Het regent, en wel voor het eerst sinds 6 weken, hier in de buurt van Bergen.
Welke Noor je ook spreekt, het zou andersom moeten zijn: een enkele dag zon en altijd regen.
Ze waren al bang dat hun regentonnen onder de zomerhuisjes leeg zouden blijven, en ze geen ‘kaffe’ meer zouden kunnen drinken.
De vier dagen met de zoon en kleinzoon waren van een hoog afwisselingsgehalte en aangenaam.
We hebben veel ondernomen, aangelegd in een prachtig beschutte baai, waar de rubberboot eindelijk zijn drijf-capaciteiten mocht etaleren, tot groot plezier van onze 4 jarige kleinzoon. We hadden een auto gehuurd, waarmee we een tocht maakten door het Hardangerfjord, naar Jondal, waar een zomerskicentrum is op de gletsjer. Natuurlijk om even te skieën. Ewout genoot zichtbaar van de geboden kans.
Het rijden door een prentbriefkaart langs soms erg smalle, bochtige weggetjes ervaren wij als een droom. De onverwachte doorkijkjes, de vergezichten, de heldere luchten , de besneeuwde toppen, en dan plotseling is daar een breed uitwaaierende waterval die zich van grote hoogte naar beneden stort.
De wegen zijn meestal goed , een hele prestatie, als je nagaat hoe groot dit land is. We zijn ettelijke tunnels doorgekomen, en niet van die kleintjes. Wat me zwaar viel tijdens het rijden waren de plotselinge weg-versmallingen, vaak zónder waarschuwing vooraf. De wegen hebben geen berm zoals wij dat kennen, maar eerder een abrupte afscheiding met ‘niets’: ik stel me voor dat je, eenmaal met je wiel over die wegrand heen, niet veel stuur over hebt om de auto op de weg te houden.
Drie keer staken we met een veerpont een uitloper van de fjord over .
Het vervoer is in Noorwegen goed geregeld, de bussen rijden op tijd en de veerponten varen regelmatig en vaak. De man die ons op de pont loodste, maakte er een vrolijke show van. Met een dansje en een vriendelijke zwaai van zijn arm zette hij ons ‘te plak’ en trakteerde ons bij het verlaten van de pont nogmaals op een Noorse réverance.
Voor al diegenen die onze vorige blogs hebben gelezen, het ‘slurpertje heeft nog steeds een lepeltje zout nodig, het water is nog steeds erg schoon, en is ondanks de droogte nog even hoog van kwaliteit.
Morgen gaan zoon en kleinzoon met het vliegtuig weer naar Nederland. Dan wordt het hoogtijd dat we weer verder varen, de midzomernacht wacht op ons. Het is al steeds heel verwarrend om te merken dat het al 12 uur ’s nachts is terwijl we buiten nog kunnen lezen.
Het lijkt me helemaal te gek om de zon helemaal niet meer te zien ondergaan. Zij (of hij) staat dan ’s middags, lager dan bij ons in Nederland, in het zuiden, en ’s nachts net boven de horizon om 12 uur in het noorden.
Mochten we zo ver komen, is dat mooi, zo niet , ook mooi, we zien wel, we moeten toch ook nog weer terug. En de winters zijn hier van een haast deprimerende donkerte. Niet voor niets raken veel Noren in de winter hun levens-wil wel eens kwijt.
Echter de zomer is voor hun een feest, en dat is hier aan de steiger goed te merken.
De drank vloeit in het weekend rijkelijk en we worden nog vriendelijker tot hun beste vrienden bestempeld.
Eén avond heb ik me laten meeslepen in een drinkgelag, met de helft van wat ‘de Noor met de stoppelbaard’ en “de Noor met het gezicht van Golem uit Lords of the Ring” achterover sloegen, was ik behoorlijk boven mijn theewater. Onder de luide klanken van Pink Floyd en Supertramp , lalde ik mee als antwoord op de volledig onverstaanbare taal van de beide Noren. Te pas en te onpas knikte ik ‘ja’ of ‘nee’ al naar gelang ik dacht dat het passend was . Het maakte hen niet uit wat ik zei, en mij ook niet, we hadden veel plezier en vonden elkaar in de muziek.
De volgende ochtend was er de gebruikelijke gereserveerdheid, vriendelijk maar een beetje op afstand.
Nienke heeft lekker geslapen, ik sliep als een bewusteloos paard.
Rob
Auteur: Rob en Nienke Peters
Het is me wat.



04-06-2008
Lysekloster
Eigenlijk bevalt het wel, zo’n beetje rondkeutelen tussen de eilanden, niet te veel wind , af en toe een stukje zeilen en op mooie plekjes overnachten. De Noren zijn nog steeds niet massaal op het water. Een enkele welgestelde neemt ’s middags vrij om met zijn gezin een eindje te gaan varen met hun motorboot om dan ergens in een mooi baaitje een paar uur te vertoeven met een pilsje in de hand en een worstje uit de pan.
Zeilboten zijn hier dun gezaaid, en als het er een is, is het een Bavaria ( dat merk bier kennen ze hier niet). Men is hier erg boos dat hun de goedkope bootdiesel, zoals dat in Engeland ook nog steeds wordt verstrekt, binnenkort onder de druk van de EU wordt afgenomen.
Veel motorboten lopen op diesel en zeilboten lopen op wind, dus veel Noren beginnen te denken aan het aanschaffen van een zeilboot. De prijzen van de motorboten gaan naar beneden en de prijzen van de zeilboten gaan omhoog.
Het zal me wat worden als de Noren allemaal gaan zeilen, dan komt er weer rust op het water. De Noren varen het liefst zo hard mogelijk, dus met snelheden van 50-60 km per uur, met het liefst een zo groot mogelijke hekgolf.
