De rietkragen aan de kant lichten geel op in het magere zonnetje. Onder het zachte gebrom van de motor glijden we door het landschap over het donkerblauwe vrijwel rimpelloze water. In de verte zien we IJlst en passeren het aquaduct waar vroeger in het hoogseizoen de vele passanten zich voor de brug ophoopten in afwachting van een opening. De Jeltesloot is nu zonder oponthoud te bevaren en de enkele schepen die we tegenkomen zijn voor het merendeel Duitsers die evenals wij genieten van dit vroege voorjaar. Het is nog opvallend stil op het water. Vluchten watervogels en een enkele kokmeeuw kruisen ons pad op weg naar wie zal het zeggen. Twee waterhoentjes klepperen luid watertrappend voor onze boeg weg, verstoord piepend om even later hun gram af te reageren op elkaar.
Mooi licht en een geheime plek
We zijn op weg naar dat plekje dat we geheim willen houden. Dat plekje aan de waterkant waar we jaren al niet meer konden komen vanwege de grotere diepgang van onze vorige schip de Nika.
Via een omweg over Heeg waar we twee vrienden voor een rondje over Woudsend uitnodigden, varen we op ons gemakje over het Heegermeer en de Fluessen naar het zuidwesten. Onzeker over wat de dieptemeter aangeeft (hij is nog niet gecalibreerd) scharrelen we naar het plekje en zijn stil over de ons omringende schoonheid van het landschap. Geen schip te bekennen behalve dat ene motorbootje dat ons tegemoet kwam. In de verte zien we een jagende buizerd vliegen, af en toe naar beneden duikend om een mogelijke prooi te spotten.
Behoedzaam varen we naar het walletje, Nienke staat aan het roer. Ik sta buiten klaar met de touwtjes, nadat ik de ballen heb uitgehangen op hoogte van de steiger. Het zachte windje komt van land, de hogerwal. Het is lastig om de breedte van het schip in te schatten, maar weldra liggen we vast en staat meneer Buoy te kwispelen. Hij wil aan wal, vaste voet aan de grond. Hij is heel wat gewend met zijn echte baas, onze zoon, die ruim 15 jaar op klippers voer op de Waddenzee en het IJsselmeer. Haast een zeehond. Echter op het water is niet veel te snuffelen en en zijn ware aard, een landbeest, is niet te verloochenen.
De motor gaat uit en de stilte, af en toe onderbroken door de ijle kreet van een vogel, valt over ons als een warme deken. De zon laat zich af en toe zien tussen de langzaam voorbij schuivende stapelwolken. De elzasser wijn met een stukje helaas niet helemaal rijpe camembert versiert de tijd die we nog in de kuip kunnen zitten bij het lengen van het licht. Bijzonder hoe de omgeving inwerkt op ons welbevinden. Een magische plek hervonden. Een plek die je over land niet kunt bereiken. Nou ja, mischien wel, er liep een boer in overall langs met een polsstok die ons geen blik waardig vond.
In het schip staat een glas met pinksterbloemen, boterbloemen en zuring. Een geschenk van het stuk ongemaaide grasland achter de steiger.
Het is lekker warm in het schip, Bo moet nog even uit voor een plas. Het is donker buiten. Het bed voor in het schip lokt.
