Stevnsklint.
Doen we het of doen we het niet. ’s Morgens kijken we bij het wakker worden wat gespannen uit de patrijspoort naar buiten. De regen is opgehouden, maar de wind trekt aan. De afstand van Rødvig naar Kopenhagen door de Køgebugt is bijna 30 mijl. Wat doen de golven en uit welke richting komen ze ? Na de ervaring van de vorige dag zijn we extra gespitst op het weer en haar effect op de zee. Volgens de berichten en de gribfiles zou de wind in de middag en avond nog meer toenemen. De golven zouden evenals de wind met name uit west-zuidwestelijke richting komen. Uit ervaring weten we dat er in een zee-bocht en bij een kaap, golven rare dingen doen. Toch wagen we het er op. Rond 9.30 uur, als we een paar vissersboten de haven zien uitvaren en een tweepersoons wherry(sic) de haven zien binnen varen, gooien we de trossen los. Naar buiten door de geul, die dwars op de golven ligt, is het even lastig. Nine Marit schurkt zich ongemakkelijk in de aanrollende golven. Als we de geul uit zijn en de stelnetten en visboeien hebben vrijgevaren, buigen we af naar het noorden en zetten de stuurautomaat aan. Verrast kijken we elkaar aan. Hoe anders is dit. Als met een loom-slepende dans glijden we over het water. Geleidelijk komt de kont van het schip omhoog en maakt een kleine zijdelingse zwiep alsof ze de achterop komende golf een duwtje na wil geven. We hebben de snelheid van ons schip aangepast aan de snelheid waarmee de golven ons oplopen. Dit is genieten. De wind en de golven recht van achteren, ‘kat in het bakkie, visje in de vijver’. De vroege zon in de kuip verwarmt onze botten en het kopje vers gezette koffie glijdt huigstrelend als een zachte bonbon naar binnen.
Zoals verwacht, ontkomen we er niet aan om wat te moeten bijsturen. Naarmate we naar het noorden vorderen, komen de golven wat meer van opzij en kiezen we voor een iets westelijker koers, om later, met de golven mee, naar het noord-oosten te kunnen varen. Zeilschepen kruisen onze koers en in de verte zien we containerschepen van- en naar- Kopenhagen varen. De magistrale brug van Kopenhagen naar Malmö domineert het uitzicht naar het Noorden. We weten dat we daar niet onderdoor hoeven te varen. Op het tusseneiland in de Sund duikt de weg van de brug in een tunnel naar de vaste wal bij Kopenhagen. Hoe dichter we bij ons reisdoel, de haven van Dragør, komen, hoe rommeliger de zee wordt. Vanuit de Køgebugt, een wijd stuk water, varen we in een soort fuik, waar wind, golven en stroming worden samengeperst.
Met een scherpe hoek lopen we de oude haven binnen. Het ligt er vol met schepen vanwege een of ander feestelijk gebeuren en een rondje door de haven doet ons besluiten om terug te varen naar de iets zuidelijker gelegen nieuwe haven. Met moeite vinden we een plek waar we met twee schepen langszij kunnen liggen. Het blijkt een onrustige plek te zijn. Te dicht bij de havenmond, waar de aantrekkende oostenwind het water naar binnen stuwt en ons een onrustige nacht bezorgt.
De volgende morgen proberen we het nogmaals in de oude haven en krijgen op aanwijzingen van de havenmeester een mooie plek langszij voor het restaurant, dicht bij de stad. De baklucht van hamburgers en kibbeling krijgen we er gratis bij. Volledig beschut voor de wind, die volgens de havenmeester vanavond gaat doorzetten tot een Bft 6 of meer uit het zuidwesten.
Voorlopig blijven we in dit authentieke plaatsje waar zich ooit in de 18e eeuw een kolonie Hollanders hebben gevestigd. Het slechte weer zal ons niet deren en er is genoeg te zien en te beleven in de komende dagen……

Kleuters op krabbenvangst in de haven van Dragør onder begeleiding van een juf en een meester