Maar daar komt misschien verandering in, als ik het goed heb geïnterpreteerd; de instelling is misschien wel wat aan het veranderen. De baas van het restaurant, waar we aan de steiger liggen, reageerde heftig toen een stel jongelui met een naar zijn smaak te grote snelheid op de steiger af kwamen stuiven. In niet mis te verstane bewoordingen maar voor ons onverstaanbaar Noors, kregen ze een lading vuilwater-woorden over zich heen , waarop ze duidelijk geïntimideerd in elkaar doken en hun bootje zachtjes aan de steiger bevestigden.
Je ziet hier leuke eigen maaksel bootjes voorbij komen. Een aantal jonge jongens maakten een varend platform met een zonnetent er op, voortgedreven door een buitenboordmotor die vastzit in een gat in de bodem van het platform. Het geheel drijft op lege plastic jerrycans. Hard gaat het niet, golfslag en wind zijn geduchte tegenstanders van de voortgang, maar lol hebben ze.
Met welke Noor we ook spreken ,“vissen” is een geliefd onderwerp. Hier in de omgeving van Bergen zijn de vissen er niet, of klein, maar hoe verder we naar het noorden gaan des te groter worden de vissen, zegt men. Zalmen van één meter zijn geen uitzondering, je hoeft maar een hengel uit te gooien in de Lofoten of er bijt wat, een Lyre, een Torsk, een Sei, een Orret of een Laks.
Ik weet hoe een zalm en een kabeljauw er uit ziet, maar die ander namen zeggen me niet zoveel. Het zijn allemaal vissen , laten we het daar maar op houden en ze bijten graag in allerlei nep-aas.
In het baaitje waar we gisteren lagen uit te rusten van alweer een schitterende dag, zwommen de vissen onder de boot in kristalhelder water. Niet van het formaat, waar alle Noren het over hebben, maar meer van dat van té weldoorvoede goudvissen, die met de restjes macaroni voetbal speelden. Het was een koddig gezicht hoe de macaroni-pijpjes onder water leken weg te schieten, telkens als er een visje mee aan de haal ging, die op zijn beurt weer getackeld werd door een ander vrijwel onzichtbaar visje.
Ik heb in een poging tot vissen de lijn met haken en pluimpjes die ik in Kristiansand bij een hengelwinkel had gekocht, ook een keer in het water laten zakken toen we in Sundal aan de steiger lagen, maar schrok terug van het idee dat er wel eens een vis aan kon vastbijten.
Een visje bakken vind ik prima, maar ik heb nog altijd een zekere weerstand, om het levende beest te hanteren en schoon te maken. Toch zal ik er een keer aan moeten geloven. Ik heb het eerder wel gedaan met makrelen en ook een keer met een zelf gevangen kabeljauw jaren geleden.
Gelukkig is Nienke bioloog en heeft vele malen beesten ontleed en draait haar hand daar niet voor om. Gek eigenlijk, etterende abscessen incideren, een ingegroeide teen-nagel uitsnijden, zelfs een aantal blindedarm-operaties doen, gingen me zonder al te veel problemen goed af, maar die vis van zijn ingewanden ontdoen, het blijft me tegen staan.
Een mens zit raar in elkaar, een oester glijdt moeiteloos bij mij naar binnen en dat lijkt veel mensen weer helemaal niets.
Ieder zijn eigenaardigheid, zullen we maar zeggen.
Morgen verwelkomen we onze zoon en kleinzoon.
de foto’s zijn genomen om 23.30 uur , het is nog zo licht dat je erbij kunt lezen.
Grieg, de tandarts en nogmaals Ole Bull.


01-06-2008
Omdat onze zoon Ewout en kleinzoon Jamie de kans grijpen om per vliegtuig naar Bergen te komen om een paar dagen mee te varen en de omgeving te verkennen, zijn we in de buurt van Bergen gebleven.Dat heeft een paar prachtige culturele ervaringen opgeleverd.
Het Muziekfestival in Bergen is nog steeds gaande en we bezochten het huis en de concertzaal van Grieg in Troldhaugen (dat iets betekent als Trollenheuvel). Een onwaarschijnlijk mooie locatie met uitzicht over het meer.
Grieg had er ook zijn werkplek, een huisje onder de concertzaal, waar zijn werktafel, een sofa en zijn piano staan. Op de zitting van de stoel achter de piano ligt een dik boek met de Sonates van Beethoven . Dat boek ging mee, als hij een concert moest geven. Grieg was niet groot van postuur, hij was 1.52 meter lang en had zo van de werken van Beethoven dubbel plezier: inspiratie en een prettige speelhoogte.
We luisterden naar Roope Gröndahl een jonge Finse pianist die werken van Beethoven, Chopin ( ballade opus 52) en Sibelius speelde. Slechts 19 jaar oud, speelde hij de sterren van de hemel. Het is moeilijk om de vervoering die we ervaarden te beschrijven. Hij kreeg na het concert een staande ovatie.
Vrijdag j.l. was een bizarre dag.
Nienke verloor een inlay van haar kies . Na 2 vruchteloze pogingen om een afspraak te maken bij een tandarts, konden we bij de derde een afspraak maken.
Een zeer vriendelijke oudere heer, de “dental specialist “, liet Nienke plaatsnemen in de stoel. De hoorbare boor-geluiden in de kamer ernaast waren van een dermate angstige geluidssterkte, dat we het ergste vermoedden. Dit bleek achteraf niet de andere tandarts te zijn maar de aannemer, die in een andere kamer een wandplaat aan het bevestigen was. Ze waren aan het verbouwen en alles stond op zijn kop in de praktijk.
