het achterland tegen de grens van Polen in het voormalige Oost Duitsland. 
Vanwege het onstabiele weer kozen we dit jaar voor het binnenwater. De lage waterstand van de Elbe was een probleem. Hele stukken waren niet te bevaren en pas in de buurt van Hamburg dat alleen via het Elbe-Seitenkanaal te bereiken zou zijn, kon er op de Elbe gevaren worden. Het Duitse wad was ons niet gegund. De Oostzeekust lijkt ons, nu we het schip beter kennen, een mooi nieuw reisdoel. Misschien volgend jaar?
De Duitsers die we tegenkwamen waren meestal heel vriendelijk en behulpzaam. Als het gaat om netheid en opruimen vond ik Berlijn en Potsdam aan de smerige kant. Vuilnis werd laat opgehaald waardoor er veel rotzooi op straat om de vuilnisbakken lag. 
Brood bakken kunnen ze als de beste, en de plaatkoeken met vruchten zijn heerlijk. 
Misschien moeten de Nederlandse bakkers eens op cursus bij hun Duitse collegae. 
Samenvattend: Duitsland heeft veel te bieden voor de gemotoriseerde watersporter. De waterwegen zijn goed onderhouden en op veel plaatsen, al is het soms tegen stalen damwanden, kun je gratis je scheepje parkeren. De vele soms primitieve jachthaventjes worden bevolkt door aardige behulpzame mensen, al zijn de havens nog al eens ongeschikt voor grotere schepen met een breedte van meer dan 4 meter. 
Een belangrijke les die we leerden is om niet eerder een smalle haveningang naar binnen of naar buiten te gaan dan dat je zeker weet dat er niet een vrachtschip net voorbij gaat of is voorbij gegaan. De zuiging in de kleine havens is gigantisch en je schip beweegt zich in alle richtingen die je niet wilt. Een rollende pinball in een flipperkast is er niets bij. 
In de grote sluizen maakten we veel gebruik van de marifoon waarbij we de sluismeester of het voorliggende schip opriepen om te melden wanneer ze klaar waren met afmeren en hun schroef hadden uitgezet. Bij het uitvaren wachten we tot het vrachtschip de sluis heeft verlaten zodat je niet als een stuiterbal in zijn schroefwater door de sluis vaart. 
De komende dagen gaat het richting de IJssel, nog even genieten van dikke stroom mee en geen sluizen. 
In de haven van Doesburg schuift een grijze dame op leeftijd over de steiger. Ze loopt serieus en kijkt ook serieus, waarschijnlijk bang om op de gladde steiger te vallen. Op de tegenoverliggende motorboot hangen de bloempotten in de mast en de geraniums aan de reling. De volslanke oudere schipperse heeft een niemendalletje aan dat haar losse delen nauwelijks kan verbergen. Het regent zachtjes en we zijn helemaal tevreden met een Duveltje en een bakje sushi.
De Geldersche IJssel