Golven

Je heb ze in alle soorten en maten. Lage golven, steile golven, misselijkmakende golven en niet te vergeten hittegolven. Op een bootje zijn de drie eerste meestal wel redelijk te hanteren als je een beetje kunt varen. Met hittegolven wordt het lastiger. Je bootje wordt zo heet als een oven op standje 4, zelfs de wind geeft dan nauwelijks verkoeling. Hittegolven zijn we in dit kikkerland niet gewend. We houden meer van dat gematigde, een frisse wind, een lekker temperatuurtje. Een golvende temperatuur mag best maar het moet niet te extreem worden. Dus zitten we nu thuis in de koelte op het heetst van de dag, schuilend voor de hittegolf, niet eens op de Nine Marit die nu in de loods ligt en geplaagd wordt door spinnenwebben en spinnenpoepjes.

Vanmorgen waren we vroeg opgestaan en hebben we ons op de fiets gehesen voor een tocht door de Friese dreven om de hittegolf voor te zijn. Terwijl we het nog koele oostenwindje tegemoet peddelden hoopten we de helse hitte van de middag voor te zijn. Lastig alleen dat de horeca het onderweg categorisch liet afweten. Nergens een kopje koffie te scoren, de uitbaters waren naar het leek nog in slaap en pas toen we bijna weer thuis waren was er ‘Rufus’, een aangename pleisterplaats aan de Alde Wei, bij het pontje, waar de combinatie van appeltaart en koffie tot onze grote vreugde de droge kelen mocht verwennen.

Het rondje Sneekermeer op de fiets was een nieuwe ervaring. Het prinses Margrietkanaal fietsend oversteken is geen optie, maar gelukkig is er een elektrische pontje naar Terherne. In Coronatijd mag het pontje maximaal 6 personen vervoeren. Voor de wachtenden staan er 6 groene stokken klaar. Heb je er één bemachtigd, mag je mee, zijn de stokken op, moet je wachten op de volgende oversteek. Doet me denken aan de conducteur van een lokaaltje op enkel spoor, die het stokje moet overgeven aan de conducteur van de tegemoetkomende trein, die staat te wachten op een stuk dubbelspoor, om pas verder te mogen rijden indien hij het stokje heeft gekregen. Het pontje met een dak van zonnepanelen hoeft bij zonnig weer niet extra bij te tanken aan het stopcontact. Hard vaart hij niet. De schipper heeft een vaarbewijs, ik heb het gecheckt. De vrijwilliger-bejaarde matroos kreeg de pinautomaat met moeite aan de praat in de onrustige warrel-golven bij de oversteek naar Terherne. Al met al, we hebben toch even gevaren, leuk.

Het tweede pontje, over de Alde Wei, had een handicap. Niet de te overbruggen afstand of hoge golven, maar de gigantische drukte van alles wat maar langs vaart belemmerde de oversteek. Een wirwar van schepen, zeilboten, zeiljachten, motorboten, sloepjes, en drijfplanken, persten zich zowel van, als naar het Sneekermeer door de Alde Wei. Zigzaggend koerste de schipper van de pont met ons handig naar de overkant, waar de ontbeerde bovengenoemde heerlijkheden op ons wachtten.

Je kunt wel zeggen dat deze drukte op het water ons het plezier met eigen schip te varen enigszins heeft vergald. Voor heel Nederland lijkt Friesland opeens dé ideale vakantiebestemming op het water te zijn. Ik hoorde zelfs dat er een run is op de koop van huizen, vakantiewoningen en niet te vergeten boten! Één van de al dan niet wenselijke onverwachte bijwerkingen van het COVID-19 -virus.

We doen het dankzij dit virus en dankzij de drukte even rustig aan. Wandelen, fietsen en de hittegolven trotseren is wat er is, en ‘ach’ waarom ook niet….

Achter het appartement, 5 uur in de middag

Op de Friese Meren

Aan een drijf-ei op het Slotermeer

In het vaartje tussen het Grote Gaastmeer en het Zandmeer schuiven steeds meer boten aan langs de goed onderhouden wallenkanten. Zeilboten, kajuitjachten, sloepjes en motorboten. Morgen is het Hemelvaart. Dat wat kan en mag in Coronatijd wordt breed gevierd. Twee mannen met een opgelapte oude motorboot zijn aan hun vierde flesje bier begonnen terwijl de zon, nog hoog aan de hemel, probeert traag voorbijdrijvende wolken tot ophoepelen te verleiden. Onderuitgezakt, intens tevreden, zitten de beide heren in camping stoelen op de wal. Op het tafeltje de lege flesjes, in de hand een volle fles waarmee ze ons wazig groetten toen we langs liepen. Eigenlijk hadden we stilletjes gehoopt dat ze tegen het eind van de middag zouden vertrekken. Ze lagen op de plek waar we gisteren naar volle tevredenheid hadden overnacht. Mooi achter een bosje tegen de nog best koude noordwesten wind. Om de accu’s wat op te laden waren we vlak na de middag een eind het meer op gevaren, waarna we bij terugkomst dat mooie plekje verspeeld bleken te hebben.

Van het virus is hier op dit eilandje niets te merken. Nou ja bijna niets. Op een rondje kuieren over het eilandje kwamen we een paniekerige schepeling tegen die in het passeren over het pas gemaaide pad zich bijna in het riet stortte onder het uitroepen van ‘anderhalve meter’.