De “dental specialist” was in constant gevecht met de lamp, die duidelijk nieuw voor hem was. Hij zat naast Nienke , terwijl de lamp eigenlijk bedoeld was voor een tandarts die bij het hoofdeinde plaats neemt. Regelmatig stootte hij zijn bril, die uitgerust was met een aantal indrukwekkende vergrootglazen, bijna van het hoofd . De rest van de apparatuur was ook nieuw. De voetpedaal voor de boor was niet goed afgesteld zodat Nienke te pas en te onpas in de stoel op en neer ging als hij de boor probeerde aan te zetten . Eén en ander niet erg handig als je precisiewerk wilt verrichten. Van de spanning kon Nienke een opkomende lachstuip nauwelijks bedwingen.
De boortjes ,die in het laatje zaten, leken hem vreemd voor te komen, hij bestudeerde er minstens 7, vóór hij zijn keuze maakte.
Ondertussen, terwijl Nienke met haar mond open lag, converseerde hij haast onverstoorbaar met mij over bootjes. De inlay kreeg hij wel op zijn plaats en het overgebleven gat werd gedicht met een “onduidelijke substantie” die voor het verhardingsproces met ultraviolet licht werd bestraald. Hij waarschuwde Nienke dat het over enige tijd wel weer eens mis kon gaan, omdat er weinig houvast was voor de inlay.
‘Enige tijd’ bleek de volgend morgen toen de “onduidelijke substantie” weer los liet. De inlay zelf zat nog vast. We hadden die ochtend net genoten van een prachtig vioolconcert in de villa van Ole Bull .
De kies kreeg een staartje.
Het was zaterdag en de ‘dental specialist’ genoot van zijn vrije dag. Wij gingen dus weer naar Bergen. Ditmaal met de snelboot die de bezoekers van het concert terugbracht van het eiland Lysoy naar Bergen.
Bij de “dental lekewagt” ( de dienstdoende tandartswacht) in het medisch centrum, werden we na een uur wachten door een deskundige jonge tandarts geholpen. Hij maakt een röntgenfoto van de kies (een vertrouwenwekkende handeling)en stelde vast dat de kies vitaal is. Hij verwijderde al het losse aangetaste tandbeen en maakte op het gezonde stukje bot een nieuwe vulling .
Dat voelde direct beter.
Hoe was het ook al weer? “Zachte bouwmeesters bouwen huizen op slappe grond”.
Over Ole Bull sprak ik eerder. Het concert in de villa, was eveneens een schitterende ervaring.
Arve Tellefsen , een bekende Noorse violist, speelde werken van Ole Bull die vaak geïnspireerd zijn op de Noorse volksmuziek , waar ook Grieg trouw aan was.
Het weer blijft mooi, de zon schijnt overvloedig en er is geen wind.
Volgend jaar toch maar met een motorboot op stap?
Ole Bull en Bergen
Het is 10 uur ’s avonds en nog warm en volop licht.
We liggen in de Vågen in Bergen, de haven in het centrum.
Het is hier druk, er is een festival met muziek, straattheater, performances, dans, en andere pogingen tot expressie.
De reker (Noors voor garnalen) zijn gepeld en met smaak verorberd met sla, een aardappeltje en een goed glas wijn.
We wanen ons in een stadje aan de middellands zee, iedereen loopt er op zijn zomers bij , de terrassen zijn vol, en de mensen zijn vrolijk.
Op de kade lopen veel mensen langs de boten.
Het lijkt wel of we op de HISWA liggen, al die belangstelling voor ons schip.
Vandaag zijn we vanuit een mooie plek bij het eiland Lysoy naar Bergen gevaren.
Bergen zelf hebben we nog nauwelijks bekeken, maar de eerste indruk is leuk. Er staan veel oude gerestaureerde houten huizen en er is een met jong groen opgesierd parkje, waar veel jongeren op het grasveld elkaar en anderen aandacht geven.
Maar laat ik wat vertellen over Lysoy.
Dit eiland was tegen het eind van de 19 de eeuw in bezit gekomen van een in die dagen beroemd man, Ole Bull, een Noorse violist, geboren in Bergen, die de hele wereld afreisde om concerten te geven. Hij begon zijn leven niet zo prettig. In Parijs, zag hij het helemaal niet zitten en probeerde zich te verdrinken in de Seine, die niet diep genoeg bleek.
Hij had zich al vroeg in zijn leven voorgenomen om een beroemd violist te worden, maar dat wou aanvankelijk niet erg lukken. In het verwekken van kinderen bij zijn Franse vrouw, die hij daar later trouwde, slaagde hij beter. Ze kregen er zes, maar moesten toezien dat er maar twee opgroeiden.
Pas in Italië begon deze zeer getalenteerde violist, echt naam te maken en werd hij steeds meer gevraagd voor concerten.
In Bergen heeft hij het nationaal theater gesticht in 1850. Bergen was in die tijd de hoofdstad van Noorwegen.
Hij was een man met charisma en voor de dames een aantrekkelijke verschijning, zo aantrekkelijk dat hij een flesje reukzout bij zich droeg, dat hij in de aanslag had als er weer een vrouw in het publiek flauwviel. Flauwvallen was in die dagen erg in de mode, Freud heeft er een deel van zijn carrière mee opgebouwd. Mocht er een dame onderuit gaan, was Ole niet te beroerd om haar in eigen persoon het geopende flesje onder haar reukorgaan te houden, om de dame in kwestie weer bij haar bewustzijn te brengen, wat soms door de directe nabijheid van de veroorzaker van haar flauwte, ter plekke teniet werd gedaan door een volgende flauwte. De concerten duurden dan ook meestal lang met al die intermezzi.