Over het geheel wordt er nogal laconiek gereageerd, de kans dat we in Corona-arm Friesland een besmetting oplopen is op dit moment gelukkig (nog) klein. Het was erg rustig op het water. Vanwege Hemelvaart is het nu wel drukker geworden. Van een invasie met varende Duitsers als in andere jaren kun je bepaald nog niet spreken. Normaal gesproken is ‘Merenprovincie’ Friesland in April en Mei een hotspot voor huurboten bevolkt met onze landsburen. Eerder heb ik me al eens min of meer kritisch uitgelaten over sommige bedrijfsfeestjes op het water met een groep van meestal mannen, vaak een stel landsburen, van drank doordrenkt en liederen zingend, die onze vaders koude rillingen zouden hebben bezorgd. Niets van dat alles, ze zijn er niet, in quarantaine vermoed ik. Trouwens, sommige Nederlandse business-feestjes op het water kunnen ook behoorlijk uit de hand lopen. Wat is er mooier, een mobiele locatie, ongestoord en ver weg van familie- en pottenkijkers, één keer per jaar met het bedrijf juichend en zuipend uit je bol gaan? Moet toch kunnen?

We zagen slechts enkele zeilbootjes en motorbootjes met een Duitse vlag. Laten we wel wezen, de meeste Duitsers zijn tegenwoordig aardige mensen. Meerdere keren hebben we genoten van prachtige tochten door ons buurland en bijna altijd waren de contacten met de Duitsers aangenaam en getuigden van bereidwilligheid en hulpvaardigheid. Des te bevreemdender voelt het jaarlijkse( en terechte) ritueel aan het begin van deze maand met het herdenken van de oorlogstijd ( die ik gelukkig zelf niet heb meegemaakt), waarin we bestookt worden met vreselijke beelden over en herinneringen aan, hoe erg het destijds was.

Het is goed om te merken dat het bootleven, de watersport, weer op gang komt. Vanochtend, op Hemelvaartsdag, pruttelden we in de vroege ochtend over een vrijwel leeg Heegermeer naar Woudsend richting het Slotermeer. Als altijd zijn gemaakte plannen (we zouden naar Langweer en het Sneekermeer) bij ons onderhevig aan flexibiliteit en verandering. Op het Slotermeer zag ik met de de verrekijker een lege meerboei aan de hoge wal. Vastmaken aan zo’n drijf-ei was nieuw voor ons met dit schip. Ankeren vind ik een gedoe, niet het voor anker gaan, maar het anker ophalen en op de juiste manier, rammel-vrij, weer aan je boeg plakken. Steevast zit het anker gedraaid en moet de ketting een slag gedraaid worden om de stok en de bladen van het anker recht voor het ankergat te krijgen. De opening van de ankerkoker zit onhandig onder de terugvallende boeg verstopt. Het drijf-ringboeitje dat de romp tegen het anker moet beschermen heeft de vervelende neiging zich aan zijn taak te onttrekken, zodat het te laag, te hoog of scheef naar links of rechts zit als je het anker net hebt opgehaald. En dan is hij ook nog half leeggelopen of na oppompen( onmogelijk vanaf het voordek en alleen te doen als je aangemeerd ligt aan een steiger of een walletje wat nu juist niet het geval tijdens het anker-op gaan) te bol zodat het anker niet stijf tegen de plaat aan zit. Een Bruce anker zoals we op de zeilboot hadden, was makkelijker te hanteren door de vooruitgestoken rol boven op de steven.

Voor anker liggen bij rustig weer is een genot. Vrij zwaaiend op de wind, geen luidruchtige buren al te dicht bij, de zachte schommel-bewegingen van het schip, het wijde uitzicht over het water. Een krabbend anker is een ramp, zeker als je meent eigenlijk te kunnen slapen. Een recent weerbericht ( krijgen we die onweersbui nu wel of net niet? ), een goed ingesteld anker-alarm en weten hoe het met de diepte is gesteld rondom je gedropte en goed ingegraven anker is een absolute voorwaarde voor een rustige nacht. Ik herinner me een anker-plek op het Lauwersmeer, waar we bij het wakker worden ineens 20 graden scheef lagen met onze Friendship 28. Het waterpeil was 20-30 cm gezakt, er was gespuid. Door ons zeilschip met hulp van vrienden te krengen( zoek maar op als je niet weet hoe dat gaat) hebben we haar vlot getrokken. Al denk ik, dat we door gewoon een halve dag te wachten ook wel weer drijvend waren geworden.

Grootse vaarplannen hebben we niet. Het is prima in Friesland. Covid-19 dwingt ons pas op de plaats te maken. De behoefte om verre oorden te ontdekken is er even niet. Naar de eilanden? Het kan weer, hoorde ik, wel bespreken en ‘anderhalve meter’ op de steigers….

Het eilandje tussen het Gaastmeer en het Sânmar
Symphytum ofwel Smeerwortel. Een plant die de genezing van gebroken botten ondersteunt.

Tussentijd

Hoe gaat het met de bootjes-mensen? Durven we met onze schepen nog het water op te gaan? Draaien de bruggen? En zijn de havens open? In Friesland kunnen we varen. De bruggen draaien en sommige havens laten schepen toe, al zijn de sanitaire voorzieningen niet toegankelijk. In het afgelopen weekend en op Koningsdag was het Sneekermeer geplaveid met zeilboten, sloepjes en motorboten. Op het water was de anderhalfmetersamenleving met gemak te handhaven en ik denk dat het Corona virus niet als een kikkertje overspringt van boot naar boot.

Plannen maken is lastig geworden, dichtbij je standplaats, je thuishaven blijven, lijkt voorlopig de beste optie.

Zijn we, als bootjes mensen, niet bevoorrecht dat we bewegingsvrijheid hebben op het water in tegenstelling tot de landrotten in de steden? Dat we aan een steiger bij het riet kunnen afmeren en dat we kunnen mee genieten van de karekieten, de rietzangers en de rietgorzen die proberen elkaar met luid gezang te versieren?

We leven in een wonderlijke tijd, waarbij we als samenleving ‘stil’ lijken te staan. ‘Stil’ staan in de zin van de ‘verlamming’ die het virus ons oplegt te moeten ondergaan. Terwijl we ons zo goed mogelijk aanpassen is er tevens het gevoel dat de dagen voorbij vliegen omdat de gebeurtenissen elkaar snel opvolgen. De cijfers van het RIVM en de cijfers van de uitbraak van het virus in de rest van de wereld buitelen in hoog tempo over ons heen. Ondanks het overvloedige nieuws over het virus lijkt mijn eigen wereld compacter, dichterbij en meer gefocust. Niet helemaal onprettig moet ik bekennen. Dat wat verder weg gebeurt is verontrustend, maar dat wat dichtbij gebeurt lijkt overzichtelijker, misschien zelfs rustgevender. Ik spreek voor mezelf en realiseer me dat dat voor anderen juist niet zo werkt en dat de situatie heel bedreigend is, dicht op de huid, op allerlei persoonlijke vlakken.

We lijken te leven in ‘tussentijd’, een begrip dat ik laatst voor het eerst hoorde. De tijd tussen een onzekere toekomst en een recent verleden met een aaneenschakeling van verwarrende en totaal ongekende gebeurtenissen. Er heerst een soort stille spanning over datgene waar wij nu als mensen geen grip op hebben. De illusie controle te hebben is doorgeprikt. Heel begrijpelijk dat er stemmen op gaan om die controle weer snel op te pakken. We kunnen slecht tegen onzekerheid. Het virus dwingt ons die onzekerheid te onderkennen. De maakbare wereld die we als vanzelfsprekend hebben verondersteld blijkt ineens niet meer zo maakbaar.

Terug naar een kleiner perspectief, dichterbij: Wie kent niet het vervelende gevoel als er in je scheepje een lampje gaat branden dat niet hoort te gaan branden, of als je computer aan boord meldingen produceert die je niet begrijpt? Een wetende techneut maakt er geen probleem van, ‘dat los ik wel op’. In het geval van iets als een onbekend virus is dat een ander verhaal, al je technische kennis is dan ineens van generlei waarde.

Daarentegen. Is varen met je schip niet eveneens het bewust opzoeken van een (min of meer gecontroleerde) mate van onzekerheid, omdat we dat leuk vinden? Brengt het varen niet mee dat we met name in het nu zijn en niet al te veel bezig zijn met afleidende zaken? De controle te hebben over een behapbare mate van onzekerheid.

Inderdaad, de door het virus gecreëerde onzekerheid is van een totaal andere orde als die van het varen met je schip. Het bewustzijn dat we in de komende tijd met die grotere onzekerheid moeten leren omgaan lijkt me niet meer dan een understatement…… en dan is varen met je schip een mooie afleiding……

Holle gracht bij het Sneekermeer

Virus

Als ik uit het raam kijk zie ik één motorboot afmeren aan de overkant. De Lemmerbrug bij de Waterpoort van Sneek heeft dubbel rood. Het seizoen is nog niet begonnen. Alleen op afroep kun je er doorheen. Het uitbundig stralende zonlicht spat uiteen op het wateroppervlak in wit-zilverkleurige vlakken die door de wind voortdurend ten opzichte van elkaar verspringen. Een Fuut is ijverig bezig met het opduiken van zijn lunch.

Friesland is nog relatief onaangetast door het virus. De mensen houden zich goed aan de voorschriften. Het is Lente, maar wel een verdrietige Lente. Er lijkt een ingehouden spanning aanwezig onder de mensen. In de contacten met anderen op afstand, fysiek of digitaal, heerst een ongenoemde verwachting van ‘hoe zal het gaan, hoe lang gaat dit duren’. Langzamerhand dringt door hoe kwetsbaar we zijn.

De vaarplannen voor de zomer zullen we moeten aanpassen. We waren eerder, voor de crisis, al van plan om dit jaar niet naar het buitenland te gaan. Volgens de berichten mogen we dat niet eens tot zeker 1 juni. De havens zijn voor een deel gesloten, de bruggen en sluizen draaien voorlopig volgens de winterdienst-regeling.

De Waddeneilanden, zowel de Nederlandse als de Duitse, zijn gesloten voor de recreatie-vaart. Ook als wandelende of fietsende toerist kun je vergeten verwelkomd te worden.

Hier in Sneek kunnen we met ons schip vanuit de box in de haven, zonder bruggen of sluizen te moeten passeren, op de meren komen. Een geschenk gezien de situatie. Rottig voor diegenen die hun schip binnen in de loods op het droge hebben liggen en voorlopig niet kunnen varen door het beleid van de regering.

Om ons heen kijkend hebben veel mensen het moeilijk. Me druk maken over het feit de komende maanden niet of slechts beperkt te kunnen varen is niets in vergelijking met al die mensen die getroffen worden met een besmetting van het virus. Terecht komen op een intensieve care is wel het laatste wat je je wenst. Vanuit mijn voormalige vakgebied weet ik wat dat betekent.

Laten we hopen dat deze quarantaine tijd snel voorbij gaat.

De winter is voorbij, de vogeltrek naar de broedgebieden in het noorden is in volle gang, de natuur bloeit op. In ieder geval mogen we daar van genieten, wandelend, fietsend, of zittend in je tuin. Het beste ervan makend in een rare tijdspanne…..

De Groene Dijk bij het Sneekermeer

Storm

Meerkoet op het ijs, lijkt wel of hij zich schuldig voelt.