Zijn eerste vrouw overleed op jonge leeftijd. Hij hertrouwde op zijn zestigste jaar met een Amerikaanse vrouw van net in de twintig. Bij haar kreeg hij nog één dochter. Rond 1880 liet hij een huis bouwen op Lysoy, dat nu tot museum is omgebouwd.
Het huis is een ratjetoe van verschillende stijlen. Men vermoedt dat hij dat zo wilde om te benadrukken dat hij een wereldman was. Men noemt het huis ook wel ‘het Kleine Alhambra’. Naast de museum-functie doet het huis ook dienst als locatie voor het geven van concerten door verschillende, meest Noorse , musici.
In 1888 is hij overleden.
Lysoy is een prachtig eiland. Over het hele eiland zijn wandelpaden aangelegd, en alles wordt goed onderhouden.
Maar ook is het een eiland met een gemene onderwaterrots bij de aanlegplaats van het veerpontje, waar we bijna op voeren. De veerpontschipper, vertelde dat hij er jaren geleden een boei had neergelegd, die gestolen werd. Een nieuwe er neer leggen voor onwetende schippers, was blijkbaar een stap teveel, verontwaardigd als hij nog steeds was, over het stelen van die boei.
Bergen hebben we, zoals ik zei, nog niet ontdekt. Daar zullen we het een volgende keer over hebben.
Rob
De Fjorden in
We zijn er stil van en kijken elkaar steeds weer in verwondering aan. Die heldere luchten, de frisse geur van de zee gemengd met bloeiende bomen-geuren en dan de stilte om ons heen.
De weergoden zijn nog steeds mét ons. Aan boord in het zonnetje is het te warm om de kleren aan te houden; de Noren zijn nogal preuts, dus dat gaat met de nodige omzichtigheid, onder het motto, als wij hun niet zien , dan is het niet erg.
Inmiddels varen we in het Hardangerfjord, een fjord dat eigenlijk uit meerdere fjorden bestaat.
We zijn zo’n 50 zeemijl landinwaarts gevaren, en liggen nu in Sundal aan het Maurangerfjord.
Het is een merkwaardige gevoel van hoog in de bergen te zijn terwijl we terug van de wandeling weer op zeeniveau in ons schip stappen.
Af en toe springt er een vis boven het water, en zien we een zeearend overvliegen.
Huizen worden hier per helikopter gebouwd. De heli’s vliegen als zoemende bijen heen en weer met grote houten dakdelen aan een kabel terwijl ze op 20 meter hoogte over het water scheren.
Ik kreeg al de kriebels dat ze onze mast ermee zouden raken. Maar volgens Nienke valt dat wel mee.
Het is een ongelofelijke ervaring om met ons eigen schip door deze prentbriefkaart te mogen varen.
Het valt ons op dat er in de fjorden veel vis(zalm) kwekerijen zijn, een soort ronde bakken die in het water drijven, waar netten over heen gespannen zijn( om te voorkomen dat de vissen er uit springen). De Noren hebben nu ook door dat je met dat kweken van de vis zorgvuldig moet zijn qua voeding en leefomstandigheden. Voordat de voeding werd aangepast ( meer natuurlijke voeding) kwamen er veel ziektes voor en het genetisch manipuleren van de zalm , bracht niet alleen misvormingen bij de zalm teweeg, maar vormt nu ook nog een bedreiging voor de wilde zalm.
Vandaag liggen we weer aan de stroom. Meestal lukt het ons om zonder stroom uit te komen. Zeker als we veel op de motor moeten varen is dat geen probleem. Voor de accu’s is wel goed dat ze af en toe echt vol komen, door een nachtje stroom van het net te eten en niet van de dynamo van de motor.
De man van de Landhandel voor “daglige” waren en tevens havenmeester, een bleke ongezond uitziende man , die ook een onbegrepen violist had kunnen zijn, was me terwille om het stopcontact van de winkel-berging te mogen “lenen”( 30 Nkr). Met wat bochten-werk en een verloopstuk lukte het net om de verbinding boot-berging tot stand te brengen.
Met het eventueel weggeven van zijn password voor een internetverbinding was hij minder scheutig, dus doen we het maar weer met ons vodafone-stickje waar een limiet van 50 MB dataverkeer per maand op zit. Ook deze zeekrabbel komt weer tot u allen door dit usbstickje.
Morgen wandelen we een stuk naar de gletsjer, die volgens de juffrouw van de tourist-information enorm is geslonken en lang niet meer zo ver reikt als 50 jaar geleden.
Ik groet jullie, mede namens Nienke,
Rob
Feest en Badkamer-vreugde
17 mei was de nationale feestdag van de Noren. Een groot deel van de mannen, vrouwen en kinderen lopen in de klederdracht van de streek. Het is met name een kinderdag. Met twee keer een optocht, veel vlaggetjes, de plaatselijke brandweer( die heb je wel nodig met al die houten huizen), het rode kruis en een in vol ornaat gestoken dominee, die bijna een uur zijn zegeningen over de goegemeente heeft uitgestort.
Nieuwsgierig, maar ook met een zekere gêne liepen we als aliens tussen de vele mensen door.
We waanden ons in de jaren 50-60, als je niet keek naar de dure 4wheeldrive’s en de mobiele telefoons, die veelvuldig gebruikt werden door de in grootmoeders kleren rond lopende autochtonen. De vetzucht van sommige pubers neemt al bijna net zulke vormen aan als we destijds bij volwassenen in Lowestoft , een industriestadje aan de oostkust van Engeland, zagen.
Kopervik , weer een paar mijl verder naar het noorden.