De heftige storm op de zondag na het zaterdagse gezellige Pollardvaarders-uurtje op Boot Holland had voor ons nog een kleine verrassing.

Vorig jaar in een eerdere blog sprak ik over de Meerkoeten die ons schip in de winter als openbaar toilet gebruikten.

De loods waar Nine Marit ligt heeft geen deur vanaf het water. Het is eigenlijk een soort carport voor een schip. Makkelijk bij het in- en uitvaren, maar daardoor ook makkelijk voor het in- en uitzwemmen voor watervogels. De loods heeft aan de westzijde kanteldeuren. Wij liggen met ons schip in de oostzijde. Omdat we tijdens eerdere winters ontdekten dat het zwemplateau een ideale verzamelplaats was voor onze ‘gevederde kak-vrienden’, hebben we de laatste twee winters Nine Marit omgekeerd in de box gelegd, de boeg richting de open kant.

Op de kopse kant van de loods is een toegangsdeur naar een middensteiger met links en rechts smalle, uitstaande tussen-steigers als de graten van een vis. Over die smalle graten lopen is zoiets als fietsen op een evenwichtsbalk met aan beide kanten het weinig aanlokkelijk koude en donkere water. Met wat houvast aan de zeereling is erover lopen is geen probleem, iets verder op de steiger, zonder steun, is het wat hachelijker, zeker als het hard waait. Het prettigste om bij het verste uiteinde te komen is het om op je knieën als een krab langzaam naar voren te kruipen, de ogen gericht op de reddende steun-paal die houvast moet geven. Nu denk je wellicht, daar hoef je toch niet te zijn? Nee, meestal niet, maar voor het vast zetten van een onwillig wapperend zeil dat met een lang elastiek deels over het voorschip en deels dwars over de ingang van de box gespannen moet worden, moet je wel naar het uiteinde van die rottige smalle plank kruipen.

Vorige winter hadden we een zeil, lekker voordelig aangeschaft bij de Welkoop, om de boeg gespannen, over het voordek met de neergeklapte mast, waardoor het dekzeil op meerderde plekken kapot ging op de scherpe uitsteeksels van de mast. De meerkoeten vonden het alsnog een aantrekkelijke plek om op de door het zeil overdekte zeereling hun gemak te nemen en daar onbekommerd hun ontlasting op de vingersteigers en het zeil te deponeren. Conclusie: Geen goede constructie.

Deze winter dachten we het anders te doen. Uit voorzorg hadden we de mast ingepakt met schuimplastic om te voorkomen dat er weer schaviel-plekken in het zeil zouden ontstaan. Het zeil spanden we uit tot over de zijsteigers om de heren en dames zwemvogels een schuin aflopende en wankele ondergrond te bieden, té onaantrekkelijk voor een rustige nacht vanwege het ongetwijfeld af en toe klapperde dekzeil. Voor het eerst dit jaar geen poepje te bekennen. Hoera!

Echter…….we hielden geen rekening met de wind die het dit jaar nodig vond, met stormkracht de loods te geselen. Het vlakke deel van het zeil klapperde als een lamme vogel omhoog richting het dak. Het elastiek was los geschoten en een poging om het elastiek met de pikhaak naar me toe te hengelen mislukte, terwijl de stormwind zijn best deed om me, balancerend op mijn knieën op de vooruitgestoken vingersteiger, het water in te donderen. Met een dun draadje zat het dekzeil nog vast en met het aanspannen van de andere loszittende lijntjes heb ik het maar even gelaten. De volgende dag, de wind was eindelijk gaan liggen, heb ik samen met mijn lief, ze is veel handiger op de evenwichtsbalken, het zeil geborgen. Nine Marit ligt nu in volle glorie, zonder zeil de lente af te wachten. Een enkel vogelpoepje mag haar niet deren.

Gisteren nog even bij het schip geweest. Geen poep te bekennen. De neiging om met z’n allen terug te keren naar de van ouds bekende overnachtingsplek zijn de Meerkoeten naar het lijkt vergeten…..

Bloesem, gestolen uit het park

Couleur Locale

Pijnbomen bij Malaga

Met zijn grote donkere ogen onder de piekende zwarte haren keek hij me onderzoekend aan. Hoe oud zou hij zijn? 3-4 jaar. Duidelijk jonger dan zijn broer die hem af en toe speels op zijn rug nam. Het Spaans dat hij sprak kon ik niet verstaan. Een vraag, een poging tot contact?

De familie, opa, oma, zwangere dochter met haar man, twee kinderen en moeders jongere zusje zaten na te genieten van de lunch in het restaurant. Onderweg naar Malaga over de slingerweg door de bergen maakten we een stop voor een kop thee bij dit vriendelijke restaurant, prachtig gelegen in de bocht van de weg met uitzicht op de overhangende pijnbomen die zich met hun getordeerde wortels vastklampten aan de steile rots-helling. Het restaurant werd beheerd door een gezin. Oma en moeder in de keuken, vader en dochter achter de bar en in de bediening. Opa reinigde de ramen van de tussendeur naar het tweede gedeelte van het restaurant. Hij deed dat zo professioneel en handig, dat we beide gefascineerd toekeken. Hij zeepte met een spons een raam in, om vervolgens met de wisser in een kunstige dans over het glas in twee halen de zeep te verwijderen.

Op de tafel van een tweede familie stond een half leeggegeten pan met paella, waarvan ik het overgeblevene best nog even soldaat had willen maken. De beide Spaanse familie deden precies wat veel Spanjaarden in de middag het liefste doen. Samen uitgebreid tafelen van 2 tot 4 en vooral luid praten. Er was slechts één persoon die al dat gepraat niet zo zag zitten. Het jongere zusje van de zwangere moeder hing met een verveeld gezicht voorover op het tafeleinde, de beste plek om je wat afzijdig te houden. Als puber vind je de gesprekken van je familie niet interessant. Liever zag ze een filmpje of had ze een chat met een vriendin of vriendje.

Er zat een man in het deel van het restaurant waar zich ook de bar bevond. Hij at een portie frites met een lap gebakken vlees. In Spanje heb ik niet vaak goed gebakken frites gehad. Er wordt te kort en bij een te lage temperatuur gebakken, waardoor de frites de olie opzuigt en slap op je bord geparkeerd wordt. Ja, we aten een keer goede frites bij de lunch, maar die was gebakken door een Engelse kok. Hij was ook een meester in het bakken van vis. Het bier-beslag om de vis maakte dat de vis min of meer gaar stoomde in de knapperige korst. Als de vis dan ook nog spartelend vers is, heb je een originele Fish and Chips op je bord. De Spanjaarden moeten zich maar houden aan de bereiding van paella of de vele heerlijke tapas, die in de buurt van San Sebastián in het noordwesten van Spanje superieur zouden zijn.

Andalusië is een arm deel van Spanje. De dorpjes in de bergen ogen leeg. Oudere vrouwen en mannen, krom van hun zware bestaan, schuifelen moeizaam door de steile straatjes. Hun gegroefde gelaat naar de grond afgewend zijn ze nauwelijks in staat tot het beantwoorden van een groet. Wat ons aan de andere kant opvalt is de vriendelijkheid van de mensen in de winkels en de restaurants. Mijn pogingen om tijdens het afrekenen in een restaurant vast een fooi te geven door een hoger bedrag te laten berekenen, werd steevast beantwoord door eerst het volledig verschuldigde retour bedrag te geven. Het blijft merkwaardig dat een kopje espresso, un Café Solo, slechts 1 euro kost. En dat je voor een driegangen lunch inclusief een glas wijn en een kop koffie 10 euro hoeft neer te tellen. Het is geen haut-cuisine. Ik noem het een boerenkeuken, vaak wat aan de vettige kant, maar eerlijk gemaakt. De salades waren bij ons favoriet, rijk gevuld met de lelijkste maar wel lekkerste tomaten, verse snippers pittige ui, bietjes, wortelrasp en tonijn.

Andalusië is een oud en ruig boerenland met afgesleten bergtoppen waar net als als bij de Dolomieten rotspartijen steil omhoog pieken. De olijfbomen zijn oud en de hellingen langs de weg bezaaid met wilde rozemarijn en asperge-struiken. De doorgaande wegen zijn van uitstekende kwaliteit en goed onderhouden. De onverharde wegen zijn uitdagend en niet bepaald geschikt voor vlaklanders met hoogtevrees….

Het binnenland van Andalusië, een deel van Spanje, dat nog weinig van zijn authenticiteit heeft verloren.

Comares

Nu eens niet vanaf het water

Comares, zuidkust van Spanje

Vlak bij het huis

Nee, we voeren niet met de Nine Marit naar Spanje. Ze ligt rustig in haar overdekte box te wachten op het voorjaar. Achterstevoren met een zeiltje over haar voordek om de meerkoeten te ontmoedigen haar als openbaar toilet te gebruiken.

Inmiddels zitten we al weer drie weken in de bergen 20 km ten noord-oosten van Malaga. Nogal een contrast met het vlakke Friesland. Het huis dat we huren ligt op een rotspunt vanwaar we uitkijken over het dal en de zee. De zon rijst bij opkomst aan de horizon als een goud gelokte zeemeermin uit zee en duikt in de avond achter de contouren van het bergen. Vrij snel daarna, als de schemering is overgegaan in het duister, zien we de lichten van Velez-Malaga twinkelen tussen de nog net zichtbare glooiende bergwanden aan weerszijden van het dal. Een enkele lamp bij een huis op een helling verraadt de aanwezigheid van bewoning.

Het is stil in de bergen. De talrijke vogel-geluiden van het laatste uur van de schemering zijn verstomd. Na de warme zon van overdag wordt het hier snel koud. Binnen gaat de gaskachel of de open haard aan. De laatste weken heeft het nauwelijks gewaaid en afgezien van een paar bewolkte dagen hebben we meestal een zonnetje boven het huis. De uitdagende omhoog kronkelende paden en weggetjes die we zowat iedere dag beklimmen lijken met de dag minder steil. Onze conditie is flink verbeterd. Eigenlijk ervaren we het verblijf als een retraite, geen andere mensen, niets anders dan de natuur.

Helemaal in afzondering weg van het wereldgebeuren zijn we niet. We hebben internet en Nederlandse televisie. De oudejaarsconference van Claudia was top.

De oven in het huis hebben we meermalen gebruikt om koeken en taarten te bakken. Een taart die er heerlijk uitzag maar vies smaakte, bleek behept te zijn met de smaak van een rot ei. Blijkbaar had ik een van de eieren bij de voorbereiding vergeten te besnuffelen .