Met kleine stapjes komen we steeds verder, en we denken misschien toch wel de Lofoten ( de Noren spreken het uit als ‘Loefoeten”) te kunnen bereiken .
Maar laten we niet overmoedig worden, er is nog een lange weg te gaan ( eigenlijk zijn we pas op 1/3 van de totale afstand van Nederland naar de Lofoten). Steeds weer is er die neiging om jezelf in de toekomst te plaatsen, vooruit te willen denken, te plannen, terwijl we ook steeds weer merken dat we een vooringenomen plan door de omstandigheden moeten bijstellen, omstandigheden als de wind of omstandigheden, dat het bed nog zo lekker warm ligt en dat het zo gezellig samen ligt.
Zo op jezelf aangewezen zijn heeft ook zijn voordelen. Ervaringen worden intenser, het eten smaakt lekkerder dan ooit, terwijl de bereidingswijze heel simpel moet zijn. Een biefstukje van de dorps-slager, een saus gemaakt van een rest oude port, creme fraiche,licht aangefruite knoflook, met gebakken aardappelen en sla. Morgen wordt het, als we het kopen kunnen, een stukje verse vis, met de groente die het eerste op moet.
In de “kelder” van de boot slaan we onze groente op, een ruimte onder de vloer, waar ook de biertjes lekker koel blijven.
Nu we het toch over de bodem van het schip hebben, ons “Slurpertje “hield ermee op.
Slurpertje is het apparaatje dat ons afvoerwater in de vloer van ons badkamertje wegzuigt, en dat deed ze niet meer ( een schip is vrouwelijk, dus Slurpertje ook maar). nu wordt Slurpertje aangestuurd door een klein zwart kastje met aan de onderkant twee metalen tepeltjes , schattig om te zien, maar als die twee niet doen wat ze moeten doen, kan Slurpertje ook niet slurpen.
die twee metalen tepeltjes horen een elektrische stroompje dat door het water gaat te registreren en zo een belletje te laten rinkelen, waardoor Slurpertje wakker wordt en gaat slurpen.
En dat wakker worden en gaan slurpen, deed ze niet meer. Wat we ook deden, veel water, een beetje water, heel veel water, roeren met handen in de afvoer bak, niets kon haar uit haar slaaptoestand wekken. Ook demonteren en weer monteren bleek een zinloze daad.
Via een extra knopje, dat in de grote wijsheid van de mensen van de werf, als reserve is aangebracht in het badkamertje, kun je het overtollige water met een heel lange slurp van wel 2 minuten wegpompen. Maar dat wil je toch niet, eindeloos doorgaan met slurpen , terwijl de afvoerbak allang leeg is!
Het lichtje van dat kleine zwartje kastje met die twee tepeltjes, brandde al die tijd wel, dus stroom kreeg ze .
Zou er dan met het Noorse water iets zijn dat anders is dan het Nederlandse water?
Wat ik met mijn oude scheikunde-kennis kon bedenken is dat het Noorse water misschien zo zuiver is dat er weinig vrije ionen in zitten , ionen die voor de stroom-overdracht moeten zorgen.
Het Noorse water is misschien wel een stuk schoner dan het Nederlandse water.
Een experiment met een lepeltje zout in het afvoerbakje van de badkamervloer deed het wonder geschieden. Slurpertje kreeg weer een signaaltje om haar werk te doen en maakte weer het geluid dat ons nu als muziek in de oren klinkt( voorheen vonden we het eigenlijk wel wat gênant klinken).
Nadien ook in de hoofdtank een lepel zout gedaan , en alles werkt weer op zijn best. Waarlijk voor ons beiden een glorieus moment.
Dit is de ware eenvoud, en wat is het leuk om een probleempje op te lossen dat op te lossen is, vooral als er de nodige frustratie aan vooraf is gegaan.
Zo rijgen de dagen zich aaneen, bezig met dichtbije zaken , genietend van prachtige vergezichten.
Vandaag was de wind erg vlagerig en schiftend tussen noord en noord-west.
Tijdens het zeilen moesten we dan ook voortdurend de koers aanpassen. Het laatste stuk was het te smal om te kruisen en moest de motor aan.
Nu liggen we weer mooi beschut, luisteren naar mooie muziek en lezen en schrijven wat.
Tot de volgende zeekrabbel,
Rob
Noors fietsen en rotsje ontwijken
Uiteindelijk zijn we niet met ons schip naar Stavanger gegaan. Op onze vouw-fietsjes, 14 km heen en 14 km terug, heuvel op en heuvel af, hebben we onze zitvlakken geteisterd en de beenspieren mishandeld. Omdat we de broekspijpen in de sokken hadden gedaan, om te voorkomen dat ze tussen ketting en tandwiel zouden geraken, hadden we veel bekijks en werden we door menige Noor of kind aan de hand van moeder, met verwondering aangekeken.
Het fietsen in Noorwegen is voor een Hollander op zijn minst vreemd te noemen.
Men rijdt er met de fiets op de voetpaden en trottoirs.
Dat betekent een voortdurend slalommen tussen voetgangers, moeders met kinderwagens, hobbelend over boomwortels, staande in de pedalen om de al geteisterde zitvlakken te ontzien.
De trottoirs hebben we dan ook snel omgedoopt tot “foetspaden”, een term die beter past bij het doel waarvoor ze gebruikt worden.
Nog iets opmerkelijks betreft de auto’s. Ze lijken allergisch voor alles wat loopt of fietst.