Overdenkend hoe het is om te varen met de Nine Marit of te verblijven in de bergen bij Comares, merk ik dat een vergelijking lastig is. Varen met ons schip over de meren rond Sneek en in Duitsland en Denemarken of ver van huis wandelen in de Spaanse bergen vanuit een luxe vaste plek in de winterzon. Het maakt nogal wat uit of je je in een varend schip ‘blootstelt’ aan een voortdurend veranderende omgeving of vanuit een vaste plek de omgeving verkent door zelf de kuierlatten te nemen. Consumptie versus moeite doen, kijkend varen versus actief zelf bewegen, ontspanning versus inspanning. Een opleider tijdens mijn studie zei; ‘de zomer is voor ontspanning en de winter is voor introspectie, in de zomer is de natuur uitbundig in de winter trekt alles zich terug’. Het zijn de verschillende seizoenen die meestal onbewust de neigingen en stemming van ons mensen beïnvloeden. In de zomer de bloemetjes buiten zetten en in de winter werken aan de innerlijke mens en het lijf om in conditie te blijven. Ik vind het opmerkelijk hoe snel ik in deze maand teruggetrokken leven ‘los’ kwam van een vaak aanwezige onrust en gejaagdheid, alleen maar door hier op deze mooie plek te wandelen en te ‘zijn’. Niet bezig zijn met wat er moet, niet bezig met anticiperen op mogelijke beren op de weg, geen malende zinnige of onzinnige gedachten.

Ja, straks moeten de koffers gepakt worden, en moeten we de koelkast leeg hebben, maar dat zijn overzienbare kleinigheden. Een reiziger te zijn met slechts een koffer, ver van eigen haard, op een tijdelijke plek waar je slechts summier zorg voor hoeft te hebben. Het is een bijzondere luxe.

En als we volgende week gaan inpakken voor de terugreis, is er het groeiende verlangen naar het eigen bed, de eigen douche, het eigen servies, de eigen scherpe messen in de keuken, het bezoek aan zoon, schoondochter en kleinkinderen, boodschappen doen bij de AH, de buren die de post uit het vak hebben, de blik op het water en de Waterpoort, een wandeling langs het Sneekermeer, zelfgemaakte nasi goreng en vooral even kijken hoe de Nine Marit het heeft in haar winterverblijf……

De amandelbomen zijn net in bloei

Thuis

Niet thuis, niet ons huis. Wel vlakbij, Epemastate

Een eitje en een ontbijtje, op zondag, gewoon thuis. Het valt ons niet mee om na 2 1/2 maand weer gewoon thuis te zijn. Het bootleven even loslaten en constateren dat tientallen spinnen op onze ramen aan de voorgevel driftig op jacht zijn geweest en hun fecaliën lustig op onze kozijnen hebben gedeponeerd, was niet direct het ‘welkom thuis’ dat we verwachtten. Een miereninvasie via de kieren van de achterdeur hebben we net weten te voorkomen met een ontmoedigings-beleid bestaande uit het strooien van een nogal onsympathiek wit poeder voor de drempel.

Omschakelen van vrijwillig in beweging zijn naar in beweging te moeten voelt als een verplichting. Het huis en alles wat daaromheen belangrijk is, heeft een bredere basis dan het relatief eenvoudige bootleven. Voordat je vertrekt is er het nodige werk om je schip bewoonbaar en leefbaar te maken, eenmaal onderweg ligt de focus op het varen en de steeds wisselende aspecten van de buitenwereld die de knop van verwondering ingedrukt houdt. Laat ik me niet al te negatief uiten over weer thuis zijn. Ik merk slechts dat het overschakelen moeite kost. We slapen langer dan aan boord en overdag vallen er gaten in de dag waarop we anders achter het roer zouden zitten. Aanvankelijk in beslag genomen door het lezen van de stapel post, de was, boodschappen, de roos die de achterdeur probeert te omhelzen en de badkamer die muf ruikt, ontstaat er na een paar dagen achterstallige zaken wegwerken een situatie waarin het meeste ‘klaar’ is. De verdere invulling van het ‘normale leven’ moet dan nog geschieden. Ik vraag me dan wel af wat het ‘normale leven’ is. Want niets blijkt normaal als je het nader beschouwt. Tijdens onze afwezigheid is er veel gebeurd, vrienden en buren hebben hun verhalen. Niet alles heeft onze belangstelling. Belangrijker vonden we het om eerst de sociale contacten aan te scherpen, na te praten over onze reis, vrienden te bezoeken. Stiekem denk ik al weer aan gaan varen, wat we zeker gaan doen, al is het nu en dan voor enkele dagen.

Het ontbijt op zondag, net als aan boord, is een ritueel dat we ook tijdens ons werkzame leven plachten te handhaven. Klassieke muziek, een pianoconcert op de achtergrond. Heel ‘normaal’ en rustgevend, een moment om plannen te maken en de week in te gaan. Het is bepaald een luxe de vrijheid te hebben om accenten te leggen waarmee we ons gepensioneerd bestaan opleuken en invulling geven. We zijn bevoorrecht. Aandacht voor het wereld-gebeuren stemt me vaak somber en ik weet dat het niets uithaalt me er druk over te maken. Daarentegen besef ik donders goed dat we hier in Nederland een goed leven hebben. Tijdens het varen kwamen we in arme streken zoals in Polen en in het noorden van Duitsland, waar je iets proeft van vroegere tijden. Het lijkt me niet makkelijk om in deze afgelegen contreien de touwtjes aan elkaar te knopen. De huizen zijn soms niet goed onderhouden, en je ziet verlaten en vervallen gebouwen langs het water. De walkanten langs delen van de kanalen in Oost Friesland verdienen het nodige onderhoud.

Bijna overal waar we kwamen hebben we ervaren dat de mensen ondanks alles uiterst behulpzaam en vriendelijk waren.

Onderweg lagen we soms op plekken waar we in de verte de auto’s hoorden razen in een voor ons andere luidruchtiger wereld. Misschien is het aantrekkelijke van het varen wel, dat je gedompeld wordt in een werkelijkheid die gemakkelijker stemt tot introspectie in wisselwerking met de opgedane indrukken vanaf het water.

De mieren hebben sinds het witte poeder de invasie via de achterdeur afgeblazen. Nu bouwen ze een aanval op bij het slaapkamerraam. We blijven alert en moeten de grenzen bewaken, Gut, waar heb ik dat eerder gehoord?…..

Emden en de Eems. over een ongelukkige snoekbaars en het Groninger Museum

De Kesselschleuse

Met drie motorboten voeren we achter elkaar het Ems-Jadekanaal op. Met Een Staverse kotter en een Amerikaanse motorboot met 3 Engelsen en later voegden zich nog 2 motorboten bij ons waarmee in kiel-linie westwaarts voeren. Afgezien van een tijdje wachten voor een spoorwegbrug werden we vlot door de brugwachters bediend die telkens belden naar de volgende brug of voor een paar bruggen met ons mee fietsten. De paar sluizen die we passeerden waren soms wat aftands, maar wel bediend door uiterst behulpzame sluismeesters. Het kanaal door Oost Friesland is 72 kilometer lang. Komend vanuit Wilhelmshaven ligt ongeveer op 1/3 van de afstand het gehucht Marcardsmoor en op 2/3 het plaatsje Aurich. Het eind van het kanaal ligt bij Emden aan de Eems. Het gebied is landschappelijk zeer afwisselend, bossen, heuvels, laagland, voormalig moeras. We waanden ons in verloren tijden met de gemoedelijke sfeer van de jaren 50-60 van de vorige eeuw zoals je die nog zelden tegenkomt in ons overvolle land. In Marcardsmoor betaalden we voor nacht aan de langssteiger €7.50 en daarvoor konden we de keuken, de wc’s gebruiken, alles keurig schoon en jaren 60 ingericht.

In Emden is er nog één sluis op het kanaal, de Kesselschleuse. De sluis ziet eruit als een berenkuil gevuld met water en op de vier windstreken een sluisdeur. Bij aankomst voeren we eerst in een voorsluisje. Het water in de ketel stond lager en in verbinding met het haaks erop staande kanaal naar het noorden en het zuiden. Om de sluis door te kunnen richting de Eems, moet de ketel zich eerst vullen tot het niveau van het Ems-Jade kanaal dat enkele meters hoger ligt. Een leuk spel met sluisdeuren die open en dicht gaan, vooral als de jongeman het verkeerd uitlegt en er misverstanden ontstaan. Na de sluiskolk moesten we in een gedeelte van de sluis afmeren die op twee manieren af te sluiten was. Dat deden we verkeerd. We moesten achterwaarts in sluis terugvaren achter een paar extra sluisdeuren. Twee jonge eenden waren te laat om de sluis uit te peddelen. Moedereend keek stoïcijns vanaf de kant toe terwijl haar kroost in paniek rond krabbelde in het van alle kanten opborrelende sluiswater. Zij waren als eerste de sluis uit. Emden zomaar uitvaren was er niet bij. Het wachten was op de Eisenbahnbrücke en de zeesluis, die op vaste tijden draaien. Over een gladde Eems bereikten we aan het eind van de middag Delfzijl en voeren we na de zeesluis door naar de Groevesluis bij Appingedam waar we aan de wachtsteiger hebben overnacht. We lagen er nog maar net of de vrouw van een hengelaar kwam met de vraag of we een snoekbaars wilden hebben. Haar man had hem als eerste gevangen. Het was zijn gewoonte de eerste terug te gooien. Deze snoekbaars had echter een haak in zijn bek die er al langer in gezeten moet hebben en de vis zou volgens de man sowieso overlijden. Daarom de vraag ‘Of we interesse hadden?’. Hij heeft hem

ook nog voor ons schoongemaakt, een maaltje culinair, verse Snoekbaars, gratis ende voor niets. Na het bakken gaven we hem en zijn vrouw een stuk vis ter goedkeuring. Wij smulden van de rest, lekkerste zoetwatervis volgens onze zoon, de schipper.

Inmiddels liggen we weer in Groningen op de vertrouwde plek, de Oosterhaven, waar naast de haven bij het vallen van de duisternis een lachgasfestijn gaande was. We hoorden hoe de ballonnen gevuld werden met lachgas. De plek waar dit allemaal gebeurde lag de volgende dag bezaaid met lege ballonnen.

Als we in Groningen zijn bezoeken we meestal het museum. Daan Roosegaarde bracht met zijn lichtexpositie ‘Presence’ vele kinderen tot verrukking. Kreten van plezier klonken in de grote zaal waar ze met blote voeten door lichtgevende korrels gleden. Fascinerend hoe het opleggen van een hand, een voet of alleen je schaduw op de verschillende voorwerpen en de vloer een naijlende beeld creëerde dat vervolgens langzaam verdween. Op de bovenste verdieping hebben we langdurig een videoinstallatie bekeken van P. Struycken waarbij muziek van Pierre Boulez en Schkrabin met abstracte overvloeiende beelden tot een eenheid waren samengevoegd, eveneens indrukwekkend en betoverend. Tenslotte bezochten we de tentoonstelling over vrouwenkiesrecht die uitgebreid het verloop laat zien van hoe vrouwen rond het begin van de vorige eeuw tegen de heersende normen vochten voor gelijkwaardige rechten.

Groninger Museum, werk van Chihuly leuk object voor aan je muur.