Je hoeft maar één schijnbeweging naar de weg te maken, als was je van plan om over te steken, of de aanstormende auto staat boven op de rem. Een waarlijk koddige observatie, die bij ons de neiging opriep om, ook als we dat niet van plan waren, toch even met het voorwiel die schijnbeweging te maken en dan te zien hoe de bestuurder(-ster) verwachtingsvol de auto tot stilstand brengt en ons beide aankijkt met een blik van “ En wat zijn we van plan?’.
Wij putten ons dan met velerlei gebaren uit, dat we niet van plan zijn om over te steken en vervolgen rustig onze weg. Voor een tijdje erg leuk als tijdverdrijf.
Ik vermoed dat er in Noorwegen hoge straffen staan op het aanrijden van overstekend wild, al staan ze bekend als grote jagers.
Stavanger is een redelijk grote stad met een prachtige vijver in het centrum, waar ook de kathedraal ligt die stamt uit de 11de- 12de eeuw. Een streng sober gebouwde kerk met een deels romaans en een deels vroeg gothisch stuk.
De preekstoel is 17 de eeuws , rijk gebeeldhouwd uit hout met diverse naïef aandoende figuren die in felle kleuren zijn geschilderd.
Wat we erg aardig vonden was het oude stadsdeel, aan de westzijde van de oude haven. De vrijwel volledig intacte houten, wit geschilderde en goed onderhouden huizen, geven een goed beeld van het oude Noorwegen in de steden. Veel houten huizen in de steden zijn ooit door brand verwoest.
Alleen Lillesand in het zuiden van Noorwegen is gevrijwaard gebleven van brand en nog vrijwel helemaal intact.
Met onze fietsjes steil naar boven rijden over de kasseien bleek een onmogelijkheid, dat konden onze beenspieren niet bolwerken ondanks de laagste versnelling.
Inmiddels zijn we met ons schip weer een stuk verder gekomen. Prachtig gezeild, bij een krachtige wind uit het noordwesten, twee lange slagen door een wijd stuk water boven Stavanger.
Bij het binnen varen van de haven van Skudeneshavn liepen we bijna vast op een paar kleine rots-eilandjes , vlak bij de kust, waar we dachten langs te moeten. Allebei kregen we een ongerust gevoel dat we niet goed zaten. Direct omgekeerd en na een paar vissers in een klein bootje geraadpleegd te hebben , bleek dat we meer naar het westen naar binnen moesten.
Eigenlijk stond het ook wel duidelijk in de kaart, maar verhoudingen inschatten tussen al deze eilandjes is lastig.
Als we beide ongerust worden en als zich dat uit in onenigheid tussen elkaar, blijkt dat een prima maatgever te zijn voor dat we moeten oppassen of dat we een foute route aan het nemen zijn.
Zo helpt geprikkeldheid ons langs de rotsen .
Morgen ( 17 mei ) is de Noorse nationale feestdag. Dan wordt het hier een vlaggen-festijn, met kanonschoten om 7 uur en een optocht naar het monument in het park. Alleen de bakker is open, verder is alles dicht.
Gisteren heeft het voor het eerst geregend sinds die mooie zonnige periode in Nederland en in Noorwegen . Vandaag is het zonnetje weer doorgebroken .
Noors ankeren en Tananger
“Noors ankeren”
Het moest er een keer van komen: “We gaan Noors ankeren” !
Na wederom een schitterende windloze dag en wederom motor-varen vinden we een baai bij Sogndals-Stranda.
We hebben de genaker op gehad. Een hele prestatie om wijs te worden uit al die touwtjes die steeds net verkeerd zitten en om de slurf die rond het zeil zit omhoog te schuiven. Woorden als tack en clew die op de zeilhoeken staan blijken na raadplegen van ons scheepstermen-boek iets te betekenen als hals en schoothoek. Dat zijn ten minste wel woorden die we begrijpen.
Nou goed, we hebben hem omhoog gehad en hij stond er ook aardig bij, maar geen wind is ook voor een genaker een dodelijke optie. Voor de show hebben we de motor maar even bij gezet en dan lijkt het weer heel wat. De vaart van het schip deed de genaker opbollen als een ballonnetje in de wind. Leuk voor de mensen die ons voorbij zagen varen.
Na een half uurtje show hebben we de enorme lap maar weer gestreken en zijn een ervaring rijker, we weten nu tenminste hoe die omhoog gaat.
En dan is er het “Noors ankeren”.
Een prachtige plek is het . Een brede baai mooi beschut voor de westen wind. Even goed oppassen dat we niet op een rots varen , en dan kijken: “waar gaan we liggen”.
Ik zie een aantal ringen op de steile rotsen ,vlak voor ons.
We zien er tegen op maar het is niet anders , dit wordt Noors ankeren.
In Zweden heet het Zweeds ankeren en het komt erop neer dat je met de neus van het schip aan de rots vastmaakt , nadat je achter een hek-anker hebt uitgegooid.
Dan moet je wel het hek-anker klaar hebben liggen en dat hadden we niet.
Dat klaarmaken deden we: het hekanker aan de anker-lijn (die op een rol zit ) vast maken, en een eind van de kant met de wind in de rug het anker overboord donderen. Dat ging dus fout.
Het anker pakte niet. Het was me al gezegd , er moet ook een ketting aan als “voorloop”.
Nadat we de ketting ook gemonteerd hadden, lukte het wel.
Het hek-anker pakte.
Dan langzaam naar voren varen om een lijn aan de ring op de wal vast te maken.
En dat is een probleem.
Als je te hard naar voren gaat heb je een deuk in de boot. Het moet met beleid, veel heen en weer geschreeuw(ik ben wat doof) en correcties op de plaatsbepaling.
Nu hadden we een “handig ding” gekocht op de Hiswa om een lijn door een ring te halen.