Plan A, plan B, plan C van Cuxhaven naar Wilhelmshaven

De sluis van Wilhelmshaven

Lekker weer op komst in de jachthaven Germania

Cuxhaven. Even na de middag, een half uur na hoogwater gooiden we de trossen los. Wangerooge zou het reisdoel zijn. Ondanks de noordoosten wind en ondanks de ebstroom die we mee hadden was de verwachtte vlakke zee verder de Elbe af niet helemaal zo vlak als we hoopten. We rekenden op een tocht van ongeveer 6-7 uur. 42 mijl. Ter hoogte van de Weser- en de Jademonding in de Duitse bocht, werden de golven onaangenaam waarbij Nine Marit af en toe de horlepiep ging dansen. Liever hadden we een rumba of een Engelse wals gehad, maar dat kun je van te voren niet bestellen. Een onderweg opgehaald weerbericht had het over een windsterkte van Bf 4 in plaats van 2-3. Een Engelse motorboot zagen we afbuigen naar de Jade. Omdat we bij de weersvoorspelling zagen dat het de volgende dag zou gaan onweren met windbuien tot 30-35 knopen stapten we over op plan B, niet naar Wangerooge maar naar Hooksiel aan de Jade. Wel wat verder varen maar de stroom naar binnen zouden we mee hebben. Dat wel, echter de golven bleven van opzij komen, dus nog meer waggel- waggel horlepiep. De flessen en glazen in de kastjes waren met kussentjes gezekerd en zijn allemaal heel gebleven. Wij ook, zonder kussens. Bakboord uit voor de oostpunt van Wangerooge, langs Minseroog naar het zuid-westen. Met 8 knopen, 15-16 km per uur stoven we de Jade op. Een naderend baggervaartuig met in de mast 2 ballen en een ruit ertussen om aan te geven dat hij beperkt manoeuvreerbaar was, ontweken we door ruim aan zijn stuurboordzijde voorbij te varen.

Inmiddels was het bijna 20 uur. Plan B naar de binnenhaven van Hooksiel lukte niet omdat de sluis al dicht was. De buitenhaven was een optie. Nadat we vanwege de doorzettende vloedstroom, als een krab scheef naar binnen waren gevaren, vonden we aanleggen aan de stalen hoge spundwanden geen aantrekkelijk idee. Afmeren langszij één van de twee schepen had gekund als we bereid waren om 2 uur in de nacht op te hoepelen, omdat ze op dat tijdstip zouden vertrekken. Wat overbleef was Plan C, doorvaren naar Wilhelmshaven. We verlieten de haven, in eerste instantie nog flink opzij gezet door de vloedstroom, om naar Wilhelmshaven te varen. 7 mijl met 8 knopen SOG(snelheid over de grond). Langs grote loskades met kranen om containerschepen van hun lading te verlossen, jakkerden we verder terwijl de zon aan zijn laatste stukje naar de horizon begon. Het wateroppervlak van de Jade kwam geleidelijk tot rust en nog geen uur later draaiden we de voorhaven van Wilhelmshaven in. Een uur eerder hadden we de sluis opgeroepen of we erdoor konden. Tot onze verbazing voeren we af op een gigantische sluisdeur van bijna 60 meter breed die zich traag voor ons opende. Voor ons uit lag de op een na grootste sluis ter wereld(Antwerpen is een paar meter langer), 390 meter lang een 62 meter breed. Rechts naast ons een tweede sluis met dezelfde afmeting. Om de sluis zijn werk te laten doen moet je geduld hebben. Al met al voeren we pas 20 minuten later de sluis uit. De zon was onder en het werd al donker. Het vinden van een plek voor de nacht koste wat zoekwerk. Een paar mannen op de kant wat verder in de haven stonden te zwaaien en wenkten ons naar een aanlegplek. In een box van de Hochsee Yachtclub Germania meerden we achterwaarts af geholpen door vele handen. In totaal voeren we 9 uur vanaf Cuxhaven. Een beetje trillerig op de benen en moe doken we het bed in, heel tevreden met wat we hebben gepresteerd.

Nine Marit hebben we een klopje op haar flank gegeven om haar te bedanken voor de veilige overtocht.

Wilhelmshaven is niet de meest inspirerende stad. Aanvankelijk opgezet als een Marinegarnizoen in de tweede helft van de 19 e eeuw is het geleidelijk uitvergroot tot een stad met veel rechte straten. Erg veel kan ik er niet over zeggen omdat we er alleen even doorheen zijn gefietst en een wandeling langs de boulevard maakten. Het maritiem museum, groots opgezet met in de ‘tuin’ aan de waterkant een onderzeeër, een fregat en een torpedojager was het bezoek waard. Een ‘Rundgang’ door de onderzeeër was een aparte ervaring. Overal buizen, kranen, afsluiters en openers van kleppen en ventielen. Bij ieder instrument of iedere hendel stond een bordje met een tekst waarvoor het dient. Een vergissing is zomaar gemaakt. Lijkt me niet handig om diep onder water per ongeluk het gat voor de periscoop open te zetten. Een vrouw die voor ons door de enge pijpenla van de boot liep kreeg het claustrofobisch benauwd.De film ‘das Boot’ geeft een aardige impressie. Mij lijkt het helemaal niets in zo’n ‘onderwater-doodskist’.

De onderzeeër

Het dagje rust in Wilhelmshaven heeft ons goed gedaan. De volgende dag doken we het Ems- Jade Kanal in. Bruggen en sluizen zijn vaak handbediend. Het gaat langzaam, maar ook heel gemoedelijk met uiterst vriendelijke en behulpzame mensen. Landschappelijk een zeer fraai kanaal, al is er hier en daar wat achterstallig onderhoud. Aurich, halverwege het kanaal, is zeer de moeite waard om er een dag te blijven. Goede aanlegmogelijkheden, de eerste nacht is gratis en de jachthaven heeft een mooi toiletgebouw waar als je binnenkomt een muziekje te horen is…..

Deze sluisdeur heeft het moeilijk