De ring op de rots was echter te dik en het hele apparaat bleef aan de ring hangen , zonder het beoogde resultaat. Het geheel, stok met handig ding, zat muurvast. Na enig trekwerk had ik alleen nog een handvat in de hand.
Wat zo mooi leek aan de wal , getest op de spijl van een stoel, bleek in de praktijk volledig te mislukken.
Me vasthoudend aan het dunne touwtje, dat nog aan het handige ding vastzat, en achteruit roepend dat Nienke moest proberen het schip op zijn plaats te houden, probeerde ik net niet overboord vallend, met de pikhaak mijn fout te herstellen. Dat lukte , met een ferme ruk kwam het geheel los en waren we even ver als vóór de manoeuvre . Nienke hield zich in om niet in lachen uit te barsten.
Eén ding was prettig, we zaten achter nog vast.
Toen heb ik een landvast met een lus om een ijzeren paaltje kunnen frutselen( dat was het eerste idee van Nienke). De lijn een stukje gevierd en daar lagen we dan , Noors geankerd en Noors vast.
Een Duvel ( biertje) als beloning was precies wat we nodig hadden.
Nu liggen we in het laatste zonlicht op de kuipbanken uit te kijken over een prachtige plek, uitzicht op zee, tevreden over onze verrichtingen op deze enerverende, windstille, dag.
O, ja, niet te vergeten , we zagen meerdere dolfijnen, een donker soort, die ons op afstand passeerden. Eerst dachten we dat het haaien waren , maar dat leek in deze buurt niet echt waarschijnlijk.
De bij westenwind gevaarlijke klippen bij Lindesness en Lista hebben we motorend bij windstilte overwonnen en achter ons gelaten. Nog één gevaarlijk stuk naar Stavanger ligt nog voor ons.
Bij volledige windstilte lukt ons dat vast ook nog wel.
12 mei
Lekker geslapen . ’s morgen lagen we nog steeds goed Noors vast.
Het anker kwam met een flinke kluit Noors territorium los en werd schoongespoeld en afgeveegd op zijn plek aan de zeerailing vastgemaakt.
Vandaag was niet een dag als gisteren, het was niet windstil, maar de wind kwam wel uit de richting waar we naar toe wilden.
Dat betekent hobbelen, een kermisattractie is er niets bij.
’s Nachts was er blijkbaar een lagedruk-gebiedje ergens ten westen van ons , en dat leverde nogal wat “swell” op. Rechtstreeks vertaald zou het “zwelling” kunnen betekenen. Voor schippers betekent het “deining of golven” van (meestal)ver weg, waar het hard heeft gewaaid.
Wel , daar gingen we tegen in. Na 10 uur motorsailen, en na een gevaarlijk stuk kust ( je hebt er geen haventjes waar je bij slecht weer naar toe kunt) kwamen we aan in Tananger, niet Tanger in de buurt van Marocco, maar Tananger, dat wat noordelijker ligt.
Morgen gaan we naar Stavanger en dat is een mooi beginpunt voor de Noordse Fjorden. We zijn dat binnen de scheren, de eilanden, beschermd tegen de golven vanuit het westen.
We zijn erg blij met de reacties die we op het blog terug vonden, bedankt !!
In de haven van Tananger heb ik weer een internet-verbinding kunnen vinden, zodat we deze blog ook weer kunnen publiceren.
Rob en Nienke
De Overtocht
De overtocht
Op zaterdag 3 mei vertrekken we uit Harlingen. Het belooft mooi weer te worden. Voordien was er toch nog een vertraging te verteren. De plotter bleek de kaart van Noorwegen slechts deels weer te geven , de kustlijn leek meer op een afgebrokkelde muur omringd met water. Nader onderzoek en een halve nacht piekeren gaf de waarschijnlijke oplossing, de plotter was niet ingesteld op het juiste type kaart. Wat te doen op 30 april, Koninginnedag en de daarop volgende Hemelvaartsdag liggend in de haven van Harlingen?
De leverancier en de werf waren allebei niet te bereiken, en de vrijdag was voor veel bedrijven ook een vrije dag. En dan wil je weg.
Wat schetst onze verbazing, zittend in de kuip en kijkend naar de binnenkomende bootjes aan het eind van de middag, zie ik op een polyester jacht de verkoper van Sailtron, de man die me de apparatuur verkocht heeft ,binnen varen. Ik roep ‘Chris ,je komt als geroepen’.
Met zijn hulp en wat heen en weer gebel en ge-email wordt er een programma overgestuurd. Daarmee heeft goede Chris het probleem opgelost.
Vrijdagavond arriveert Nienke ’s zus die de overtocht zal meemaken.
Eindelijk, we kunnen vertrekken.
Er is weinig tot geen wind als we langs de Pollendam naar het zeegat tussen Vlieland en Terschelling varen. Motoren dus.
Dan wordt het toch nog even spannend omdat het bij het stukje afsteken in de Stortemelk ondieper bleek dan we hadden gedacht. Angstvallig de dieptemeter in de gaten houdend, scharrelen we met gelukkig nog steeds weinig wind over de Westergronden naar dieper water.
Het gaat goed en we sturen aan op de TE 1, een boei aan de rand van de grote scheepvaartroute langs de eilanden, waar de grote jongens varen.
Opnieuw ontstaat de discussie wat er nu bedoeld wordt met recht oversteken. De stroom zet je al naar gelang de richting van de vloed of de eb naar links of naar rechts als je oversteekt( of het moet net de kentering zijn). Niet recht oversteken kan resulteren in een zeer hoge boete.
We doen het maar zo goed mogelijk als we kunnen.
Eenmaal bevrijd van de twee “snelwegen” en later nog één, begint het te waaien en met een snelheid van 7-7 ½ knoop( ± 12 km per uur) snellen we onder vol tuig de avond en de nacht in.
Het is een fascinerende ervaring om zo met je eigen schip door de leegte te varen. Af en toe komen we schepen tegen die onze koers benaderen of kruisen.
En dan, we vermoedden al dat het ons kon overkomen, is er plotseling zeemist. Mist en wind een rare gewaarwording.
Een dikke deken valt over ons heen en we zien niets meer.
Dat bleef tot in de ochtend.
De radar en de electronische scheepsmelder( AIS) helpen ons om door de mist te kijken. Vooral de radar blijkt een geweldig hulpmiddel en al doende leren we ook hoe alle knopjes werken.
Het lukt steeds beter om de afstand tot de ons tegemoetkomende schepen, die ons te dicht dreigen te naderen, in te schatten.
De natte kou en de psychologische druk waren lastiger te hanteren. Extra warmte-kleding en fleece-dekentjes waren nauwelijks voldoende om warm te blijven en daar werden we wel wat katterig van.
Het slaapgebrek konden we goed compenseren doordat we een wacht-schema hadden waarbij we om de twee uur een uur de uitkijk hadden.
De volgende dag , zondag, was zo mogelijk een nog mooiere dag, een lekker windje uit het oosten en een ons verwarmend zonnetje uit het zuiden recht in de kuip.
We beginnen ons steeds beter te voelen en genieten van de wijdse zee, de lucht en de vogels die ons begeleiden. We zien Noordse stormvogels en een Jan van Gent.
De tweede nacht is veel minder koud en we voelen ons goed. Wel worden we weer door mist omhuld , maar op een totaal andere manier.
Tegen de ochtend doemen donkere wolken op, laag over de zee, die volkomen glad is geworden (de wind is gaan liggen en de motor bromt er weer vrolijk op los). Het lijkt wel of we door een vaag heuvellandschap varen met een spookachtige sfeer. Het licht van de zon dat gedurende de nacht ook in het noorden zichtbaar bleef vormde de achtergrond voor dit schouwspel. We zijn stil en onder de indruk totdat we wederom omhuld worden door de mist. Het is allemaal van een betoverende schoonheid .
Visserschepen gaan we uit de weg zodra we ze op de radar hebben gezien.
De zon komt op in velerlei kleuren , de zee is nog steeds glad.
In de ochtend van maandag zien we land, Noorwegen !
De aanloop wordt Mandal ,een plaatsje aan de zuidkust .
De dieptemeter en de plotter helpen ons langs de ondieptes naar het dorpje dat iets verder landinwaarts aan de rivier ligt.
12.30 uur meren we af aan de kade, 51 uren gevaren over een afstand van 315 mijl.
We zijn wat high en betreden Noorse bodem alsof we voor het eerst voet aan land zetten in een onbekend land.
Na enkele verbaasde Noorse voorbijgangers omhelsd en gekust te hebben, verkennen we het dorp en eten we een lekker zelfgemaakt potje met verse vis.
Daarna slapen we , al vroeg op bed, als 3 schaapjes op een bootje aan de wal.
de oversteek naar Noorwegen
In Harlingen liggen we comfortabel in een box en morgen is het zover. We maken ons op om de grote oversteek te maken naar het meest zuidelijke deel van Noorwegen, naar het plaatsje Mandal.
De koningin heeft haar feestje in Makkum en Franeker gehad en we genieten in de kuip van het gehannes met schepen die een overnachtingsplek zoeken.
Morgen zal ik mijn eigen gehannes moeten laten zien, want we liggen een beetje klem en de draai zou wel eens lastig kunnen zijn.
Alle voorraden zijn nagelopen en geupdated. De watertank moet nog een beetje bijgevuld worden. De dieseltank is vol en we zijn niet meer zo bloednerveus.
De afstand naar Mandal is zo’n 320 zeemijl, dat is ongeveer 580 km. En daar gaan we ongeveer 2-3 dagen over doen als alles meezit.
Dat betekent dat we 2 nachten op zee doorbrengen.
Het weer lijkt gunstig en het ziet er niet naar uit dat het hard gaat waaien.
Ook in Noorwegen wordt beter weer verwacht.
Het moeilijkste stuk van de overtocht zit in het begin. We moeten 2 keer een trafic-lane oversteken , een strook zee waarbinnen de grote schepen, zoals containerschepen en vrachtvaarders, hun baantjes trekken naar het oosten of naar het westen.
Die schepen varen zomaar 50 km per uur, terwijl wij niet sneller varen dan 10- 12 km per uur.
Dus dat is oppassen geblazen. Bovendien moet je die traffic-lane recht oversteken. Je wordt in de gaten gehouden door de kustwacht. Scheef erover heen varen resulteert in een boete van € 1000 zoals er net in een zeilersblad stond.
Vandaag hebben we de koers uitgezet, hoe we moeten varen (als de wind dat toelaat).
Misschien moeten we onderweg de koers wel weer bijstellen.
Er zijn nogal wat booreilanden in de Noordzee waar je meestal ruim vandaan moet blijven.
Voor ons is dit de eerste keer dat we zo’n lange oversteek maken. Eerder gingen we naar Engeland en Denemarken, maar dat was maar 1 nachtje wakker blijven.
Ons plan B is om halverwege een tussenstop te maken in Thyboron in Denemarken.
Nu gaan we een wacht instellen en om de beurt slapen.
We zullen zien hoe het gaat.
Het volgende blog krijgen jullie hopelijk uit Noorwegen.
Rob en Nienke
P.S. de foto is van een tocht op het IJsselmeer

















